HR ECLI:NL:HR:2014:908, rov. 2.4.
HR, 20-12-2016, nr. 15/04644
ECLI:NL:HR:2016:2926
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
20-12-2016
- Zaaknummer
15/04644
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:2926, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 20‑12‑2016; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2016:1293, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2016:1293, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 25‑10‑2016
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2016:2926, Gevolgd
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2017-0046
Uitspraak 20‑12‑2016
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. Art. 552a Sv. Klaagster n-o in cassatieberoep gelet op art. 134.2 Sv. Voorwerpen reeds teruggegeven.
Partij(en)
20 december 2016
Strafkamer
nr. S 15/04644 B
IV/AJ
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 8 september 2015, nummer RK 15/424, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:
[klaagster] , geboren op [geboortedatum] 1974.
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft de klaagster niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag "voor zover de goederen reeds zijn teruggegeven" en het beklag voor het overige ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft geconcludeerd dat de klaagster niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1.
Het middel komt op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het beklag.
3.2.
De bestreden beschikking houdt, voor zover van belang, het volgende in:
"De rechtbank overweegt dat de officier van justitie ter zitting op 24 juni 2015 heeft aangegeven dat alle goederen, behalve de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd (nummers 2, 5, 11, 28, 29, 30 en 40), reeds waren terug gegeven of konden worden terug gegeven.
[betrokkene 1] heeft vervolgens ter zitting op 25 augustus 2015 verklaard dat klaagster na de zitting van 24 juni 2015 diverse goederen heeft terug gekregen, waaronder telefoons. Gegeven de verklaring van [betrokkene 1] en gegeven het feit dat een toelichting van klaagster of haar raadsman ontbreekt, gaat de rechtbank er van uit dat de goederen waarop geen conservatoir beslag rust, niet langer onder beslag liggen en reeds zijn terug gegeven. De rechtbank verklaart het klaagschrift voor dat deel niet-ontvankelijk."
3.3.
De Rechtbank heeft overwogen dat ervan wordt uitgegaan dat de goederen waarop geen conservatoir beslag rust, niet langer onder beslag liggen en reeds zijn teruggegeven. Dat oordeel is in het licht van de in de overwegingen van de Rechtbank weergegeven feiten en omstandigheden niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande heeft de Rechtbank, gelet op art. 134, tweede lid, Sv, de klaagster terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar beklag voor zover dat betrekking heeft op bedoelde goederen. Dat brengt mee dat de klaagster niet kan worden ontvangen in haar cassatieberoep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de klaagster niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en Y. Buruma, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2016.
Conclusie 25‑10‑2016
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag. Art. 552a Sv. Klaagster n-o in cassatieberoep gelet op art. 134.2 Sv. Voorwerpen reeds teruggegeven.
Nr. 15/04644 B Zitting: 25 oktober 2016 | Mr. W.H. Vellinga Conclusie inzake: [klaagster] |
De Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 8 september 2015 het beklag van klaagster strekkende tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen niet-ontvankelijk verklaard voor zover de inbeslaggenomen goederen reeds zijn teruggegeven en het beklag voor het overige ongegrond verklaard.
Namens de klaagster heeft mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel houdt in dat de rechtbank op ontoereikende gronden heeft aangenomen dat de voorwerpen, voor zover daarop geen conservatoir beslag rust, zijn teruggegeven.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder meer overwogen:
“Het klaagschrift is gericht tegen (het voortduren van) de inbeslagneming en (daarmee kennelijk tevens) tegen het uitblijven van een last tot teruggave van het inbeslaggenomene aan klaagster.
(…)
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige beklag uit van de navolgende feiten en omstandigheden:
1. onder dhr. [betrokkene 1] is op I juli 2014 in beslag genomen: een groot aantal goederen (zie bijlage, steeds wordt verwezen naar de nummering daar);
2. op 12 maart 2015 heeft de officier van justitie - met machtiging van de rechtercommissaris - conservatoir beslag gelegd op de goederen met nummers 2, 5, 11, 28, 29, 30 en 40;
3. [betrokkene 1] is door de meervoudige kamer van deze rechtbank bij vonnis van 21 april 2015 veroordeeld, voor - kort gezegd - meermalen medeplichtigheid aan het kweken van hennep en meermalen deelnemen aan een criminele organisatie die het kweken van hennep tot doel had, tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek;
4. de officier van justitie heeft ter zitting een ontnemingsvordering aangekondigd en gevorderd het conservatoir beslag daartoe in stand te houden.
(…)
Overwegingen
(…)
[betrokkene 1] heeft ter zitting aangegeven dat klaagster na de vorige zitting goederen - waaronder telefoons - heeft terug gekregen. Hij stelt dat het briefje van € 100,- en de sieraden (nummers 29 en 40 ) van klaagster zijn. De goederen onder nummer 2, 11 en 28 zijn van [betrokkene 1] . Van de bankpassen onder nummer 5 en 30 is er mogelijk één van [betrokkene 1] , maar op de lijst staat niet op wiens naam de pas staat. [betrokkene 1] stelt dat van hem, zijn broer en zijn moeder bankpassen in beslag zijn genomen.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen teruggave en daartoe aangevoerd dat de goederen niet onder klaagster in beslag zijn genomen. De goederen zijn namelijk onder [betrokkene 1] in beslag genomen. Verder wordt in het klaagschrift niet gesteld dat klaagster eigenaar van de goederen is. Ook een toelichting van de zijde van klaagster ter zitting ontbreekt en er zijn geen stukken overgelegd ter onderbouwing van de juistheid van de stellingen van klaagster. Hoewel [betrokkene 1] stelt dat het briefje van € 100,- en de sieraden van klaagster zijn, kan daar niet zonder meer van uit worden gegaan. Niet is vast te stellen dat deze goederen van klaagster zijn, aldus de officier van justitie.
Reeds teruggegeven goederen
De rechtbank overweegt dat de officier van justitie ter zitting op 24 juni 2015 heeft aangegeven dat alle goederen, behalve de goederen waarop conservatoir beslag is gelegd (nummers 2, 5, 11,28, 29, 30 en 40), reeds waren terug gegeven of konden worden terug gegeven. [betrokkene 1] heeft vervolgens ter zitting op 25 augustus 2015 verklaard dat klaagster na de zitting van 24 juni 2015 diverse goederen heeft terug gekregen, waaronder telefoons. Gegeven de verklaring van [betrokkene 1] en gegeven het feit dat een toelichting van klaagster of haar raadsman ontbreekt, gaat de rechtbank er van uit dat de goederen waarop geen conservatoir beslag rust, niet langer onder beslag liggen en reeds zijn terug gegeven. De rechtbank verklaart het klaagschrift voor dat deel niet-ontvankelijk.”
5. Het oordeel van de rechtbank dat op grond van de mededeling van de officier van justitie en de verklaring van [betrokkene 1] moet worden aangenomen dat de inbeslaggenomen goederen zijn teruggegeven voor zover daarop geen conservatoir beslag rust, is een oordeel van feitelijke aard dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden onderzocht. Onbegrijpelijk is het oordeel van de rechtbank niet. Dat klemt temeer nu in cassatie niet wordt aangegeven van welke van de inbeslaggenomen voorwerpen de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat deze zouden zijn teruggegeven.
6. Het middel is tevergeefs voorgedragen. Nu er aldus in cassatie van moet worden uitgegaan dat de voorwerpen waarop het beroep in cassatie betrekking heeft zijn teruggegeven en de rechtbank het beklag in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, kan de klaagster niet in haar beroep in cassatie worden ontvangen.1.
7. Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Bij de stukken bevindt zich een kennelijk van de officier van justitie afkomstig stuk met de titel “Klaagschrift 552 a Sv Rekestnummer: 15/424 Parketnummer: 16/ 700650-14 Naam klager: [klaagster] (naam verdachte strafzaak: [betrokkene 1] )” met op de eerste bladzijde de aantekening “Zie laatste pagina.” Op die laatste pagina staat:
“Mail van zittingsovj Laurens Linssen d.d. 7 mei 2015:
"in de beslaglijst had ik over het hoofd gezien dat er na een hoop regels conservatoir beslag ook nog strafrechtelijk beslag open stond. Op zitting heb ik gezegd dat ik dacht dat dat allemaal was afgehandeld en dat er alleen nog conservatoir beslag was. Dat is dus niet het geval geweest. Zou jij kunnen zorgen dat de rest (dus niet conservatoir) op teruggeven wordt gezet?"
Dit heeft zaakssecretaris [betrokkene 2] diezelfde dag nog bij afdeling Beslag uitgezet. De goederen waar strafrechtelijk beslag op rust, zouden dus retour moeten zijn gegaan.
De goederen waar conservatoir beslag op rust: dit dient, zoals ook d.d. 7 april 2015 op zitting aangegeven door de ovj, gehandhaafd te blijven in verband met de op die zitting aangekondigde ontneming.”
8. Deze tekst wijst erop dat indien - anders dan de rechtbank heeft aangenomen, een in cassatie onaantastbaar oordeel - niet alle goederen waarop geen conservatoir beslag rust, zijn teruggegeven, in casu slechts sprake is van een onvolkomenheid in de executie. Een dergelijke onvolkomenheid dient niet via een cassatieberoep maar door middel van overleg tussen raadsman en officier van justitie te worden opgelost zoals dat ook het geval is wanneer is verzuimd de voorlopige hechtenis af te trekken.2.Dat brengt mee dat de klaagster onvoldoende rechtens te beschermen belang heeft bij haar klacht en het cassatieberoep ook op die grond niet-ontvankelijk is.
9. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑10‑2016
HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005.