Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.4.b
4.4.b Recht op stukken
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS604692:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Trechsel 2005, p. 222-241; Van Dijk, Van Hoof e.a. 2006, p. 634-636; Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 472-473.
Zie hierover in Mevis 1992.
EHRM 22 juni 1993, nr. 12914/87 (Melin/Frankrijk); EHRM 7 september 1999 (ontv.), nr. 39350/98 (Jodko/Finland); EHRM 14 oktober 2003 (ontv.), nr. 50966/99 (Trukh/Oekraïne); EHRM 16 mei 2013, nr. 35227/06 (Chorniy/Oekraïne).
EHRM 7 december 2000, nr. 29202/95, NJ 2001/558, m.nt. Mevis (Zoon/Nederland), relevant is ook dat Zoon met de feiten bekend was en kon dus wel raden naar de inhoud van de aanvulling bewijsmiddelen, aldus ook Dreissen 2007, p. 138-141 en Mevis in zijn NJ-noot onder de uitspraak; de Commissie oordeelde eerder anders, zie ECRM 4 december 1998, nr. 29202/95 (Zoon/Nederland).
ECRM 27 februari 1995 (ontv.), nr. 22922/93 (Colak/Nederland).
Over het belang van de inhoud van de mondelinge uitspraak EHRM 24 juli 2007, nr. 53640/00 (Baucher/Frankrijk).
EHRM 22 mei 2001 (ontv.), nr. 40801/98 (De Bruijn/Nederland).
EHRM 19 december 1992, nr. 12945/87, NCJM-bull. 1993, p. 318-319, m.nt. Myjer (Hadjianastassiou/Griekenland); de schending valt samen met een schending van het recht op motivering en ziet vooral op het tijdsaspect, waarover ook EHRM 14 september 1999, nr. 32523/96 (Hilden/Finland); zie voor de factoren verder EHRM 7 september 1999 (ontv.), nr. 39350/98 (Jodko/Finland); EHRM 22 mei 2001 (ontv.), nr. 40801/98 (De Bruijn/Nederland).
In EHRM 16 mei 2013, nr. 35227/06 (Chorniy/Oekraïne), wordt expliciet voorbijgegaan aan de bekendheid met de mondelinge uitspraak.
Naast het recht op adequate facilities kan overigens nog worden gedacht aan het recht op openbare uitspraak van het rechterlijk oordeel. Dit recht biedt echter niet meer dan een aanspraak op openbare mondelinge bekendmaking van (een samenvatting van) het oordeel aldus Harris, O’Boyle e.a. 2014, p. 438-439; zie over het eveneens relevante recht op motivering paragraaf 4.4e.
Artikel 6 EVRM bevat niet met zoveel woorden een recht op beschikbaarheid van het vonnis en proces-verbaal uit vorige aanleg. Toch kan zo’n recht tot op zekere hoogte uit deze bepaling worden afgeleid. De beste ingang daarvoor biedt het recht op adequate facilities voor de verdediging uit lid 3, onderdeel b, van artikel 6 EVRM. Naast de hoofdstroom van rechtspraak over beschikbaarheid van dossierstukken over bewijs vóór en tijdens de berechting,1 loopt een kleine zijstroom aan uitspraken over de uitwerking van een vonnis en proces-verbaal van de zitting ten behoeve van het aanwenden van een rechtsmiddel.
Twee zaken tegen Nederland zijn voor deze zijstroom illustratief. De zaak Zoon/Nederland betreft een in eerste aanleg gewezen kop-staartvonnis of verkort vonnis, dat wil zeggen een vonnis waarin de bewijsmiddelen niet zijn opgenomen. Pas als beroep wordt ingesteld, vindt opname van de bewijsmiddelen in een aanvulling op het vonnis plaats (zie thans art. 365a Sv).2 Zoons eerste klacht bij het EHRM is dat hij niet door de rechtbank was voorzien van een afschrift van het verkorte vonnis. Het EHRM merkt op dat Zoon aanwezig was bij de uitspraak en dus in elk geval bekend was met het dictum. Los daarvan acht het de klacht ongegrond omdat een kopie van het kop-staartvonnis 48 uur na de uitspraak beschikbaar kon worden gemaakt, indien Zoon daar schriftelijk om had verzocht. Ook in andere zaken wordt het initiatief van de verdediging in dit opzicht benadrukt.3 Zoons tweede bezwaar is dat het afschrift van het kop-staartvonnis op zichzelf onvoldoende informatie bevat om afgewogen te kunnen beslissen over het instellen van hoger beroep. Ook deze klacht wijst het EHRM af. Daarbij hecht het belang eraan dat in het verkorte vonnis was gerespondeerd op Zoons verweren, dat in het Nederlandse hoger beroep de tenlastelegging (opnieuw) centraal staat en dat “an appeal procedure thus involves a completely new establishment of the facts and a reassessment of the applicable law. It follows, in the Court’s opinion, that the applicant and his counsel would have been able to make an informed assessment of the possible outcome of any appeal in the light of the judgment in abridged form and of the evidence contained in the case file.”4
Uit andere zaken blijkt dat het karakter van de beoordeling in beroep als factor op zichzelf niet doorslaggevend is. In de zaak Colak/Nederland werd zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een verkorte uitspraak gegeven.5 Colak meent dat reeds ten behoeve van de afweging wel of niet een rechtsmiddel in te stellen een volledig uitgewerkt vonnis beschikbaar moet zijn. De Commissie stelt voorop dat “a fair appeals procedure normally requires that a sentenced person should be aware of the full contents of the judgment by which he was convicted and sentenced, at the time when he decides whether or not to lodge an appeal against the judgment”, maar verklaart de klacht toch niet-ontvankelijk. Het volledige dossier was namelijk voor de verdediging beschikbaar gemaakt en de verdediging was bekend met de mondelinge uitspraken.6 Hetgeen uit de verkorte uitspraken was weggelaten, was volgens de ECRM “essentially a factual summary of declarations by witnesses and not any assessments by the courts”. Bovendien: “the applicant became acquainted with the […] complete judgments at a time when he could still present supplementary grounds of appeal, or grounds of cassation respectively”. Ook in de zaak De Bruijn/Nederland wordt de mogelijkheid om na openbaarmaking van het volledige vonnis of arrest nog grieven in te dienen van belang gevonden.7
Of de voorzieningen ter voorbereiding van het beroep adequaat zijn, hangt kortom samen met vijf factoren: (i) de bekendheid van de verdachte met de (mondelinge) uitspraak, (ii) de beschikbaarheid van dossierstukken naast de uitspraak en het proces-verbaal, (iii) het initiatief van de verdediging om stukken te verkrijgen, (iv) de mogelijkheid om nog na beschikbaarstelling van uitspraak en proces-verbaal grieven te formuleren of aan te vullen en (v) het karakter van het onderzoek en de beoordeling in beroep. De relevantie van deze factoren wordt in andere uitspraken bevestigd,8 maar zij lijken elk op zichzelf niet doorslaggevend.9 Harde conclusies laat de beperkte hoeveelheid zaken daarom niet toe, behalve dan dat een hard recht op een volledig uitgewerkt vonnis en proces-verbaal niet kan worden opgehangen aan artikel 6 lid 3 EVRM.10
Wat dit alles betekent voor verlofstelsels hangt dus mede af van hoe het onderzoek naar de toegangsvoorwaarden is vormgegeven. Als ten behoeve van het instellen van beroep geen stukken beschikbaar zijn, maar vóór de beoordeling van de toegang gronden voor beroep (en verlof) kunnen worden aangevuld, ligt schending van artikel 6 EVRM niet in de rede. In elk geval kan een klacht over de beschikbaarheid van stukken bij verlof niet worden geneutraliseerd door te wijzen op het ruime karakter van het onderzoek dat plaatsvindt ná toelating van het verlof, zoals de Nederlandse wetgever ooit eens heeft geopperd,11 aangezien het plaatsvinden van dat onderzoek juist afhangt van of verlof wordt verleend. Als het onderzoek naar de toegangsvoorwaarden is afgescheiden van het onderzoek naar de inhoud van het beroep, dient het onderzoek naar de verlofvraag ook geïsoleerd te worden benaderd.