HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1089, NJ 2017/270, waarin verwezen wordt naar HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171, NJ 2009/541 m.nt. Reijntjes. Zie nader B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2024, p. 448-454.
HR, 08-07-2025, nr. 23/04783
ECLI:NL:PHR:2025:762
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
23/04783
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2025:762, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑07‑2025
Conclusie 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Mensenhandel en mishandeling. Eerste middel bevat klacht dat sprake is van grondslagverlating door het inlezen van de pleegplaats. Tweede middel houdt in dat het hof in strijd met art. 342 Sv en art. 6 EVRM de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen heeft verklaard. AG meent dat beide middelen falen. Conclusie strekt tot vernietiging, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die aan de schadevergoedingsmaatregelen is verbonden en wat betreft de vrijheidsbeperkende maatregel voor zover deze ten behoeve van één van beide slachtoffers is opgelegd.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04783
Zitting 8 juli 2025
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 29 november 2023 wegens 1 en 2, ‘telkens: mensenhandel’ en 3 ‘mishandeling’ veroordeeld tot 5 jaren en 5 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr. Daarnaast heeft het hof een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid opgelegd, met bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid, inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Bij herstelarrest van 29 januari 2024 heeft het hof bevolen dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van het arrest onderworpen is geweest aan een dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht. Het hof heeft de vorderingen van twee benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. C.F. Korvinus, advocaat in Amsterdam , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste middel bevat de klacht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door bij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten de pleegplaats in te lezen. Het tweede middel houdt in dat het hof in strijd met artikel 342 Sv en artikel 6 EVRM de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen heeft verklaard.
Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de tenlastelegging en de bewezenverklaring weer, alsmede overwegingen van het hof. Daarna citeer ik uit de appelschriftuur, het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 en 18 september 2020 en van 1 november 2023 en 15 november 2023. Ook geef ik enkele passages uit het requisitoir en de pleitnotities weer, alsmede de inhoud van een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris.
Tenlastelegging, bewezenverklaring, overwegingen van het hof, appelschriftuur, proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, requisitoir, pleitnota en proces-verbaal van bevindingen raadsheer-commissaris
5. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
‘1.
hij in of omstreeks de periode van 1 februari 2010 tot en met 1 september 2013 een ander, te weten [slachtoffer 1] , (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of een andere feitelijkheid en/of dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door fraude en/of door misleiding, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1),
en/of
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden en/of schoonmerkwerkzaamheden) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden en/of schoonmaakwerkzaamheden) (artikel 273f lid 1 sub 4),
en/of
heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele
handelingen van die [slachtoffer 1] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),
en/of
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van de [slachtoffer 1] (artikel 273f lid 1 sub 6),
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, als bedoeld in sub 1, heeft bestaan uit:
- het mishandelen van die [slachtoffer 1] (onder andere door die [slachtoffer 1] te slaan en/of aan de haren te trekken en/of aan de haren door de kamer te trekken/sleuren);
- het schreeuwen tegen die [slachtoffer 1] ;
- het in aanwezigheid van die [slachtoffer 1] vechten met een klant van die [slachtoffer 1] met wie zij voornemens was weg te lopen van verdachte;
- het dwingen althans bewegen van die [slachtoffer 1] om (onvrijwillig) onveilige en/of door die [slachtoffer 1] als
vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden;
- het opsluiten en/of opgesloten houden en/of het afpakken van het paspoort en/of het afnemen van de sleutel, althans het (in ernstige mate) beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1] ;
- het bedreigen van die [slachtoffer 1] met de dood en/of zware mishandeling (in onder meer sms berichten met de tekst: ‘I kill you i dont have cridit’; ‘I gif you 5 min tu call my im gane breke you tanden’;’ WULLAH IM GANE BREAK YOU’;
- het brengen en/of houden van die [slachtoffer 1] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële
middelen kon beschikken;
en/of waarbij voornoemde "enige handeling(en)", als bedoeld in sub 4, heeft/hebben bestaan uit:
- het regelen van een woonadres voor die [slachtoffer 1] en/of het laten verblijven van die [slachtoffer 1] in zijn,
verdachtes, woning en/of in de woning van anderen;
- het vervoer van en naar de werkkamer van die [slachtoffer 1] ;
- het nauwlettend in de gaten gehouden en/of laten houden van die [slachtoffer 1] (terwijl die [slachtoffer 1]
prostitutiewerkzaamheden verrichtte).
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 6 december 2016 een ander, te weten [slachtoffer 2] , (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer andere
feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of dreiging met één of meer andere feitelijkheden en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1)
en/of
heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van arbeid of diensten (te weten: prostitutiewerkzaamheden) (artikel 273f lid 1 sub 4),
en/of
heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele
handelingen van die [slachtoffer 2] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),
en/of
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] (artikel 273f lid 1 sub 6),
waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, als bedoeld in sub 1, heeft bestaan uit:
- het mishandelen van die [slachtoffer 2] (onder andere door die [slachtoffer 2] (met een telefoon) te slaan en/of te schoppen en/of aan de haren te trekken);
- het bedreigen van die [slachtoffer 2] met de dood en/of zware mishandeling (met onder meer de
woorden dat verdachte die [slachtoffer 2] zou slachten en/of zou neer steken en/of in brand zou steken en/of zou vermoorden);
- het dreigen papieren van die [slachtoffer 2] te vernielen zodat zij nergens naar toe kon;
- het schreeuwen tegen die [slachtoffer 2] ;
- het één of meermalen vernielen van gsm's van die [slachtoffer 2] ;
- het dwingen althans bewegen van die [slachtoffer 2] een abortus uit te laten voeren;
- het dwingen althans bewegen van die [slachtoffer 2] om (onvrijwillig) onveilige en/of door die [slachtoffer 1] als vernederend ervaren en/of deviante seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden;
- het brengen en/of houden van die [slachtoffer 2] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken;
en/of waarbij voornoemde "enige handeling(en)", als bedoeld in sub 4, heeft/hebben bestaan uit:
- het vervoer van en naar de werkkamer van die [slachtoffer 2] ;
- het nauwlettend in de gaten gehouden en/of laten houden van die [slachtoffer 2] (terwijl die
[slachtoffer 2] prostitutiewerkzaamheden verrichtte).
3.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 december 2013 tot en met 8 december 2016 te [plaats] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] ten val te brengen en/of een of meermalen met kracht te schoppen en/of te slaan en/of stompen;
(art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht)’
6. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
‘1.
hij in de periode van 1 februari 2010 tot en met 1 september 2013 te [plaats] [slachtoffer 1] , met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld en door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1),
en
[slachtoffer 1] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist dat [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten prostitutiewerkzaamheden (artikel 273f lid 1 sub 4),
en
[slachtoffer 1] heeft gedwongen en/of bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele
handelingen van [slachtoffer 1] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),
en
opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1] (artikel 273f lid 1 sub 6),
waarbij dat geweld en die dreiging met geweld, als bedoeld in sub 1, heeft bestaan uit:
- het mishandelen van [slachtoffer 1] , onder andere door [slachtoffer 1] te slaan en aan de haren te trekken;
- het schreeuwen tegen [slachtoffer 1] ;
- het in aanwezigheid van [slachtoffer 1] vechten met een klant van [slachtoffer 1] met wie zij voornemens was weg te lopen van verdachte;
- het bedreigen van [slachtoffer 1] met de dood en zware mishandeling onder meer in smsberichten met de tekst: ’l kill you i dont have cridit’; 1 gif you 5 min tu call my im gane breke you tanden' en ‘Wullah im gane break you’;
- het houden van [slachtoffer 1] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken;
en waarbij voornoemde handelingen, als bedoeld in sub 4, hebben bestaan uit:
- het regelen van een woonadres voor [slachtoffer 1] en het laten verblijven van die [slachtoffer 1] in de woning van anderen;
- het vervoer van en naar de werkkamer van [slachtoffer 1] .
2.
in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 6 december 2016 te [plaats] [slachtoffer 2] met één of meer van de onder lid 1, sub 1 van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld en dreiging met geweld en misleiding en misbruik van een kwetsbare positie, heeft vervoerd, met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f lid 1 sub 1);
en [slachtoffer 2] heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden, dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist dat [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van prostitutiewerkzaamheden (artikel 273f lid 1 sub 4);
en [slachtoffer 2] heeft gedwongen of bewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van [slachtoffer 2] met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9);
en opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2] (artikel 273f lid 1 sub 6);
waarbij dat geweld en die dreiging met geweld, als bedoeld in sub 1, heeft bestaan uit:
- het mishandelen van [slachtoffer 2] , onder andere door [slachtoffer 2] (met een telefoon) te slaan en te schoppen en aan de haren te trekken;
- het bedreigen van [slachtoffer 2] met de dood met de woorden dat hij [slachtoffer 2] zou slachten; zou neersteken; in brand zou steken en zou vermoorden;
- het dreigen papieren van [slachtoffer 2] te vernielen zodat zij nergens naar toe kon;
- het schreeuwen tegen [slachtoffer 2] ;
- het vernielen van een gsm van [slachtoffer 2] ;
- het brengen en houden van [slachtoffer 2] in een positie waar zij niet over haar eigen financiële middelen kon beschikken;
en waarbij voornoemde handelingen, als bedoeld in sub 4, hebben bestaan uit het vervoer van en naar de werkkamer van [slachtoffer 2] :
3.
hij op 8 december 2016 te [plaats] [slachtoffer 2] heeft mishandeld door [slachtoffer 2] ten val te brengen, te schoppen en te slaan.’
7. De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 steunt op de volgende in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘Feiten 1 en 2:
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 18 april 2019
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik heb ongeveer drie jaar een relatie met [slachtoffer 1] gehad. In 2010 is onze relatie begonnen. We hebben elkaar op […] leren kennen. Ik was een soort van klant van haar. Zij sprak bijna geen Engels en het was moeilijk om te communiceren. Toen vertelde zij mij dat zij een pooier had. Zij vroeg mij haar te helpen met het regelen van een plek waar zij kon verblijven. Vervolgens heb ik haar geholpen een woning te vinden. Ik ging daar af en toe wonen. [slachtoffer 1] kende [plaats] niet en wist niet hoe zij moest reizen. Zij was een soort van afhankelijk van mij. Zij kende hier niemand.
Ik heb met haar in verschillende woningen gewoond. Ik kreeg wat later pas een uitkering. Ik kan me niet herinneren vanaf wanneer dat was. Het is zo lang geleden. Rond die tijd heb ik een daklozenuitkering aangevraagd. Ik zat in de schulden, nog steeds eigenlijk. Ik nog nooit heel veel geld verdiend.
Toen ik [slachtoffer 1] leerde kennen, had ik ook een andere vriendin. Ik heb een aantal verschillende vriendinnen gehad, soms gelijktijdig.
U houdt mij voor dat het huis waar ik tijdelijk onderdak had gevonden en waar [slachtoffer 1] ook verbleef dichtbij [a-straat] was. Dat zou kunnen. Het zou kunnen dat wij na dat huis bij het [a-straat] een tijdje in een hotel hebben gewoond. Wij hebben via onderhuur op veel verschillende locaties gewoond.
U vraagt of ik degene was die haar gedeeltelijk wegbracht en ophaalde. Als zij dat aan mij vroeg, deed ik dat. Als zij dan vroeg of ik haar kon wegbrengen, dan deed ik dat. Ik bracht haar naar huis en kwam dan weer terug naar […] .
U houdt mij voor dat ik op 8 november 2010 berichtjes als "I kill you" heb gestuurd naar [slachtoffer 1] . Dat klopt.
Ik heb drie jaar een relatie met [slachtoffer 2] gehad. Na mijn vakantie naar Marokko in 2013 ontstond een relatie. Tot december 2016 hadden wij een liefdesrelatie. Wij hebben een tijdje in de Egerstraat gewoond. Als zij mij belde en vroeg of ik haar kon ophalen, dan deed ik dat, als ik kon.
Wij (het hof begrijpt: verdachte en [betrokkene 1] ) zijn in september 2017 voor de Islamitische wet getrouwd. Ons kindje is op 21 maart 2019 geboren. Ik ben gelukkig geworden. Zij motiveert mij om het goede pad op te gaan.
2. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2023
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Begin 2014 kreeg ik een relatie met [slachtoffer 2] . Ik had toen al een relatie met [betrokkene 2] , dat geef ik toe.
Het klopt dat [slachtoffer 1] op een gegeven moment in een hotel werkte.
3. Een proces-verbaal informatief gesprek mensenhandel van 27 oktober 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 27 oktober 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik ben in mei 2009 naar Nederland gekomen. Op een dag belde ik [verdachte] dat ik weg wilde bij degene voor wie ik werkte. Hij zou me helpen. We hebben een huis gezocht voor mij en die avond heeft hij me gebracht naar dit huis. Toen ben ik ook even uit de prostitutie gestapt maar na 2 weken zei hij dat we geen geld hadden en de huur niet konden betalen waardoor ik terugging naar de prostitutie. Vanaf die tijd heb ik tot 2013 in de prostitutie gewerkt.
In het begin pakte hij (het hof begrijpt: de verdachte) niet alles, alleen kleine bedragen. Elke keer werd het meer en meer. Na een paar maanden was het dat ik in de avond na werk thuiskwam, ik ging slapen, en 's morgens alles weg was op 20,- euro na. Hij pakte dan alles weg op dit bedrag na. We hadden er vaak ruzie over. Ik wilde vaak niet meer naar werk toe of ik wilde weg van hem. Dan kregen we ruzie. We waren dan beiden aan het vechten. Hij bedreigde me dan. Een keer wilde ik echt thuisblijven. Hij pakte toen m’n haar van mijn hoofd vast en duwde me op de trap en zei dat ik moest.
Ik bleef omdat ik alleen in Nederland was. Ik kende niemand. Het was echt moeilijk. Ik wist de weg niet. Het voelde alsof ik geen andere keuze had. Ik stond er alleen voor.
Nadat ik geen geld meer bracht hadden we geen goede relatie meer. Toen kwam hij met een ander meisje, [slachtoffer 2] (het hof begrijpt hier en verder: [slachtoffer 2] ). Toen kwam ik [slachtoffer 2] tegen en heb ik met haar gevochten achter het raam. Ze waren vanaf toen 2,5 jaar samen.
[verdachte] had geen werk. Hij loopt alleen maar op straat. Hij verkocht nepdope, nepdrugs. Een enkele keer had hij een paar honderd euro opbrengst, maar verder nooit een groot bedrag. En hij heeft daklozenuitkering.
4. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 8 december 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 5 december 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik heb [verdachte] als klant leren kennen. Toen sprak ik niet zo goed Engels. Ik sprak het heel gebrekkig, gewoon de basis. Als ik hem zag gaf hij me aandacht. Anders dan gewone klanten. Hij vond mij leuk. Kwam speciaal voor mij, als persoon.
Ik kwam in mei 2009 in Nederland met [betrokkene 3] . Er was een meisje waar ik op moest passen van [betrokkene 3] . Ze was weggelopen en ik zat in de problemen. Toen heb ik [verdachte] gebeld en gezegd dat het meisje weg was en ik nu in de problemen zat, dat ik erg bang was. Hij kwam naar me toe. Ik zei tegen hem dat hij een huis moest zoeken omdat ik weg zou gaan. Hij wilde helpen. Ik gaf hem geld mee en hij ging weg om een huis te zoeken.
[verdachte] had een huis gevonden bij [a-straat] . [verdachte] was van het begin tot het eind in die woning met mij. Ik voelde mij veilig bij [verdachte] , ik vertrouwde niemand anders. Ik had alleen hem. Ik ging niet naar buiten de straat op. Maar toen was het geld op. We moesten uit de woning en gingen in een hotel wonen. We hadden allebei niks meer. Ik ging toen terug en kreeg een kamer ongeveer tegenover de [c-straat] . Ik ben meer gaan werken toen we een huis moesten vinden en betalen. [verdachte] droeg financieel niks bij toen we in het hotel woonden. Na het hotel heeft hij een appartement gevonden in [wijk] in [plaats] . Daarna in [wijk] , weer bij de [d-straat] .
We hadden geen ruzies in het begin. Daarna vroeg hij of hij 20 of 50 euro kon lenen. Nu in deze tijd hadden we wel problemen over geld. Hij bewaarde ons geld en als ik dan vroeg waar mijn geld was, dan had hij het niet meer. Dan zei hij dat hij het was kwijtgeraakt in het casino of dat hij iets moest betalen. Ik kreeg het nooit terug. Ik kon dan vaak niet de huur betalen, dus dan moest ik heel hard werken die dag om de huur te betalen. Naast het casino ging hij naar de coffeeshop.
We hadden officieel een relatie vanaf 9 februari 2010. We waren ook samen naar Hongarije geweest, ik was ontzettend verliefd. De eerste keer dat ik het gevoel had dat hij misbruik maakte kreeg ik rond de 5 of 6 maanden daarna. Ik wachtte op het moment dat hij zou zeggen dat ik met het werk moest stoppen. Maar hij deed niks voor mij. Ik zei vanaf het begin al dat ik niet meer wilde werken. Ik sprak de taal niet, ik kende het land niet, ik wist niet wat ik moest doen. Dat heb ik hem ook gezegd. Hij zei vanaf het moment dat we officieel een relatie hadden dat ik eerst moest werken en we moesten sparen, en ik daarna kon stoppen. Ik moest ook altijd werken, ik had geen vrije dag. Dat was geen keuze, het moest. Het geld dat ik gister had gemaakt was de volgende dag alweer op en dus moest ik opnieuw werken. Het maakte niet uit hoeveel geld ik had gemaakt, het was de volgende dag weer op. Ik kreeg 20,- euro op de tafel. De rest nam hij mee. Dus de rest wat ik had verdiend had hij mee. We hebben ook ruzie gehad omdat hij het geld uit mijn tas haalde. Wanneer ik het niet aan hem gaf pakte hij het zelf.
Na een paar maanden was ik niet meer gelukkig. Hij deed niks, gaf geen geld. Ik gaf hem elke dag geld, voor jointjes, voor de coffeeshop, voor autoverhuur, voor de benzine, voor eten, voor boetes die hij van de politie of het parkeren had gekregen, daar werd ik moe van. Er was niks gespaard. Ik vroeg het wel steeds, waar is het geld. Maar hij had altijd een reden. Of hij was het verloren in het casino of hij had het voor zichzelf gespaard.
In de periode oktober/november 2010 draaide ik dubbele diensten bij [betrokkene 4] (het hof begrijpt: aan […] in de prostitutie).
5. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 8 december 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 december 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :
De woningen regelde [verdachte] . Ik of wij hebben naast de woning bij [a-straat] , [wijk] en [d-straat] nog in meerdere woningen gezeten. Ik betaalde de huur cash. We hebben vaak de situatie gehad dat ik wilde weggaan en hij me niet liet gaat. Dat hij zei, ga niet weg, je mag stoppen met werken. En dan twee weken later hadden we geen geld meer en moest ik weer beginnen met werken. Hij bracht me soms naar werk. In de avond komt hij me ophalen. Ik had goed contact met zijn familie. In 2013 woonden we daar ook.
Kijk, wat ik maakte ging altijd naar hem toe. Hij kan zijn dat hij niks heeft bijgedragen. Hij had al mijn geld waarbij ik niet wist hoeveel hij van me had.
Het is meerdere keren gebeurd dat hij me sloeg, net als het haren trekken.
In 2012 had ik een klant waarmee ik wilde weggegaan. Op een dag ging [verdachte] naar België voor zaken. En ja, toen ging ik weg. Ik ging met die klant naar het hotel. Hij was half Egyptisch/ half Canadees (het hof begrijpt: de [getuige 1] ). We hadden plannen om weg te gaan. Hij woonde in [plaats] . De volgende dag zouden we naar [station ] gaan.
Toen we naar [station ] liepen kwam [verdachte] ons net tegemoet met de auto. Hij stopte midden op de weg, pakte mijn koffer en vocht met die Canadees. Hij zei dat hij me terug wilde, dat hij niet wilde dat ik ging, hij begon zelfs te huilen. En toen ben ik toch terug naar hem gegaan.
Twee of drie weken heb ik niet gewerkt. Hoefde ik niet te werken. Dat was de afspraak, dat ik terug zou komen, maar alleen als ik niet meer hoefde te werken. Ik zou niet meer gaan werken. Oud en nieuw, van 2012 op 2013, toen moest ik toch weer werken. Omdat dat de periode is om goed geld te verdienen en we hadden wéér geen geld.
[verdachte] wist hoe ik was gekomen, dat ik met [betrokkene 3] was gekomen, dat ik werk in de prostitutie, dat ik geen contact had met mijn ouders, dat ik met niemand contact mocht hebben, dat ik hier geen familie heb dus dat ik hier alleen was.
6. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 19 januari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 22 december 2017 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik heb [getuige 2] (het hof begrijpt: [getuige 2] ) ontmoet. Daar begon het dat ik gemotiveerd werd om te stoppen met dit werk. Om te proberen eruit te stappen. Uiteindelijk heb ik haar wel alles verteld. Ze heeft toen een baan voor me geregeld in een hotel. Overdag werkte ik toen in het hotel en in de avond werkte ik in het red light. Het was in het hotel [A] . Ik heb er denk ik drie maanden gewerkt. Het was echt zwaar voor mij. Ik werkte van 08.00, 08.30 uur tot half 4/5 uur in het hotel, en daarna van 18.00/18.30-02.00 in de nacht. [verdachte] wilde niet dat ik met het werk zou stoppen. Toen ik zei dat ik dit niet vol kon houden, twee baantjes naast elkaar, zei hij dat ik moest stoppen met het werk in het hotel. En dat ik dus in het red light moest blijven werken.
[getuige 3] (het hof begrijpt: [getuige 3] ) wist van mijn situatie. Ik ging vaak naar haar toe voor sigaretten, en om daar te eten, omdat ik geen geld had.
[verdachte] had bijvoorbeeld 100/150 euro per dag nodig voor eten, drinken, tanken, coffeeshop, dat soort dingen. Dat was het minimum wat hij per dag nodig had. Dat deed hij van mijn geld. Want van [gemeentelijke organisatie] kreeg hij maar 50,- euro per week. En al die boetes kwamen nog, van niet betalen voor parkeren enzo. Altijd als hij werd gecontroleerd door de politie moest hij boetes betalen. Altijd. Ik betaalde het dan altijd. Hij belde dan op en zei dat hij iemand zou sturen om het geld op te halen.
Ik kwam erachter dat [verdachte] een Marokkaans meisje had. Toen we niet meer bij zijn ouders konden wonen heb ik een kamer voor mezelf gevonden bij een klant, [getuige 4] (het hof begrijpt: [getuige 4] ). [verdachte] kwam elke dag bij mij voor de deur. [getuige 4] liet hem niet binnen. Ik kreeg nog escort klanten en ik werkte nog in het hotel, al mijn geld ging nog steeds naar [verdachte] . Als ik het niet gaf dan... hij maakt me gewoon bang. Hij staat de hele dag voor de deur. Ik moest door het raam naar hem gooien. Ik moest het wel geven.
Onze relatie was beëindigd omdat ik erachter kwam dat [verdachte] een relatie had met [slachtoffer 2] . Een Bulgaars meisje, ook prostituee. Ik heb niet zo lang geleden een gesprek gehad met [slachtoffer 2] . Ze heeft me toen alles verteld. Ze zei dat ze drie of vier jaar een relatie met hem heeft gehad. Dat hij haar vaak heeft mishandeld. Zelfs zo dat ze eens naar het ziekenhuis moest. [verdachte] had toen met een telefoon naar haar hoofd gegooid waardoor haar hoofd openlag. Ze heeft veel dingen voor [verdachte] gehaald, of hem geld gegeven.
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 3 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant (of één van hen):
Op 26 december 2013 kwam een vrouw aan de balie van het politiebureau die opgaf te zijn [slachtoffer 1] . Zij verklaarde dat zij een aantal jaren heeft gewerkt als prostituee en dat zij heeft gewerkt voor een pooier. Ik sprak met haar af op 27 december 2013. Op die dag verklaarde zij het volgende: "Ik ben gebruikt door [verdachte] . Ik werkte voor [verdachte] . Ik werkte dag en nacht. Ik zei tegen [verdachte] dat ik ander werk wilde doen. Alleen [verdachte] vroeg of ik één jaar hard wilde werken zodat we daarna konden genieten. Na dat jaar moest ik nog steeds blijven werken voor hem. Soms wilde ik niet werken en dan werd het wel een vechtpartij, soms met geweld tegen mij. Hij paaide mij om maar één jaar te werken en dan kon ik stoppen. Maar na dat jaar moest ik nog steeds blijven werken van hem. Hij bewaarde alleen geld om een auto te kopen of als wij op vakantie gingen.”
8. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 15 april 2019, opgemaakt door mr. [verbalisant 1] belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank [plaats]
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 15 april 2019 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik werd op mijn gezicht of lichaam geslagen of geschopt. Hij gooide ook wel eens met dingen. Het is wel eens gebeurd dat ik niet wilde werken en toen heeft hij mij bij mijn haren gepakt en naar beneden gesleurd.
9. Een proces-verbaal informatief gesprek mensenhandel van 31 januari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk, weergegeven, als de op 31 januari 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik werk als prostituee achter de ramen op […] in [plaats] . Naast mij stond een vrouw te werken die een vriend had. Deze jongen, een Marokkaan met de naam [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte), kwam in oktober 2013 bij mijn raam. [verdachte] had gebroken met zijn vriendin en wilde een relatie met mij. Ik was in de loop der tijd verliefd op hem geworden. Achteraf gezien zeg ik dat de liefde mij blind heeft gemaakt. Ik ben met [verdachte] een relatie aangegaan en wij hebben op diverse locaties in [plaats] gewoond. Tijdens deze relatie heb ik veel klappen moeten incasseren en ben ik al mijn geld "kwijtgeraakt". [verdachte] had geen werk en ook geen geld maar leefde wel vorstelijk. Vorstelijk doordat hij elke keer mijn geld afpakte. Ik heb tijdens onze relatie alles maar dan ook alles betaald. Ik heb voor de huizen borg, huur, vaste lasten et cetera betaald. Als ik geen geld aan [verdachte] afgaf dan werd ik in elkaar geslagen. Dit heeft meerdere keren ertoe geleid dat ik naar het ziekenhuis moest.
Ik was zwanger geworden van hem. Echter door de abortus kon en mocht ik niet werken. Dit maakte dat ik ook de huur van 1.000,- euro niet kon betalen. [verdachte] heeft toen eenmalig de huur betaald. Nadat ik hersteld was van de abortus moest ik weer werken. Direct op de eerste dag kwam [verdachte] langs en moest ik de 1000, - euro die hij als huur had betaald van ons huis weer terugbetalen.
10. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 9 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 februari 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik wil aangifte doen tegen [verdachte] , Het gaat om de periode oktober 2013 tot 6 december 2016. Ik heb hem in de straat leren kennen. Hij had een Hongaarse vriendin, die ook achter het raam werkte: [slachtoffer 1] . In 2013 is zijn vriendin gestopt met werken. [slachtoffer 1] is vorig jaar december langsgekomen om te vragen of ik aangifte wilde doen. Ze zei dat ze aangifte had gedaan. Het was een erg problematische relatie. Ze hadden voortdurend ruzie. Ze huilde heel vaak, dat was wat ik op haar werkplek zag. Ze werkte naast mij. Ik hoorde alles. Ze maakten ruzie over dat hij een ander zou hebben. Maar toen hij een relatie met mij had, had hij ook een ander. Daar is hij nu mee getrouwd.
Hij werkte in de straat. Hij verkocht, hij verkoopt drugs. Ik kwam erachter dat hij een relatie met een Marokkaanse vrouw had en dat hij verloofd was. Het ging hem kennelijk niet om de liefde, maar om het geld dat ik verdiende. Elke keer dat we uitgingen moest ik betalen. Hij belde een keer dat hij bij de politie was en dat hij 300 euro moest betalen, anders moest hij blijven. Zijn broer kwam toen langs bij mij om geld te halen. Ik woonde toen bij […] in de buurt. [b-straat 1] .
Ik was smoorverliefd op hem. Hij zei dat hij van mij hield, zei lieve dingen tegen me. De plannen die we hadden waren dat we samen verder zouden gaan. Dat ik zou stoppen met dit werk. We zouden samen gaan wonen. Ik zou stoppen met werken. Hij zou een woning krijgen, een sociale woning met een lagere huur. Dan zou ik normaal werk gaan doen. Ik kon niet stoppen, omdat ik geen geld had. Hij kreeg geld van mij. Ja, ik wilde stoppen. Ik heb hem drie jaar lang al mijn geld gegeven, dat is zoveel geld. Ik had geen geld, omdat hij al mijn geld pakte.
[verdachte] heeft waarschijnlijk 5 keer mijn telefoon kapot gemaakt. Hij werd boos, toen pakte hij mijn telefoon en gooide hem tegen de muur. Hij was boos, gaf me een klap. Dat was de eerste keer dat hij me een klap gaf. Mijn oorbel viel eraf en mijn telefoon lag op tafel en die gooide hij tegen de muur. Hij gaf me een klap met de vlakke hand.
We hadden vanaf de tweede maand van onze relatie altijd ruzie om geld. Hij vroeg steeds om geld. Als ik het niet gaf, kregen we ruzie. Als ik zei dat ik niks kon geven, vanwege betalen van belasting, verzekering ofzo, dan kregen we ruzie. Hij zou altijd mijn geld teruggeven, maar dat deed hij nooit. Een keer heeft hij me met de telefoon op mijn hoofd geslagen en verwond. En toen is hij met mij naar [ziekenhuis 1] gegaan. Hij heeft toen 500 euro en wat pounds van mij afgepakt en niet teruggegeven. Hij heeft mij twee keer aan mijn hoofd verwond.
[verdachte] vroeg in het begin om kleine bedragen, 20 euro, 50 euro, beltegoed. Hij begon om grotere bedragen te vragen en elke keer als ik terugkwam van het werk vroeg hij hoe het was en wat ik had verdiend. Hij zei dat hij "hiervoor' of "daarvoor" geld nodig had. Hij vroeg nooit of ik geld nodig had. In het begin gaf ik hem het geld. Later begon ik me te verzetten. Maar als ik hem geen geld gaf, sloeg hij me. Om dat te voorkomen gaf ik hem geld. Ik gaf hem wat ik had verdiend. 300, 500, 1000 of 1500. Soms 10.000 in een week. Hij bewaarde het bij zijn moeder. Hij heeft ook kleren gekocht: Burberry, Philip Plein, Woolrich, North Face, dure kleding dus. Hij gokte ook in het Holland Casino en Play On. Hij moest allerlei boetes betalen. Hij rookte, hij zat de hele dag in de Coffeeshop. Dat kost geld. Ik kon niet eens geld naar mijn moeder sturen, hij leefde van mijn geld. Ik heb bijna niks aan haar gestuurd.
Het was niet mogelijk om de relatie te verbreken. Ik heb het heel vaak geprobeerd en ik kreeg klappen. Het ging gewoon niet. Op het laatst heb ik aangifte gedaan en door tussenkomst van de politie is de relatie uitgegaan. Hij bedreigde me, zei dat hij me zou slachten neer- of in brand zou steken als ik weg zou gaan. Ik heb wel eens mijn hondje en mijn spullen gepakt, en op de tram gestapt. Hij volgde me dan op de motor en stond op elke tramhalte.
We waren 's ochtends samen en 's avonds als hij me op kwam halen van werk. Soms bracht hij me ook.
We zijn in 2015 op vakantie naar Spanje geweest. Ik zat op mijn telefoon en toen hij vroeg was ik deed, zei ik "niks". Toen pakte hij de telefoon en brak hem zo doormidden. Toen gingen we naar het hotel en heeft hij me geslagen.
11. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 13 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 februari 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
In 2015 had ik met de politie gesproken. Ik had toen een relatie met [verdachte] . Ik had een blauw oog en daarom is de politie bij me komen praten. [verdachte] had me geslagen, maar ik was verliefd op hem en ik wilde hem niet in de problemen brengen. Ik heb daarom toen gezegd dat [naam] mij had geslagen, maar dat was niet waar. [verdachte] had me geslagen. Ik gaf mijn geld aan hem en hij zou sparen. Dat is niet gebeurd.
Van [verdachte] mocht ik heel veel niet. Ik mocht met niemand contact hebben, niemand bellen.
Ik ben twee keer naar het ziekenhuis geweest. De tweede keer heb ik pillen geslikt. De eerste keer ging hij mee naar het ziekenhuis. Ik vertelde dat ik een vaas op mijn hoofd heb gekregen, ik heb niet gezegd dat het door hem was. Ik ben nog een keer geweest voor een scan van mijn hoofd. Ik hoorde geluiden, nadat hij me had geslagen. Ik was een soort pinautomaat voor hem, om een lekker leventje te leiden.
Ik ben in de woning in [b-straat ] behoorlijk zwaar mishandeld door [verdachte] , omdat ik de relatie wilde beëindigen. Hij pakte me bij mijn haar, sleepte me over de vloer. Schopte me in mijn buik. Hij riep steeds: ik krijg je het ziekenhuis in.
12. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 20 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 20 februari 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik heb heel vaak geprobeerd de relatie te beëindigen. Maar telkens als ik dat zei kreeg ik klappen van hem en zei hij dat dat niet gaat, dat dat niet kan. Hij zei: "ik vermoord je, je redt het hier niet, je kan niet in de straat werken, ik maak je papieren stuk". Hij sloeg me bont en blauw. Hij sloeg me iedere dag. Ik kreeg klappen op mijn hoofd, op mijn lichaam. Hij sleurde me over de vloer. Als ik hem geen geld gaf was het oorlog. Natuurlijk geloofde ik hem.
13. Een proces-verbaal van verhoor aangever van 11 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 11 mei 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
Ik heb geld gestuurd naar mijn nichtje en broers, via Moneygram of Western Union. Ik heb bij elkaar misschien zo’n 1.000 euro of 2.000 euro gestuurd. En dat is in verhouding met wat ik heb verdiend helemaal niks. [verdachte] heeft geld naar mijn familie gestuurd, omdat ik aan mijn limiet zat bij Western Union.
14. Een proces-verbaal van bevindingen van 4 december 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Er is onderzoek gedaan naar de politieregistraties van [verdachte] .
2012
2012002922 [plaats]
4 januari 2012. […] . Voertuigcontrole. Bestuurder was [verdachte] stond gesignaleerd voor 318.- euro [verdachte] gaf aan dat hij schulden had en de hulpverlening de boetes zou betalen. Heeft contant betaald.
2013259375 [plaats]
Voertuigcontrole merk Mercedes-Benz CLK 270 Cdi, kleur zwart met het [kenteken 1] . Bestuurder [verdachte] . [verdachte] had nog een openstaande boete openstaan van 261 euro. Betaalde contant.
2012045194 [plaats]
18 februari 2012 omstreeks 18:45 uur. Controle voertuigen wallengebied. Controle grijze Renault met [kenteken 2] . Bestuurder [verdachte] . Hij verklaarde ongeveer 6 maanden in de schuldsanering te zitten en 100 euro per week te krijgen als ‘leefgeld’.
15. Een proces-verbaal van bevindingen van 14 december 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
In het onderzoek is onderzoek gedaan naar de politieregistraties van [verdachte] .
2014
2014033630 [plaats]
7 februari 2014. Voertuigcontrole merk Volkswagen met het [kenteken 3] . [verdachte] als bestuurder. Gezien werd dat hij dure kleding aan had en een soort van Breitling horloge droeg. Grijze Carhartt muts, zwarte Gucci schoenen en Redskinsjas met capuchon.
2014164440 [plaats]
3 juli 2014. Voertuigcontrole merk Mercedes-Benz [kenteken 1] . Bestuurder was [verdachte] . Stond gesignaleerd voor 385 euro en heeft contant betaald.
2014272985 [plaats]
Voertuigcontrole. Bestuurder was [verdachte] . Stond gesignaleerd voor twee geldboetes van 120 euro en 930 euro en heeft contant betaald.
2014306328 [plaats]
Aanhouding [verdachte] verdenking handelen in verdovende middelen. Volgens een mutatie had [verdachte] bonnetjes bij zich afkomstig van casino’s. Het zou gaan om gokbewijzen met bedragen van 1500 en 2000 euro.
2015
2014306328 [plaats]
Aanhouding [verdachte] verdenking handelen in verdovende middelen. Volgens een mutatie had [verdachte] bonnetjes bij zich afkomstig van casino’s. Het zou gaan om gokbewijzen met bedragen van 1500 en 2000 euro.
2016
2016042584 [plaats]
24 februari 2016. [e-straat 1] . Melding overlast door ex. Melding is gedaan door [slachtoffer 2] (28-09-1988). Zij verklaarde dat het ging om haar ex-vriend [verdachte] . [verdachte] had de sleutel nog van de woning op het [e-straat] en hij probeerde steeds binnen te komen waarop zij de sleutel aan de binnenkant van de deur houdt zodat hij niet naar binnen kan. Ook is ze bang dat hij gewoon naar binnen komt als ze niet thuis is, is ze bang dat [verdachte] haar vermoord, krijgt ze nog steeds berichtjes van hem en wordt zij constant door hem gebeld.
16. Een proces-verbaal van bevindingen van 26 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
In het onderzoek is naar voren gekomen dat [verdachte] gebruikmaakte van huurauto's.
(…)
17. Een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens van 22 maart 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
De officier van justitie heeft van HOLLAND CASINO [plaats] gegevens gevorderd. Door de bovengenoemde derde zijn de volgende gegevens verstrekt:
Registratie gegevens van [verdachte] [geboortedatum] -1988 bij Holland Casino.
Geregistreerde bezoekersregistraties vanaf 2013 t/m 2017
AankomstdatumVestiging
11-05-2017 [plaats]
10-05-2017 [plaats]
11-04-2017 [plaats]
08-04-2017 [plaats]
05-02-2017 [plaats]
22-11-2016 [plaats]
12-11-2016 [plaats]
28-09-2016 [plaats]
22-09-2016 [plaats]
13-09-2016 [plaats]
11-06-2016 [plaats]
04-05-2016 [plaats]
25-01-2016 [plaats]
18-12-2015 [plaats]
23-01-2015 [plaats]
20-12-2014 [plaats]
01-12-2014 [plaats]
30-11-2014 [plaats]
22-11-2014 [plaats]
07-11-2014 [plaats]
02-11-2014 [plaats]
26-10-2014 [plaats]
21-06-2014 [plaats]
08-02-2014 [plaats]
07-02-2014 [plaats]
27-10-2013 [plaats]
08-08-2013 [plaats]
18. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 januari 2018 inclusief bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
De officier van justitie heeft van de Belastingdienst FIOD Informatiedesk gegevens gevorderd. In de verstrekte gegevens las ik onder andere dat [verdachte] sinds 2011 een uitkering ontvangt van de gemeente [plaats] in het kader van de Participatiewet. In 2010 had [verdachte] geen inkomstenverhouding.
19. Een proces-verbaal van bevindingen van 20 juli 2018 inclusief bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
[verdachte] heeft in de periode 2 december 2011 tot en met 24 november 2016 leefgeld ontvangen op een prepaid kaart. Deze periode behelst 259 weken. [verdachte] had gemiddeld € 70,59 per week te besteden aan leefgeld.
20. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 9 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 9 mei 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring [betrokkene 4] :
[slachtoffer 1] kwam bij mij werken en toen had ze een vriendje. Later kwam ik erachter dat het een Marokkaanse jongen is. [naam] of [naam] ofzo. De eerste kennismaking was toen ze een probleem had met een klant. De probleembel ging, toen ik er was stond haar vriend al in de kamer. In de loop van de tijd, als ze binnenkwam, hoorde ik dat er ruzie was door de telefoon. Die ruzie over de telefoon was er vaak, herhaaldelijk. Een keer werd ik gebeld door een inspecteur van de spoorwegpolitie. Hij vroeg of ik [slachtoffer 1] kende. Ze zaten toen vast bij de spoorwegpolitie. Ze zat daar met een jongen en haar vriend. Ze wilde vluchten met die jongen. Op het stationsplein kwam die vriend van haar, die Marokkaan, tevoorschijn en die heeft hun tweeën aangevallen. Daarna is ze naar die Marokkaan gegaan.
Nu kwam die [slachtoffer 1] laatst aan [slachtoffer 2] , vragen of [slachtoffer 2] ook een aanklacht wilde indienen tegen die Marokkaan. Dat die Marokkaan hun geld had afgenomen. Ik ken [slachtoffer 2] als [slachtoffer 2] . Vlak nadat [slachtoffer 1] niet meer met hem was zag ik die Marokkaan, diezelfde van [slachtoffer 1] , uit de peeskamer van [slachtoffer 2] komen. Ze vertelde ‘die komt als klant bij mij’. Een jaar of wat later hoorde ik weer ruzies tussen [slachtoffer 2] en iemand aan de telefoon. Dezelfde soort ruzies als die [slachtoffer 1] had. Schreeuwen door die telefoon naar elkaar! Weer ruzie met het vriendje kreeg ik te horen. Ik zag dat [slachtoffer 2] van de motor afstapte. Ze deed haar helm onder haar arm en liep naar haar kamer toe. Toen zag ik dat de bestuurder van die motor die Marokkaan was, die gewezen ex van [slachtoffer 1] . De laatste periode dat ik met [slachtoffer 2] heb gesproken, vertelde ze dat ze bij de politie een verklaring had afgelegd. Ik zei dat ze het nu best aan me kon toegeven dat ze een relatie hadden gehad. Ja, dat klopt zei ze. Nam hij je geld af vroeg ik? Ja, klopt ook zei ze. Wie had die motor dan betaald waarop hij toen kwam aanrijden? Ja ik, zei ze. Maar hoeveel geld nam hij dan van je af? Soms wel 5.000 euro per week, vertelde ze. Dat had ik dan gespaard en dat wilde hij hebben. Hij ging er dan mee gokken. Waarover had je dan altijd ruzie? Ja. over geld zei ze. [slachtoffer 2] heeft altijd een huurachterstand.
21. Een proces-verbaal van bevindingen ‘onderzoek uitlezing IPhone 5s [verdachte] ’ van 3 februari 2020, (…), in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
In verband met een mogelijk vervolgonderzoek naar mensenhandel zijn hierop twee telefoons van [verdachte] in beslaggenomen waaronder 5301291 (Iphone 5). Van de inhoud van de telefoon is een digitale uitlezing gemaakt en naar deze uitlezing is onderzoek gedaan.
In de telefoon werden meerdere WhatsApp berichten aangetroffen waaronder een aantal relevante voor het onderzoek.
- WhatsApp contact met [betrokkene 5] op 6 december 2016. In een aantal WhatsApp berichten met [betrokkene 5] komt het volgende naar voren. [betrokkene 5] , vermoedelijk zijn zusje, zegt tegen [verdachte] dat er weer parkeerboetes zijn binnengekomen waarop [verdachte] zegt dat hij schoenen en een pak aan het kopen was. Hierop zegt [betrokkene 5] dat hij wel een vrouw lijkt omdat hij elke dag schoenen en een pak koopt. [betrokkene 5] vraagt aan [verdachte] of hij nu 30 a 40 schoenen heeft waarop [verdachte] antwoord met hahaja". Later in het chatcontact zegt [betrokkene 5] dat vader (vader van [betrokkene 5] en [verdachte] ) wil dat [verdachte] de auto van zijn naam (vader) afhaalt i.v.m. de boetes.
22. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 3 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 3 juli 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring [betrokkene 1] :
Ik heb sinds mei 2010 een liefdesrelatie met [verdachte] .
23. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 8 januari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 8 januari 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring [betrokkene 2] :
Ik heb [verdachte] begin 2012 leren kennen. Ik ging ongeveer een jaartje met hem. Ik ben een keer zwanger geraakt van hem. Ik heb het hem eerlijk verteld. Ik zag aan zijn reactie dat hij het wel wou. Hij wou het wel, hij schrok wel maar hij dacht echt zo ok als het gebeurt, dan gebeurt het weet je ik ga met jou verder klaar.
Feit 1.
24. Een proces-verbaal van bevindingen van 27 oktober 2017 inclusief bijlagen, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
2010037366 [plaats]
10 februari 2010: zedencontrole bordeel [f-straat 1] te [plaats] . In het bordeel werd onder andere de prostituee [slachtoffer 1] . werknaam [slachtoffer 1] , aangetroffen. Tijdens het gesprek kregen de verbalisanten de indruk dat [slachtoffer 1] zich heel erg druk maakte. Ze werd steeds meer gesloten. Volgens de verbalisanten kon er in het begin nog een lachje van af, maar aan het eind had ze bijna de tranen in haar ogen staan. Ze werd steeds onrustiger en gestrest en het viel op dat ze steeds langs de collega’s heen naar buiten keek.
2010265110 [plaats]
27 oktober 2010: controle [c-straat 1] . In het bordeel was aanwezig [slachtoffer 1] . De verbalisanten hadden de indruk dat ze erg verdrietig was. Er werd gezien dat ze tranen in haar ogen had. Ze was niet erg open tijdens de controle in de richting van verbalisanten. Tijdens de controle ging meerdere malen haar gsm af.
2010265110 [plaats]
27 oktober 2010. Politie liep door de [c-straat] en zag in bordeel [c-straat 1] vier prostituees. Van een van de prostituees werd gezien dat ze verdrietig was en huilde. Tevens werd gezien dat de vrouw met haar gezicht naar de muur zat en telkens wegkeek van het raam naar de muur. Dit is anders dan gebruikelijk hij prostituees die aan het werk zijn achter het raam. Hierdoor kwam het bij verbalisanten over als gedrag van iemand die kennelijk niet blij was het werk te doen en eigenlijk niet gezien wilde worden. Na controle bleek het te gaan om [slachtoffer 1] 12/10/1990. [slachtoffer 1] maakte op de verbalisanten een zeer gespannen, terneergeslagen indruk. Nadat de verbalisanten samen met [slachtoffer 1] vanuit de gemeenschappelijke ruimte naar haar werkkamer gingen en haar vroegen waarom ze onder meer huilde, zei ze dat ze daar nu niet over wilde praten. Tijdens het gesprek met haar ging de telefoon van [slachtoffer 1] regelmatig en keek ze wel naar het beeldscherm, maar nam niet op. Nadat de telefoon meer dan drie keer was afgegaan nam ze haar telefoon wel op en zei in de Engelse taal dat ze met tien minuten zo terugbellen omdat ze even bezig was. De verbalisanten hoorden vervolgens dat de beller, met een mannenstem, kennelijk daar geen genoegen mee nam en tegen haar bleef praten en daarna tegen haar schreeuwde. Gezien werd dat [slachtoffer 1] zich daardoor nog ongemakkelijker voelde en haar hand op haar voorhoofd legde en even niets meer zei en zich meerdere malen wegdraaide met haar rug in de richting van verbalisanten. Gezien werd dat [slachtoffer 1] nog steeds erg emotioneel was. Nadat aan haar werd gevraagd wie de beller was, zei ze tegen verbalisanten dat het niemand was.
2010266298 [plaats]
29 oktober 2010. [c-straat] — Dam [plaats] . Door de politie werd gezien dat een nepdrugverkoper [verdachte] een prostituee ophaalde.in de [c-straat] . Stapten beiden in een personenauto Seat Cordoba met [kenteken 4] . De prostituee bleek te zijn [slachtoffer 1] [geboortedatum] -1990. Ze vertelde dat [verdachte] haar vriend was. [slachtoffer 1] is samen met de personenauto naar het politiebureau gebracht. Aan de politie vertelde [verdachte] dat [slachtoffer 1] maar in de auto moest slapen totdat hij weer vrijkwam.
20102732242 [plaats]
5 november 2010. Controle bordeel [c-straat 1] . Onder andere [slachtoffer 1] werd aangetroffen. Zij verklaarde in een gesprek dat ze meestal wordt opgehaald door haar huidige vriend of een taxi, dat ze een vriendje heeft dat ze moet onderhouden, dat zij hem elke dag 150 euro geeft, dat haar vriend niet wil dat ze stopt met werken en dat ze afhankelijk is van haar vriend. Volgens de mutatie zagen de verbalisanten dat [slachtoffer 1] emotioneel werd, tranen in haar ogen kreeg en tegen de verbalisanten zei dat ze eigenlijk heel graag wilde stoppen maar dat ze dat heel erg moeilijk vond.
2010277481 [plaats]
10 november 2010. Controle bordeel [c-straat 1] . Aangetroffen [slachtoffer 1] . Zij verklaarde dat ze nu een Marokkaanse vriend heeft die [verdachte] heet, dat [verdachte] haar brengt naar de [c-straat] en haar weer ophaalt, dat ze wil stoppen met het werk maar dat dat van [verdachte] niet mag en dat het soms voelt alsof [verdachte] haar dwingt om te werken. In de mutatie staat dat [slachtoffer 1] heel erg verdrietig was en erg begon te huilen tijdens het gesprek.
2012269205 [plaats]
18 oktober 2012. [c-straat 1] . Gezien dat [slachtoffer 1] haar werkkamer verliet en naar een Mercedes met Belgisch kenteken liep. Deze reed hard weg toen de politie zichtbaar werd voor de bestuurder. [slachtoffer 1] werd staande gehouden en verklaarde dat haar vriend in de auto zat.
25. Een proces-verbaal van bevindingen van 12 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in. voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Bij zijn aanhouding op 28 november 2010 werd bij [verdachte] een gsm merk Blackberry Curve inbeslaggenomen. Bij [slachtoffer 1] werd een Nokia 1 208 inbeslaggenomen. Bij de uitlezing werden de eigen nummers vastgesteld:
Blackberry Curve: + [telefoonnummer 1]
Nokia: + [telefoonnummer 2]
In het onderzoek is het onderlinge berichtenverkeer tussen beide nummers onderzocht.
8-11-2010 Ontvangen van + [telefoonnummer 1]
VM SMS
17:08:07 I kill vou i dont have cridit
17:08:58 I gif you 5 min to call my im gane breke you tanden
17:09:59 WULLAHIM GANE BREAK YOU
26. Een proces-verbaal van relaas van 3 juli 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Er is een totaalbeeld gemaakt van de kamerhuur bij de diverse kamerverhuurders. Op grond van het totaalbeeld kan geconcludeerd worden dat over de periode gelegen tussen februari 2010 tot en met april 2013 door [slachtoffer 1] een totaalbedrag van minimaal (niet alle gegevens zijn bekend) € 125.170 aan kamerhuur is betaald en dat over de periode gelegen tussen februari 2010 tot en met april 2013 [slachtoffer 1] minimaal 893 dagdelen heeft gewerkt (meegerekend de dubbele shifts).
27. Een proces-verbaal van bevindingen van 30 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
In het onderzoek zijn de historische gegevens opgevraagd en ontvangen van [B] waar [slachtoffer 1] als schoonmaakster voor werkte in het hotel en gegevens opgevraagd en ontvangen van kamerverhuurder [C] .
Uit de gegevens van [B] kwam naar voren dat zij had gewerkt vanaf 18 maart 2013 tot en met 10 juli 2013. Uit de gegevens van kamerverhuurder [C] kwam naar voren dat zij in diezelfde periode had gewerkt in de periode gelegen tussen 18 maart en 30 april 2013. De eerste datum waarbij [slachtoffer 1] overdag werkte in het hotel en ‘s avonds bij kamerverhuur [C] was 18 maart 2013. Het overdag werken en ‘s avonds in het raam deed zij in totaal in de periode 18 maart tot 1 mei 2013 achttien keer. In de periode 18 maart tot en met 30 april 2013 werkte ze 43 van de 44 dagen.
28. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 6 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 april 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring [getuige 1] :
Ik heb [slachtoffer 1] in het raam ontmoet, ze was aan het werk als prostituee. Ze vertelde me dat [verdachte] haar vriend was. Ik kreeg het idee dat ze het geld niet zelf hield. Ze had een aanslag van de Belastingdienst. Het was geen enorm bedrag, ik kan het bedrag me niet herinneren, maar ze zei dat ze geen geld had om de belasting te betalen. Ik zei, hoe is het mogelijk want je verdient genoeg om dit te kunnen betalen. Toen zei ze dat ze al haar geld aan die persoon [verdachte] gaf, dat al het geld naar hem ging.
In die tijd studeerde ik in [plaats] , ik kwam af en toe naar [plaats] . Toen besloot ze terug te gaan naar haar ouders in Hongarije. Ik kwam naar [plaats] . We zagen elkaar. We gingen naar een hotel hier in de straat, […] . We brachten de nacht samen door. De volgende dag zouden we tickets kopen zodat ze terug kon naar haar ouders. Ze had praktisch geen geld bij zich, ik denk 50,- euro ofzo. Dus ik heb een ticket voor haar gekocht. Dus we liepen het hotel uit, en zo'n 50 a 60 meter verderop waar een paar straten bij elkaar komen springt [verdachte] uit een zwarte Mercedes.
Ik zag hem niet. Zij zag hem wel en ze raakte in paniek. Ze zette het op een lopen, of eigenlijk begon ze sneller te lopen. Hij liep achter haar aan en pakte haar bij de arm. Hij zei "baby" en nog iets. Ik zei tegen hem dat ze weg wilde gaan en terugging naar haar ouders. Maar hij lette helemaal niet op mij. Ik zei tegen hem: "wat je aan het doen bent is verkeerd. Je moet je schamen." Toen gaf hij me een klap in het gezicht en brak of beschadigde daarmee mijn bril. Toen liep ze met hem weg. Dit was begin november, half december in 2012.
Ze kwam over als bijzonder simpel. Als iemand van een heel eenvoudige afkomst. Ze was makkelijk te manipuleren. Ze werd continu door hem gebeld. Ik merkte het misschien twee of drie keer elke keer als ik bij haar was.
29. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 17 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 april 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring [getuige 4] :
Ik ken [slachtoffer 1] toen zij prostitutiewerk deed. Ik was een klant van haar in de [c-straat] in [plaats] . Het was denk ik in 2010. Op een gegeven moment kreeg ik van [slachtoffer 1] haar telefoonnummer en zij belde mij als zij honger had en geen sigaretten kon kopen, omdat ze geen geld had. [slachtoffer 1] vertelde mij toen dat zij haar geld niet zelf mocht houden, maar moest afgeven aan een Marokkaanse man. [slachtoffer 1] vertelde dat zij op straat was gezet en geen huis had. Ik heb toen tegen haar gezegd dat zij bij mij kon wonen. Toen [slachtoffer 1] bij mij woonde, is de Marokkaanse man een keer bij mij aan de deur geweest om 23:00 uur. Hij gooide een steentje tegen mijn raam aan. [slachtoffer 1] was op dat moment aan het werk en zij belde mij. Ik moest van [slachtoffer 1] deze man € 20,- geven. Ik zei tegen haar ik ga hem geen geld geven. Later diezelfde avond werd er een steentje tegen mijn raam gegooid en ik keek naar buiten. Ik zag een man staan die de steentjes gegooid had. U toont mij foto 1 uit de fotoset van [verdachte] . Ja, dat is de Marokkaanse man die hij mij thuis de steentjes tegen het raam gooide. Ik hoorde dat hij schreeuwde dat hij € 20,- wilde hebben.
30. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 23 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 april 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring [betrokkene 6] :
[slachtoffer 1] werkte hij mij in het […] hotel. Ze vertelde dat ze achter de ramen werkte. Ze moest van haar vriend achter het raam werken, omdat hij schulden had. Ik denk dat haar vriend een Marokkaanse jongen was.
31. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 23 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 april 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring [getuige 3] :
Ik heb [slachtoffer 1] en haar vriend geholpen. Ze hadden geen onderdak en ik heb ze bij mij gehouden. Ze zijn twee maanden gebleven. De ruzies waren voornamelijk over geld. Hij was aan het schreeuwen tegen haar. [slachtoffer 1] heeft bij mij uitgehuild. Het probleem was geld, dat ze niet genoeg geld had. Ze zei dat ze op zoek naar werk is, maar geld tekort had. Hij geeft me geen geld zei ze. Ze vroeg me zelfs om geld voor sigaretten.
32. Een proces-verbaal van verhoor getuige 12 september 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 april 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring [getuige 2] :
Ik werkte hij een organisatie die vrouwen uit de prostitutie hielp. Ik deed daar straatwerk en zo heb ik [slachtoffer 1] leren kennen. Ik ben met [slachtoffer 1] toen dat contact gaan opbouwen. Op een bepaald punt heeft ze me ook verteld over haar Marokkaanse vriend. Ik kreeg de nodige signalen dat dit geen gezonde relatie was. Ik zag hoe kwetsbaar en beïnvloedbaar [slachtoffer 1] was. Ze was niet stabiel. Ze had torenhoge schulden. Die werktijden van haar spoorden ook niet. Ik weet dat ze wel eens dubbele shifts draaide. Er was altijd een verhaal in de trant van dat er nog niet genoeg verdiend was of dat ze meer geld nodig had. Ik had het gevoel dat hij haar manipuleerde. Dat kwam door de manier waarop ze veranderde als ze een telefoontje van hem kreeg, door de angst die je dan bij haar zag. Dan moest ze haar telefoon opnemen. Die kon nooit uit. Wat me ook opviel, was dat ze constant van telefoonnummer wisselde.
33. Een geschrift, te weten een behandelingsplan van [slachtoffer 1] van [D] , van 9 november 2017 (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [betrokkene 7] , GZ- psycholoog:
Beschrijvende diagnose (inclusief conclusies aanvullend onderzoek)
Zij heeft als grootste angst dat iemand haar wat zal aandoen of om alles te zijn wat voor haar betekent dat er iets zal gaan gebeuren. Zij heeft hier al van jongs af aan last van waarbij er altijd al sprake was van angsten in het donker en dat haar wat zou kunnen overkomen.
Feit 2.
34. Een proces-verbaal van bevindingen van 6 april 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (...)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Met toestemming van [slachtoffer 2] zijn de geregistreerde ziekenhuisgegevens opgevraagd bij het [ziekenhuis 2] . Het [ziekenhuis 1] zijn onderdeel van het [ziekenhuis 2] .
4 mei 2015
Verslag verpleegkundige:
Mw heeft rond 11:00 vanmorgen 20 stuks kcahakc 05 mg genomen. Nu naar seh (het hof begrijpt: Spoedeisende hulp) met vriendin omdat mw. toch ongerust is.
6 juni 2015
Verslag heelkunde:
Thuis vaas op hoofd laten vallen. Snijwond op behaarde hoofdhuid.
12 juni 2016
Verslag heelkunde:
Gisteren rond 09.00 s avonds in de douche flauwgevallen.
Verslag neurologie:
Sinds vanochtend is patiënte erg misselijk met braken. Ook bemerkte ze oorsuizen links en rechts.
Bij voorgeschiedenis staat: trauma capitis (vaas op hoofd na mishandeling?) 2015
35. Een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens van 10 april 2018, inclusief bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
De officier van justitie heeft gegevens gevorderd bij Moneygram International. Door Moneygram International zijn de volgende gegevens verstrekt: verstrekte gegevens van moneytransfers verzonden door [slachtoffer 2] periode vanaf 20 juni 2012 tot en met 30 november 2016
(…)
36. Een proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens van 29 maart 2018, inclusief bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
De officier van justitie heeft gegevens gevorderd bij De Nederlandse Bank NV. Door De Nederlandse Bank NV zijn de volgende gegevens verstrekt: money transfers verzonden door [verdachte] periode juni 2013 tot en met 17 november 2016.
(…)
37. Een proces-verbaal van relaas van 27 oktober 2017, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Er is een totaalbeeld gemaakt van de kamerhuur bij de diverse kamerverhuurders. Op grond van het totaalbeeld kan geconcludeerd worden dat over de periode gelegen tussen oktober 2013 tot en met 6 december 2016 door [slachtoffer 2] een totaalbedrag van minimaal (niet alle gegevens zijn bekend) € 85.450 aan kamerhuur is betaald en dat over de periode gelegen tussen oktober 2013 tot en met 6 december 2016 [slachtoffer 2] minimaal 634 dagdelen heeft gewerkt.
38. Een proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (…)
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
In het onderzoek heeft [slachtoffer 2] aangifte gedaan tegen [verdachte] over de periode oktober 2013 tot en met december 2016. In de politiesystemen is onderzoek gedaan naar politieregistraties uit bovengenoemde periode. Hierbij is de volgende registratie aangetroffen:
2015018425 [plaats]
23 januari 2015. Melding van zorgen door kamerverhuurder [betrokkene 4] over [slachtoffer 2] . Volgens de kamerverhuurder was ze de vorige dag mishandeld door haar ex vriend. [slachtoffer 2] verklaarde zelf dat hij haar een paar klappen had gegeven.
39. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 18 mei 2018, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (…)
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 18 mei 2018 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring [betrokkene 8] :
Ik ken [slachtoffer 2] al heel lang. We hebben samengewoond. Alles ging goed, tot ze kennismaakte met [verdachte] . Hij wilde niet dat ze contact zou onderhouden met anderen. Ze mocht geen vriendinnen hebben. [verdachte] kwam vrij snel bij ons wonen. Het begon met kleine ruzies voor hem. Telefoons werden stukgemaakt, klappen zijn gevallen. Ik wil echt benadrukken dat ze geen contact met vriendinnen mocht hebben en in het bijzonder met mij. Op een dag werd ik gebeld door [slachtoffer 2] . Ze vertelde dat ze pillen had geslikt. Ik heb haar toen naar [ziekenhuis 1] gebracht. Ze wilde geen aangifte doen tegen [verdachte] . Ze was erg bang voor [verdachte] . Ik wist niet hoe serieus de problemen tussen die twee waren totdat [slachtoffer 2] een keer op werk kwam met een hoofdwond. In die tijd werkten we naast elkaar. Ik zag [slachtoffer 2] ook een keer met een blauw oog. De situatie werden steeds erger. Hij, [verdachte] , heeft haar zo vaak geslagen.
Hij heeft haar rond oud en nieuw alle hoeken van de kamer laten zien. Hij pakte haar bij haar haren en sleepte haar door de kamer, hij sloeg haar en hij trapte haar. En enkel en alleen omdat hij het geld voor zichzelf wilde. Dat [slachtoffer 2] , [verdachte] geen geld zou geven, dat kon niet, dat bestond gewoon niet. Als [slachtoffer 2] hem geen geld wilde geven maakte hij dingen kapot, sloeg haar, zocht naar het geld en vond het uiteindelijk. Ik ben vaak tussenbeide gekomen maar hij is tenslotte een man en ik kon hem niet tegenhouden. Ik noem [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] heeft ook de vakantie in Spanje betaald. Toen heeft [verdachte] haar telefoon stuk gemaakt. [verdachte] was altijd ontevreden met het geld wat ze had verdiend. Als wij iets wilden kopen, kreeg ze direct ruzie met [verdachte] . Hij ging haar meteen bellen, ruzie met haar maken, hij zocht haar op. “Hoezo wilde ze iets kopen?"’
8. Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:
‘Het hof stelt vast dat in de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten geen pleegplaats staat vermeld. Naar het oordeel van het hof is sprake van een kennelijke omissie, nu volstrekt helder is - ook voor de verdachte - dat de feiten zich hebben afgespeeld in [plaats] , zoals op de tenlastelegging ook is vermeld bij feit 3. Het hof zal de pleegplaats [plaats] daarom inlezen in feit 1 en 2 in de tenlastelegging. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de tenlastelegging in samenhang met het strafdossier gelezen dient te worden en dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep het voor partijen zonneklaar was dat de steller van de tenlastelegging [plaats] als pleegplaats heeft willen benoemen.
(…)
Bespreking van in hoger beroep gevoerde verweren ten aanzien van feit 1 en 2
Standpunt verdediging
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn pleitnotities, op het
standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe samengevat het navolgende met betrekking tot diverse onderwerpen aangevoerd.
(…)
II. Niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342 Sv, omdat de verklaringen van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] , voor zover zij stellen door de verdachte te zijn uitgebuit in de prostitutie, niet (althans niet in voldoende mate) worden ondersteund door enig ander objectief en onafhankelijk (steun)bewijs. Geen van de getuigen heeft uit eigen waarneming en wetenschap verklaard over de vermeende uitbuiting van de aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zodat de getuigenverklaringen geen zelfstandig en onafhankelijk steunbewijs vormen.
Ten aanzien van de verklaring van de [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) is het volgende naar voren gebracht. Indien het hof oordeelt dat zijn verklaring in belangrijke mate zou kunnen bijdragen aan de bewezenverklaring van feit 1, en als zodanig ‘decisive’ zou zijn, dient deze verklaring uitgesloten te worden van het bewijs, omdat de verdediging het ondervragingsrecht niet effectief heeft kunnen uitoefenen.
Voor zover [slachtoffer 2] zou hebben verklaard over eenzelfde modus operandi van de verdachte ten aanzien van [slachtoffer 1] , kan hieraan geen bewijswaarde worden ontleend, omdat de verdediging het zeer aannemelijk acht dat de beide aangiftes op elkaar zijn afgestemd
(…)
Oordeel van het hof
(…)
Ad II) De verklaring van de [getuige 1]
Voor de verdediging moet er een behoorlijke en effectieve mogelijkheid hebben bestaan om belastende getuigen, zoals [getuige 1] , te ondervragen. Dit is een belangrijk algemeen uitgangspunt dat is gebaseerd op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Heeft de verdediging die mogelijkheid ten aanzien van een getuige niet gehad dan zal de rechter, als hij deze verklaring van die getuige voor het bewijs wil gebruiken, moeten beoordelen of daarmee het proces als geheel eerlijk is verlopen.
Daarbij zijn de volgende factoren van belang:
- de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt;
- het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit, en
- het bestaan van factoren die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
Deze factoren dienen hierbij in onderling verband te worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de getuigenverklaring groter is, is het des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet (kunnen) bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan, indien die verklaring voor het bewijs wordt gebruikt.
De verdediging heeft op de (regie)zitting van 4 september 2020 verzocht [getuige 1] als getuige te doen horen, welk verzoek het hof heeft toegewezen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 27 september 2022 blijkt dat het ook na allerlei inspanningen niet is gelukt om de getuige te horen en dat de raadsheer-commissaris het niet aannemelijk achtte dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn kon worden gehoord.
De redenen voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht met betrekking tot de [getuige 1] zijn erin gelegen, dat hij niet bereid was zijn medewerking te verlenen aan het getuigenverhoor én de omstandigheid dat hij hiertoe in Koeweit niet gedwongen kan worden door de raadsheer-commissaris.
Het hof stelt vast dat deze getuige een niet onbelangrijke belastende verklaring heeft afgelegd en dat er geen mogelijkheid tot compensatie van het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid heeft bestaan.
Desalniettemin is het hof is van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] voor het bewijs kan worden gebruikt, nu het bewijs dat het onder 1 tenlastegelegde door de verdachte is begaan niet in overwegende mate steunt op die verklaring van de [getuige 1] . Hierbij wijst het hof naar de andere bewijsmiddelen, die in de bijlage bij dit arrest zijn opgenomen. Het hof is derhalve van oordeel dat het gebruik voor het bewijs van de verklaring van [getuige 1] geen strijd oplevert met artikel 6 EVRM en dat de procedure in haar geheel voldoet aan het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
Bewijsminimum
De overige door de raadsman in dit kader gevoerde verweren, inhoudende dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet worden ondersteund door objectief en onafhankelijk (zelfstandig) steunbewijs, vinden hun weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen.
Naar het oordeel van het hof worden de verklaringen van de aangeefsters voldoende ondersteund door onder meer getuigenverklaringen in het dossier, alles in onderling verband en samenhang te bezien, waardoor van een situatie van ‘unus testis nullus testis’, zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv, geen sprake is.
Het hof verwerpt daarom dit gevoerde verweer.
Modus operandi
Het hof ziet geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling dat de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] inhoudelijk onderling op elkaar zijn afgestemd en daarom reeds op voorhand dienen te worden uitgesloten voor het bewijs.
De omstandigheid dat de aangeefsters een gesprek hebben gevoerd over het doen van aangifte tegen de verdachte en het verkrijgen van een schadevergoeding noopt naar het oordeel van het hof niet tot deze gevolgtrekking. Het gestelde financiële- of wraak motief voor het doen van aangifte is niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd en hiervan blijkt evenmin uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting. Nog daargelaten dat onder omstandigheden dit legitieme redenen kunnen zijn voor het doen van een aangifte. Dit verweer wordt dan ook gepasseerd.
De verklaring van [slachtoffer 1] vindt steun in de verklaring van [slachtoffer 2] en dat is andersom ook het geval en het hof constateert, evenals de rechtbank, dat in beide gevallen sprake is van eenzelfde modus operandi van de verdachte: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werkten beiden als prostituee en waren kwetsbare jonge vrouwen die de Nederlandse taal niet machtig waren. De verdachte leerde hen (achtereenvolgens) kennen en palmde elk van hen in door zichzelf aanvankelijk zorgzaam voor te doen. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] werden beiden verliefd op hem, zonder te weten dat de verdachte ook andere relaties had. In het begin van de beide relaties vroeg de verdachte kleine bedragen van hen te mogen lenen. Al snel werden dit grotere bedragen en na verloop van tijd pakte hij hoegenaamd al het in de prostitutie verdiende geld van de vrouwen af. De verdachte spiegelde aan zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] een gezamenlijke toekomst voor, waarin zij zouden stoppen met prostitutiewerk. Tot die tijd zou de verdachte het geld van de aangeefsters daartoe sparen. De verdachte had dit geld echter ten eigen bate uitgegeven. In beide relaties was sprake van ruzies die gepaard gingen met geschreeuw en geweld. Meestal gingen deze ruzies om geld.
Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de aangeefsters elkaar op wezenlijke onderdelen ondersteunen en zal deze dan ook bezigen voor het bewijs, nu het hof deze verklaringen betrouwbaar acht.
(…)
Nadere bewijsoverwegingen uitbuiting (feiten 1 en 2)
Het hof verenigt zich met de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van feit 1 vanaf de rechtsoverwegingen 3.3.2.5 (Juridisch kader mensenhandel) tot en met 3.3.2.7 (Sub 4, 6 en 9), en ten aanzien van feit 2 vanaf 3.3.3.5 (Sub 1: dwangmiddelen, handelingen en oogmerk van uitbuiting) tot en met 3.3.3.6 (Sub 4, 6 en 9). Het hof neemt deze overwegingen over met enkele kleine tekstuele aanpassingen, die hierna worden aangehaald.
(…)
Ten aanzien van feit 1:
(…)
3.3.2.6.1 Dwangmiddelen
De inzet van een dwangmiddel dient ertoe te leiden dat iemand in een uitbuitingssituatie (een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schiep) belandt of dat iemand wordt belet zich aan een uitbuitingssituatie te onttrekken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte tegen [slachtoffer 1] gebruikgemaakt van de dwangmiddelen dwang, geweld, dreiging met geweld, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.
Dwang, geweld en dreiging met geweld:
Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] volgt dat de verdachte geweld tegen haar gebruikte als ze niet (meer) wilde werken. Hij stuurde haar dreigende sms-jes en schreeuwde tegen haar. Uit de verklaring van [betrokkene 4] en een politieregistratie van 27 oktober 2010 blijkt tevens dat [slachtoffer 1] veel telefonische ruzies had waarbij een mannenstem (te horen was die) tegen haar schreeuwde. Tot slot volgt uit de verklaringen van [slachtoffer 1] , [getuige 1] en [betrokkene 4] dat de verdachte geweld gebruikte tegen [getuige 1] toen [slachtoffer 1] terug naar haar ouders in Hongarije wilde gaan.
Misleiding:
Van misleiding is sprake als een verdachte een slachtoffer doelbewust een onjuiste voorstelling van zaken geeft. Dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft misleid, blijkt ten eerste uit haar verklaring. De verdachte spiegelde haar voor dat ze nog één jaar hoefde te werken, zodat ze daarna samen konden genieten. Na dat jaar moest ze echter blijven werken. De verdachte zou het geld bewaren om een auto te kopen of om te gebruiken voor als ze beiden op vakantie gingen. Als [slachtoffer 1] vroeg waar het geld was, bleek het weg te zijn.
De verdachte heeft [slachtoffer 1] ook voorgespiegeld dat sprake was van een wederzijdse affectieve relatie. Hij was echter niet van plan zijn leven met [slachtoffer 1] te delen en had relaties met andere vrouwen. Zo heeft [betrokkene 1] , de vrouw met wie de verdachte naar eigen zeggen in september 2017 voor de Islamitische wet is getrouwd en met wie hij in 2019 een kind heeft gekregen, verklaard dat ze al sinds mei 2010 een relatie met verdachte heeft.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met [betrokkene 1] gelukkig is geworden en dat ze hem steunt en motiveert. Daarnaast heeft [betrokkene 2] verklaard dat ze de verdachte begin 2012 heeft leren kennen: dat ze ongeveer één jaar een relatie met hem heeft gehad: dat ze tijdens hun relatie zwanger werd: dat ze dit aan de verdachte vertelde en dat zijn reactie was dat hij met haar verder wilde.
Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie:
Met betrekking tot het bestanddeel ‘misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht’ geldt dat misbruik kan worden verondersteld, indien de tewerkgestelde in een situatie verkeert of komt te verkeren, die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.
Met betrekking lot het bestanddeel 'een kwetsbare positie’ geldt dat dit begrip in de wet is gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt begrepen: “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan".
Er zijn verschillende omstandigheden die maken dat van deze dwangmiddelen sprake is. [slachtoffer 1] heeft de verdachte leren kennen toen ze op […] voor een Hongaarse pooier werkte. Ze is door hem naar Nederland gebracht. Aan het einde van 2009 dan wel begin 2010 was er een incident met een meisje dat [slachtoffer 1] in de gaten moest houden. Dat meisje was weggelopen en [slachtoffer 1] werd door haar pooier hiervoor verantwoordelijk gehouden. De verdachte heeft haar geholpen om los te komen van haar pooier. [slachtoffer 1] vroeg hem een huis te vinden en dat deed hij. Hij wist op dat moment dat [slachtoffer 1] uit een moeilijke situatie kwam en dat ze geen geld had, omdat ze al haar geld aan haar Hongaarse pooier moest afstaan. Daarbij komt dat [slachtoffer 1] geen Engels en geen Nederlands sprak, dat ze Nederland niet kende, dat ze niet wist hoe ze met het openbaar vervoer moest reizen en hoe ze huisvesting moest regelen, dat ze geen contact had met haar familie en in Nederland geen enkele vorm van een netwerk had. Uit het door [slachtoffer 1] overlegde behandelplan van [D] blijkt ook dat ze van kinds af aan al kampt met de angst dat iemand haar wal aandoet of om alleen te zijn. Ze was min of meer afhankelijk van de verdachte, die ze vertrouwde en op wie ze verliefd was. Dit is door de verdachte ter zitting bevestigd. Voor [slachtoffer 1] was er dan ook in de gegeven omstandigheden geen andere aanvaardbare keuze te maken dan voor de verdachte in de prostitutie te werken. Ze verkeerde niet in een situatie die gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren.
3.3.2.6.2 Handelingen
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte met voornoemde middelen [slachtoffer 1] heeft vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen.
vervoeren en overbrengen:
Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en verdachte volgt dat verdachte [slachtoffer 1] meermalen naar haar werk heeft gebracht en opgehaald. Verder blijkt uit politieregistraties dat is gezien dat [slachtoffer 1] haar werkkamer verliet en naar een auto liep waarvan verdachte telkens de bestuurder was.
Gehuisvest en opgenomen:
Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en verdachte volgt dat ze samen op veel adressen hebben gewoond. Verdachte regelde deze woonplekken en de huur werd met het geld van [slachtoffer 1] betaald. Ze hebben ook een tijd samen bij de ouders van verdachte gewoond.
3.3.2.6.3 Oogmerk van uitbuiting
(…)
In relatie tot de seksindustrie spreken de wetgever en de Hoge Raad van een uitbuitingssituatie indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Gelet op de gebruikte dwangmiddelen en gedragingen is daarvan in deze zaak sprake. Immers moest [slachtoffer 1] blijven werken, terwijl ze vaak heeft aangegeven dat ze wilde stoppen en pakte de verdachte jarenlang al haar verdiende geld af. Uit de kamerhuurgegevens blijkt bovendien dat ze vaak zes dagen per week moest werken en dat zij in 2010 ook dubbeldiensten draaide. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte het oogmerk had op de uitbuiting van [slachtoffer 1] .
3.3.2.7 Sub 4, 6 en 9
Op grond van hetgeen ten aanzien van sub 1 is overwogen, kunnen ook de dwang (sub 4), het opzettelijk voordeel trekken (sub 6) en het dwingen te bevoordelen (sub 9) worden bewezen.
Ten aanzien van feit 2:
(…)
3.3.3.5.1 Dwangmiddelen
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte tegen [slachtoffer 2] gebruikgemaakt van de dwangmiddelen dwang, geweld, dreiging met geweld, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.
Dwang, geweld en dreiging met geweld:
Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] volgt dat de verdachte geweld tegen haar gebruikte en dat hij dreigde met geweld. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [betrokkene 8] , die een tijd lang met de verdachte en [slachtoffer 2] heeft samengewoond en getuige was van de ruzies, en door de verklaring van [slachtoffer 1] . Ook zijn de ziekenhuisbezoeken van [slachtoffer 2] geregistreerd en wordt onder meer door [betrokkene 4] verklaard dat hij dezelfde schreeuwende ruzies hoorde als die hij hoorde toen de verdachte een relatie met [slachtoffer 1] had en meldde hij aan de politie een mishandeling van [slachtoffer 2] in 2015.
Misleiding:
Dat de verdachte [slachtoffer 2] heeft misleid, blijkt ten eerste uit haar verklaring. De verdachte spiegelde haar voor dat ze samen verder zouden gaan en dat [slachtoffer 2] kon stoppen met werken. In de praktijk moest ze juist blijven werken en haar geld aan de verdachte afstaan. De verdachte heeft [slachtoffer 2] ook voorgespiegeld dat sprake was van een wederzijdse affectieve relatie. Hij was echter niet van plan zijn leven met [slachtoffer 2] te delen en had een relatie met een andere vrouw. [betrokkene 1] , de vrouw met wie verdachte naar eigen zeggen in september 2017 voor de Islamitische wet is getrouwd en met wie hij in 2019 een kind heeft gekregen, heeft immers verklaard dat ze al sinds mei 2010 een relatie met verdachte heeft. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met [betrokkene 1] gelukkig is geworden en dat ze hem steunt en motiveert.
Misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie:
Er zijn verschillende omstandigheden die maken dat van deze dwangmiddelen sprake is. [slachtoffer 2] heeft de verdachte leren kennen toen ze op […] als prostituee werkte. Ze werkt sinds 2009 in Nederland. [slachtoffer 2] spreekt de Nederlandse taal niet en mocht van de verdachte geen contact hebben met anderen. Ze vertrouwde de verdachte en was verliefd op hem. Het was voor [slachtoffer 2] dan ook moeilijk om een andere keuze te maken dan voor de verdachte in de prostitutie te blijven werken.
3.3.3.5.2 Handelingen
De rechtbank is van oordeel dat verdachte met voornoemde middelen [slachtoffer 2] heeft vervoerd.
Uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en de verdachte volgt dat verdachte [slachtoffer 2] meermalen naar haar werk heeft gebracht en opgehaald. [slachtoffer 1] heeft dit bevestigd. Ook heeft [betrokkene 4] gezien dat verdachte [slachtoffer 2] naar haar werk bracht.
3.3.3.3.3 Oogmerk van uitbuiting
Van een uitbuitingssituatie is sprake indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Gelet op de gebruikte dwangmiddelen en gedragingen is daarvan in deze zaak sprake. Immers moest [slachtoffer 2] blijven werken en pakte de verdachte jarenlang al haar verdiende geld af Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte hel oogmerk had op de uitbuiting van [slachtoffer 2] .
3.3.3.6 Sub 4, 6 en 9
Op grond van hetgeen ten aanzien van sub 1 is overwogen, kunnen ook de dwang (sub 4), het opzettelijk voordeel trekken (sub 6) en het dwingen te bevoordelen (sub 9) worden bewezen.’
9. Namens de verdachte is op 2 mei 2019 hoger beroep ingesteld. De appelschriftuur van 16 mei 2019 houdt onder meer het volgende in:
‘Voorts acht appellant het wenselijk en noodzakelijk om de navolgende getuigen te (doen) horen. De verklaringen van verzochte getuigen zijn gebruikt voor de bewezenverklaring / bewijsoverwegingen. Appellant betwist de verklaringen — voor zover belastend — nadrukkelijk. De verzochte getuigen zijn nog niet eerder door de verdediging/appellant als getuige gehoord. Appellant heeft derhalve recht en belang om de hierna te noemen personen als getuige te (doen) horen teneinde hun verklaringen te onderzoeken op betrouwbaarheid en geloofwaardigheid. De hierna te noemen getuigen dienen derhalve te worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelangcriterium.
(…)
8. [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , adresgegevens worden veronderstelt bekend te zijn bij het onderzoeksteam;’
10. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 en 18 september 2020 houdt onder meer in dat de raadsman op 4 september 2020 de onderzoekswensen toelicht aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Deze houden onder meer in dat de verdediging op voorhand nadrukkelijk persisteert bij het (doen) horen van ‘alle bij appelschriftuur opgegeven getuigen’. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting houdt (op 18 september 2020) onder meer het volgende in:
‘De voorzitter deelt als beslissingen van het hof mede:
(…)
Het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1] , [betrokkene 8] en [betrokkene 2] wordt toegewezen onder de voorwaarde dat de adresgegevens van deze getuigen bij de politie bekend zijn. Indien de politie laat weten niet over deze gegevens te beschikken, wordt de raadsman in de gelegenheid gesteld binnen drie weken van het bekend worden daarvan adresgegevens aan te leveren. Indien er geen adresgegevens bekend worden van een of meer van deze getuigen, wordt het verzoek ten aanzien van die getuige(n) afgewezen, nu het in dat geval onaannemelijk is dat deze binnen aanvaardbare termijn kan/kunnen worden gehoord.
(…)
Verwijzing naar de raadsheer-commissaris
Het hof verwijst de zaak naar de vaste raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, voor het horen van de hierna te noemen getuigen:
(…)
6. [getuige 1], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] , indien de adresgegevens bekend zijn bij de politie / door de raadsman worden aangeleverd;’
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2023 en 15 november 2023 houdt onder meer het volgende in:
‘De voorzitter maakt ook melding van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 27 september 2022, welk stuk eveneens in het dossier wordt gevoegd, waaruit volgt dat het ook na allerlei inspanningen niet is gelukt om [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) te horen en dat het niet aannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord.
De advocaat-generaal deelt mede:
We kunnen [getuige 1] niet dwingen om een getuigenverklaring af te leggen. Dat hij niet is gehoord heeft wel consequenties voor de bruikbaarheid van zijn verklaring.
De raadsman deelt desgevraagd mede:
Ik persisteer bij mijn verzoek om [getuige 1] als getuige te horen. Ik doe geen aanhoudingsverzoek en ik zal hieromtrent een standpunt innemen bij pleidooi.
(…)
De voorzitter merkt op dat het hof een beslissing zal nemen ten aanzien van de [getuige 1] , nu de raadsman te kennen heeft gegeven te persisteren bij zijn verzoek om deze getuige te doen horen.
De advocaat-generaal deelt desgevraagd mede:
De verklaring van [getuige 1] is niet sole and decisive. De verklaring mag daarom mijns inziens gebruikt worden voor het bewijs, want het is niet de enige verklaring waar een bewezenverklaring op gestoeld kan worden.
Het hof onderbreekt het onderzoek, eveneens voor beraad in de raadkamer. Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het horen van de [getuige 1] wordt afgewezen. Bij een afweging van de belangen van de verdachte bij het horen van deze getuige en het maatschappelijke belang dat een strafzaak binnen een redelijke termijn moet worden afgerond, terwijl het thans volgens het hof niet aannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord, dient het laatst genoemde belang te prevaleren. Het recht van de verdachte op een eerlijk proces wordt door de afwijzing van het verzoek niet geschonden.’
12. Het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 27 september 2022 waar de voorzitter melding van maakt, houdt onder meer het volgende in:
‘Het hof heeft bij proces-verbaal terechtzitting van 18 september 2020 bovengenoemde zaak verwezen naar de raadsheer-commissaris, onder meer teneinde te doen horen de getuige:
[getuige 1] ,
geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats] ,
wonende te [g-straat 1] , [plaats] .
Vanaf 28 april 2021 is direct (mail)contact met de getuige geweest. Op 9 juni 2021 heeft de getuige per mail aangegeven dat hij weigert mee te werken als de autoriteiten van Koeweit bij het verhoor worden betrokken, aangezien hij dan persoonlijk gevaar zou lopen gearresteerd te worden. De getuige heeft evenwel niet concreet aangegeven waarom hij dan gevaar zou lopen. De getuige was wel bereid om te verklaren op de Nederlandse ambassade.
Op 22 juni 2021 is door de griffier aan AIRS om advies gevraagd met betrekking tot het doen van het rechtshulpverzoek in verband met de veiligheid van de getuige.
Op 28 juli 2021 ontving de griffier een antwoord van AIRS inhoudende dat er geen bezwaar was tegen het indienen van een rechtshulpverzoek, dat het onwaarschijnlijk leek dat de getuige hierdoor in Koeweit in de problemen zou komen maar dat de Koeweitse autoriteiten geen dwangmiddelen hebben, dus dat de getuige bereid moet zijn om mee te werken, omdat anders het versturen van een rechtshulpverzoek geen zin heeft.
AIRS heeft de griffier op 29 juli 2021 per mail meegedeeld dat een rechtshulpverzoek via de Nederlandse ambassade aan het Koeweitse Ministerie van Buitenlandse zaken moet worden overhandigd en dat de Koeweitse autoriteiten toestemming moeten geven voor een verhoor van de getuige op de Nederlandse ambassade, reden waarom een rechtshulpverzoek moet worden ingediend.
Op 5 augustus 2021 heeft de griffier, gelet op de bovenstaande bevindingen, de raadsman gevraagd of hij het verzoek tot het horen van de getuige al dan niet handhaaft. De raadsman liet hierop op 10 augustus 2021 per mail weten dat de verdediging persisteert bij het horen van de getuige.
Naar aanleiding hiervan heeft de griffier op 13 oktober 2021 een mail gestuurd naar de getuige inhoudende dat een videoverhoor op de Nederlandse ambassade mogelijk is, mits de Koeweitse autoriteiten hiervoor toestemming geven en dat er geen gevaar zou moeten zijn voor de getuige in deze specifieke zaak. De griffier heeft de getuige nogmaals gevraagd of hij mee wil werken aan het videoverhoor, dan wel wil afreizen naar Nederland om gehoord te worden.
De griffier heeft op 10 en 25 november 2021, tevergeefs gerappelleerd.
De betreffende parketsecretaris van het openbaar ministerie stelde vervolgens voor om hulp te vragen van het mensenhandelteam van de politie bij het contacteren van de getuige. Op 20 januari 2022 deelde het ressortsparket per mail mede dat geen contact is gekregen met de getuige en dat internetonderzoek geen verdere gegevens heeft opgeleverd.
Ondanks dat de getuige niet gereageerd heeft, is op 2 februari 2022 een rechtshulpverzoek opgemaakt en een lurisnummer opgevraagd bij IRC. IRC gaf in reactie hierop aan dat Koeweit geen gebruikelijk land is om rechtshulp van te verzoeken en IRC heeft advies gevraagd bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Op 25 mei 2022 heeft de griffier een mail van IRC ontvangen inhoudende dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft aangegeven dat het horen van een getuige middels videoverbinding niet mogelijk is.
Gelet op het voorgaande en gelet op het feit dat de conclusie moet worden getrokken dat getuige niet meewerkend is en dan (in Koeweit) niet tot een verhoor kan worden gedwongen is de raadsheer-commissaris van oordeel dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen aanvaardbare termijn gehoord zal worden. De pogingen tot het (doen) horen van de getuige zullen om die reden worden gestaakt.
Gelet op het voorgaande zullen, nu geen verdere onderzoekshandelingen meer behoeven te worden verricht, de zaken ter appointering aan de Verkeerstoren worden aangeboden, zodat een inhoudelijke behandeling kan worden gepland.’
13. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2023 en 15 november 2023 blijkt dat de advocaat-generaal het woord heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegd requisitoir. Dit requisitoir houdt, voor zover relevant, het volgende in:
‘Omvang Appél:
Verdachte wordt drie feiten verweten, waarvoor hij reeds in 2019 is veroordeeld:
Feit 1: de seksuele uitbuiting van [slachtoffer 1] in de periode van 01 februari 2010 tot en met 01 september 2013 te [plaats] , waarbij hij het slachtoffer heeft misleid, misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare positie, haar heeft gedreigd en geweld heeft toegepast.
Feit 2: seksuele uitbuiting van [slachtoffer 2] in de periode 01 oktober 2013 tot en met 056 december 2016 met toepassing van geweld, misleiding, misbruik kwetsbare positie.
Feit 3: mishandeling van [slachtoffer 2] tussen 07 en 08 december 2016 te [plaats] .
(…)
Feiten:
Verdachte heeft twee kwetsbare slachtoffers, die de taal niet machtig waren en vreemden waren in [plaats] , jarenlang voor zich laten werken in de prostitutie. Vrijwel al het geld dat ze verdienden, hebben ze aan verdachte moeten afstaan. Ook heeft hij geweld gebruikt wanneer ze niet wilden werken, wilden stoppen, of hun geld niet aan hem wilden afstaan.’
14. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2023 en 15 november 2023 blijkt dat de raadsman het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover relevant, het volgende in:
‘- Niet voldaan aan het wettelijke bewijsminimum ex artikel 342 Sv.
Naar de mening van de verdediging is niet voldaan aan het wettelijk vereiste bewijsminimum nu de verklaringen van aangeefsters in de kern, voor zover zij stellen door client te zijn uitgebuit in de prostitutie, niet, althans niet in voldoende mate wordt ondersteund doof enig ander objectief en onafhankelijk (steun)bewijs waaruit dit zou moeten blijken.
Volgens vaste rechtspraak ter zake het bewijsminimum kan het bewijs dat een verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van een getuige. Bovendien dient het andere bewijsmateriaal een zekere zelfstandigheid te bezitten en mag het in ieder geval niet enkel te herleiden zijn tot de bron van het hoofdbewijs.(ECLI:NL:HR:2015:1247).
Aan dit vereiste wordt in onderhavige zaak niet voldaan.
Zaak [slachtoffer 1] (feit 1)
De verdediging stelt op grond van het voorliggend dossier vast dat [slachtoffer 1] de enige is die heeft verklaard dat zij door client gedwongen zou zijn in de prostitutie te werken en/of te blijven werken en dat zij haar verdiensten aan hem moest afstaan. De verklaring van [slachtoffer 1] wordt niet ondersteund door objectief en onafhankelijk (zelfstandig) steunbewijs.
Voor zover door de politie getuigen belastend hebben verklaard stelt de verdediging vast dat de verklaringen van de getuigen op die onderdelen volledig zijn ontleend aan hetgeen zij van [slachtoffer 1] hebben gehoord. Geen van de getuigen heeft uit eigen waarneming en wetenschap verklaard over de vermeende uitbuiting door client van [slachtoffer 1] in de prostitutie. De verklaringen van de getuigen vormen derhalve geen zelfstandig en onafhankelijk steunbewijs nu deze voor wat betreft eerder genoemde belastende onderdelen volledig zijn terug te voeren op de verklaring van aangeefster als eigenlijke bron.
De verdediging zal dit standpunt nader onderbouwen aan de hand van een korte bespreking van de in het dossier voorkomende en door de rechtbank voor het bewijs gebruikte getuigenverklaringen.
- [getuige 1] (…)
Nu de rechtbank de verklaring van [getuige 1] heeft betrokken in de bewijsvoering heeft de verdediging bij appelschriftuur verzocht [getuige 1] als getuige te (doen) horen. Onder verwijzing naar het p.v. van bevindingen d.d. 27 september 2022 van de raadsheer-commissaris stelt de verdediging vast dat de verdediging niet in de gelegenheid is gesteld de getuige te ondervragen naar aanleiding van een door hem op 6 april 2018 ten overstaan van de politie afgelegde getuigenverklaring (…).
Voor zover uw Hof evenals de rechtbank van oordeel zou zijn dat de verklaring van [getuige 1] in belangrijke mate zou kunnen bijdragen aan de bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde feit, en als zodanig ‘decisive’ zou zijn, dan meent de verdediging dat het gebruik van de verklaring van [getuige 1] in strijd zou zijn met artikel 6 lid 3 sub d EVRM nu de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen. De verdediging verzoekt uw Hof derhalve primair om het politieverhoor van [getuige 1] d.d. 6 april 2018 uit te sluiten van het bewijs.
Mocht uw Hof hieromtrent een ander oordeel zijn toegedaan dan wenst de verdediging met betrekking tot de verklaring van [getuige 1] inhoudelijk het volgende op te merken.
Uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat voorzover hij heeft verklaard over vermeende uitbuiting van [slachtoffer 1] dat hij dit ofwel van [slachtoffer 1] heeft gehoord (dat zij hem dit heeft verteld) of dat hij een en ander zou hebben verondersteld c.q. zou hebben aangenomen. De verdediging stelt vast dat [getuige 1] in elk geval niet uit eigen waarneming en wetenschap heeft verklaard maar zijn verklaring op voor client mogelijk belastende onderdelen volledig heeft ontleend aan hetgeen [slachtoffer 1] hem daarover heeft verteld.
[getuige 1] heeft tijdens zijn verhoor (....) onder meer als volgt verklaard:
“Ik kreeg het idee dat ze het geld niet zelf hield'.
‘Toen zei ze dat ze al haar geld aan die persoon [verdachte] gaf, dat al het geld naar hem ging".
“Ja voordat ik hem zag had ze al verteld dat hij een Mercedes had die gekocht was van haar geld”.
Opvallend is voorts dat [getuige 1] naar de mening van de verdediging juist ontlastend heeft verklaard over vermeende uitbuiting in de prostitutie van [slachtoffer 1] door client.
[getuige 1] heeft in dat verband onder meer als volgt verklaard:
‘Toen heb ik haar direct gevraagd ben je hier niet toe gedwongen want hier klopt niets van. Ze was er stellig over dat ze niet gedwongen werd”.
“Die nacht werd ze ontvoerd en een paar weken later werd ze naar Oostenrijk gebracht. Ze zei dat ze toen gedwongen was maar nu niet”.
“Toen ik haar eigenlijk vroeg of [verdachte] haar beschermde en pijn deed. Toen zei ze dat hij haar beschermde van andere mensen die haar geld zouden afpakken’.
‘Ze had altijd de kans om weg te lopen, om een agent aan te spreken. Op mijn vraag of hij haar ook fysiek geweld gebruikte kreeg ik nooit een duidelijk ja of nee, maar ze had het wel altijd over fysiek geweld wat ze in Hongarije of Oostenrijk had meegemaakt, maar niet in Nederland’.
Kort en goed stelt de verdediging vast dat de verklaring van [getuige 1] niet als onafhankelijk steunbewijs kan worden beschouwd. Sterker nog, [getuige 1] heeft zelfs op meerdere onderdelen ontlastend verklaard.
(…)
Zaak [slachtoffer 2] (feit 2)
De verdediging komt op voorhand tot de conclusie dat de aangifte van [slachtoffer 2] niet, althans niet in voldoende mate door enig andersoortig objectief en onafhankelijk bewijs wordt ondersteund.
Zo heeft [slachtoffer 1] verklaard dat zij niet heeft gezien of gehoord dat [slachtoffer 2] werd gedwongen in de prostitutie te werken noch heeft zij gezien dat zij haar geld moest afstaan aan client. Voor zover [slachtoffer 1] in haar aangifte van 22 december 2017 (onder meer) heeft verklaard vermeende mishandeling(en) van [slachtoffer 2] door client en over het vermeend geld afstaan aan client, stelt de verdediging vast dat [slachtoffer 1] dit tijdens een gesprek met [slachtoffer 2] van haarzelf heeft gehoord. De verklaring van [slachtoffer 1] is met betrekking tot die passages, althans genoemde onderdelen derhalve terug te voeren tot de eigenlijke bron namelijk [slachtoffer 2] zelf.’
Het eerste middel
15. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door in strijd met artikel 261, eerste lid, Sv de dagvaarding – waarin bij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten geen pleegplaats was vermeld – aan te vullen en te verbeteren door [plaats] als pleegplaats in te lezen.
16. Op grond van art. 261, eerste lid, Sv behelst de dagvaarding een opgave van het feit dat ten laste wordt gelegd, met vermelding omstreeks welke tijd en waar ter plaatse het begaan zou zijn. De strekking van dit voorschrift is dat de dagvaarding een voldoende duidelijke tenlastelegging moet bevatten. De tenlastelegging schiet tekort als zij onvoldoende geconcretiseerd is, innerlijk tegenstrijdig of om een andere reden onbegrijpelijk. Bij het beantwoorden van de vraag of de tenlastelegging tekort schiet, is van groot belang of de verdachte de tenlastelegging begrepen heeft. Die benadering brengt mee dat in cassatie niet voor het eerst kan worden geklaagd dat de tenlastegelegde gedraging onvoldoende feitelijk is omschreven.1.Naar het mij voorkomt is er geen aanleiding anders te oordelen ingeval in de tenlastelegging geen pleegplaats is vermeld.
17. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is niet geklaagd dat de tenlastelegging niet aan de eisen van art. 261 Sv voldoet; dat wordt in de cassatieschriftuur ook niet gesteld. Zie ik het goed, dan betreft de klacht in wezen ook niet de schending van artikel 261 Sv; waar het de steller van het middel om gaat is dat het hof als pleegplaats [plaats] heeft ingelezen, daardoor de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten en ten onrechte tot de in het arrest opgenomen bewezenverklaring is gekomen. Die klacht betreft een schending van artikel 350 Sv, voor zover dat voorschrijft dat ‘op den grondslag der telastlegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting (wordt beraadslaagd) over de vraag of bewezen is dat het feit door den verdachte is begaan’.
18. Uit de bewoordingen van artikel 350 Sv volgt dat de rechter bij het beantwoorden van de bewijsvraag gebonden is aan de tenlastelegging. Lange tijd is die binding aan – de bewoordingen van - de tenlastelegging vrij sterk geweest. De speelruimte van de rechter bij de interpretatie van de tenlastelegging is de afgelopen decennia evenwel steeds groter geworden. Dat komt onder meer tot uitdrukking in de rechtspraak van Uw Raad over het herstel van misslagen. Uit die rechtspraak blijkt dat het op de weg ligt van de rechter ‘om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, indien de verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad. Zo’n verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist’.2.Het oordeel dat sprake is van een misslag en dat de verdachte door de verbetering van de misslag niet in zijn verdediging wordt geschaad, dient door de rechter nader gemotiveerd te worden indien de aard van de wijziging dat vergt.3.
19. Het voorgaande geldt ook wanneer sprake is van een omissie in de tenlastelegging, ook in het geval de omissie de plaatsaanduiding in de tenlastelegging betreft. In de zaak die ten grondslag lag aan een arrest van Uw Raad van 3 september 2024 had het hof de tenlastelegging aangevuld met de pleegplaats (‘te [plaats] , althans in Nederland’).4.Het hof had daarbij overwogen dat de advocaat-generaal en de raadsvrouw van verdachte met de aanvulling hadden ingestemd en dat de verdachte door de aanvulling niet in zijn verdediging was geschaad. Uw Raad verwierp het cassatieberoep en deed het betreffende middel af met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
20. In de onderhavige zaak speelt een soortgelijke situatie. In het bestreden arrest heeft het hof vastgesteld dat in de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten geen pleegplaats wordt vermeld. Dat is naar het oordeel van het hof het gevolg van ‘een kennelijke omissie, nu volstrekt helder is – ook voor de verdachte – dat de feiten zich hebben afgespeeld in [plaats] , zoals op de tenlastelegging ook is vermeld bij feit 3’. De verdachte wordt volgens het hof niet in de verdediging geschaad door het inlezen van de pleegplaats bij de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat ‘de tenlastelegging in samenhang met het strafdossier gelezen dient te worden en dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep het voor partijen zonneklaar was dat de steller van de tenlastelegging [plaats] als pleegplaats heeft willen benoemen’.
21. Het oordeel van het hof dat sprake is van een kennelijke omissie in de tenlastelegging en dat verdachte door het opnemen van [plaats] als pleegplaats in de bewezenverklaring niet in zijn verdediging wordt geschaad, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Wat betreft het oordeel dat het ontbreken van de pleegplaats het gevolg is van een ‘kennelijke omissie’ van het Openbaar Ministerie, wijs ik erop dat de advocaat-generaal in het requisitoir [plaats] expliciet heeft genoemd als pleegplaats bij feit 1, dat zij er verderop in haar requisitoir op wijst dat beide slachtoffers ‘vreemden waren in [plaats] ’, en dat in de verklaringen van beide aangeefsters en diverse getuigenverklaringen die voor het bewijs van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten zijn gebruikt veelvuldig [plaats] wordt genoemd.5.Wat betreft de begrijpelijkheid van het oordeel dat de verdachte door de aanvulling niet in zijn verdediging wordt geschaad, heb ik onder meer in aanmerking genomen dat in het vonnis in eerste aanleg in de verkorte weergave van de tenlastelegging bij feit 1 en feit 2 [plaats] als pleegplaats werd genoemd, en dat noch uit het pleidooi van de raadsman, noch uit de verklaring van de verdachte op de terechtzitting bij de inhoudelijke behandeling in hoger beroep blijkt dat enige onduidelijkheid heeft bestaan over de pleegplaats van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.
22. Het middel faalt.
Het tweede middel
23. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof in strijd met artikel 342 Sv en artikel 6 EVRM de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen heeft verklaard. Het middel valt uiteen in twee deelklachten.
De eerste deelklacht
24. Het middel bevat in de eerste plaats de klacht dat het hof in strijd met artikel 6 EVRM de verklaring van [getuige 1] voor het bewijs heeft gebruikt, nu de verdediging deze getuige niet heeft kunnen horen en er geen compensatie is voor het ontbreken van de mogelijkheid tot ondervraging.
25. De raadsman van verdachte heeft bij appelschriftuur van 16 mei 2019 verzocht om [getuige 1] als getuige te (doen) horen. Uit de bij de (regie)zitting van 4 september 2020 overgelegde pleitnotities blijkt dat de raadsman aldaar heeft gepersisteerd bij het verzoek tot het (doen) horen van alle bij appelschriftuur opgegeven getuigen. Op 18 september 2020 heeft de voorzitter van het hof medegedeeld dat het verzoek tot het horen van de [getuige 1] wordt toegewezen onder de voorwaarde dat de adresgegevens bij de politie bekend zijn. Het hof heeft de zaak voor het horen van onder meer [getuige 1] verwezen naar de raadsheer-commissaris. De voorzitter van het hof maakt tijdens het onderzoek ter terechtzitting gehouden op 1 november 2023 melding van het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 27 september 2022. Daaruit volgt volgens de voorzitter ‘dat het ook na allerlei inspanningen niet is gelukt om [getuige 1] (…) te horen en dat het niet aannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord’.
26. De raadsman heeft vervolgens meegedeeld te persisteren bij zijn verzoek om [getuige 1] als getuige te horen. Het hof heeft na een onderbreking op dit verzoek beslist en het verzoek afgewezen: ‘Bij een afweging van de belangen van de verdachte bij het horen van deze getuige en het maatschappelijke belang dat een strafzaak binnen een redelijke termijn moet worden afgerond, terwijl het thans volgens het hof niet aannemelijk is dat deze getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord, dient het laatst genoemde belang te prevaleren.’ Over de afwijzing van het getuigenverzoek op deze grond wordt in cassatie als zodanig niet geklaagd.
27. Het hof heeft omtrent het gebruik van de verklaring van de [getuige 1] in het bestreden arrest overwogen dat in het geval voor de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft bestaan om een belastende getuige te ondervragen, de verklaring alleen voor het bewijs kan worden gebruikt als ‘daarmee het proces als geheel eerlijk is verlopen’. Dat is het hof vervolgens nagegaan aan de hand van – kort gezegd – de reden dat het ondervragingsrecht niet kon worden uitgeoefend, het gewicht van de verklaring van de getuige voor de bewezenverklaring van het feit, en het bestaan van factoren die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Het hof heeft tevens overwogen dat deze factoren in onderling verband beschouwd dienen te worden.
28. Met betrekking tot de reden dat het ondervragingsrecht ten aanzien van [getuige 1] niet kon worden uitgeoefend, heeft het hof overwogen dat deze erin was gelegen ‘dat hij niet bereid was zijn medewerking te verlenen aan het getuigenverhoor én de omstandigheid dat hij hiertoe in Koeweit niet gedwongen kan worden door de raadsheer-commissaris’. Het hof heeft dat kennelijk als een goede reden voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht aangemerkt. Dat is niet onbegrijpelijk.6.
29. Wat betreft het gewicht van zijn verklaring voor de bewezenverklaring en het bestaan van compenserende factoren heeft hof vastgesteld dat ‘deze getuige een niet onbelangrijke belastende verklaring heeft afgelegd en dat er geen mogelijkheid tot compensatie van het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid heeft bestaan’. Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de verklaring van [getuige 1] desalniettemin voor het bewijs kan worden gebruikt, ‘nu het bewijs dat het onder 1 tenlastegelegde door de verdachte is begaan niet in overwegende mate’ op die verklaring steunt. Het hof heeft hierbij verwezen ‘naar de andere bewijsmiddelen’. Het gebruik van de verklaring voor het bewijs is naar het oordeel van het hof niet in strijd met art. 6 EVRM en ‘de procedure in haar geheel voldoet aan het in artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces’. De verklaring van [getuige 1] is als bewijsmiddel 28 opgenomen in de bijlage bij het bestreden arrest.
30. In een arrest van 27 mei 2025 heeft Uw Raad de rechtsregels inzake het gebruik voor het bewijs van een verklaring van een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen als volgt samengevat:7.
‘2.3.1
In gevallen waarin de rechter voor het bewijs gebruik wil maken van een door een getuige afgelegde verklaring, terwijl de verdediging – ondanks het nodige initiatief – niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om ten aanzien van die getuige het ondervragingsrecht uit te oefenen, moet de rechter nagaan of het proces als geheel eerlijk is verlopen. Hierbij zijn – met het oog op de beoordeling of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces – van belang (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.
2.3.2
Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Dat doet er echter niet aan af dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze beoordelingsfactoren in onderling verband moeten worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.)’
31. In cassatie staat niet ter discussie dat het hof aan de hand van de juiste factoren heeft beoordeeld of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Ook het oordeel dat sprake is van een (goede) reden voor het niet kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht, die erin gelegen is dat [getuige 1] niet bereid is om mee te werken aan een getuigenverhoor en hiertoe in Koeweit niet gedwongen kan worden, wordt in cassatie niet bestreden. De klacht is gericht tegen het oordeel dat de verklaring van [getuige 1] , ondanks de constatering dat deze getuige ‘een niet onbelangrijke belastende verklaring heeft afgelegd en dat er geen mogelijkheid tot compensatie van het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid heeft bestaan’, voor het bewijs kan worden gebruikt. In de toelichting wordt aangevoerd dat de overweging dat ‘de bewezenverklaring niet in overwegende mate steunt op die verklaring’ geen argument voor dat oordeel is.
32. Met het voorgaande miskent de steller van het middel dat bij de beantwoording van de vraag of het proces als geheel eerlijk is verlopen de daarvoor geldende beoordelingsfactoren nadrukkelijk in onderling verband moeten worden beschouwd.8.Een goede reden voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en compenserende factoren voor het ontbreken daarvan worden des te meer van belang naarmate het gewicht van de verklaring groter is. Het ontbreken van compenserende factoren voor door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige brengt dan ook niet onder alle omstandigheden mee dat het gebruik van de verklaring van die niet-ondervraagde getuige voor het bewijs in strijd komt met art. 6 EVRM.9.
33. ’ ’s Hofs oordeel dat de bewezenverklaring ‘niet in overwegende mate’ steunt op de voor het bewijs gebezigde verklaring van [getuige 1] is voorts niet onbegrijpelijk. Het hof heeft de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde uitbuiting van [slachtoffer 1] door verdachte naar het mij voorkomt ook kunnen baseren op de verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 1), de verklaringen van aangeefster (bewijsmiddelen 3, 4, 5, 6, 8), de verklaringen van andere getuigen (bewijsmiddel 20, 29, 30, 31, 32), alsmede het overige bewijsmateriaal (in het bijzonder bewijsmiddelen 7, 14, 16, 18, 19, 24, 25, 26, 27, 33). Ik wijs in het bijzonder op de verklaring van aangeefster waaruit eveneens kan worden afgeleid ‘het in aanwezigheid van [slachtoffer 1] vechten met een klant van [slachtoffer 1] met wie zij voornemens was weg te lopen van verdachte’ (bewijsmiddel 5). Ik merk nog op dat het hof deze ondersteuning in ander bewijsmateriaal als een compenserende factor had kunnen aanmerken.10.
34. Al met al acht ik het oordeel van het hof dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is tevens toereikend gemotiveerd.
35. De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
36. Het middel bevat voorts de klacht dat de verwerping van het verweer, inhoudend dat bij feit 1 en feit 2 niet is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd is.
37. Uit de ter terechtzitting in hoger beroep van 1 november 2023 overgelegde pleitnota blijkt dat de raadsman van de verdachte bij het onder 1 tenlastegelegde feit heeft aangevoerd dat [slachtoffer 1] de enige is die heeft verklaard dat zij door de verdachte gedwongen is om in de prostitutie te (blijven) werken en dat zij haar verdiensten aan hem moest afstaan. Die verklaring zou niet worden ondersteund door objectief en onafhankelijk (zelfstandig) steunbewijs, nu de belastende onderdelen van de getuigenverklaringen volledig zouden zijn terug te voeren op de verklaring van [slachtoffer 1] . Bij het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsman aangevoerd dat ook de aangifte van [slachtoffer 2] niet in voldoende mate door enig andersoortig objectief en onafhankelijk bewijs wordt ondersteund.
38. Het hof heeft dit verweer verworpen. Daaraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat dit verweer zijn weerlegging vindt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, en dat ‘de verklaringen van de aangeefsters voldoende (worden) ondersteund door onder meer getuigenverklaringen in het dossier, alles in onderling verband en samenhang te bezien, waardoor van een situatie van ‘unus testis nullus testis’, zoals bedoeld in artikel 342, tweede lid, Sv, geen sprake is’.
39. Het hof heeft vervolgens in de eerste plaats overwogen dat de verklaringen van beide aangeefsters elkaar op wezenlijke onderdelen ondersteunen, en ‘in beide gevallen sprake is van eenzelfde modus operandi’. Het hof wijst daarbij op een groot aantal punten van overeenkomst. Daarbij volgt uit de bewijsvoering dat het hof ook ander steunbewijs bij zijn beoordeling heeft betrokken. De verklaring van [slachtoffer 1] dat de verdachte geweld tegen haar gebruikte en daarmee dreigde, wordt bevestigd door de berichten die verdachte haar stuurde (bewijsmiddel 25), de bevindingen van de politie van 27 oktober 2010 (bewijsmiddel 24) en de verklaring van [betrokkene 4] (bewijsmiddel 20), die herhaaldelijk ruzies door de telefoon hoorde. [betrokkene 4] heeft verklaard ‘(d)ezelfde soort ruzies’ en geschreeuw gehoord te hebben toen verdachte later een relatie met [slachtoffer 2] had. Het geweld tegen [slachtoffer 2] wordt voorts bevestigd door de verklaring van [betrokkene 8] (bewijsmiddel 39), die de ruzies zelf heeft gezien en ook heeft verklaard over het letsel (‘een hoofdwond’, ‘een blauw oog’) dat zij bij aangeefster heeft waargenomen. Dit letsel wordt voorts bevestigd door ziekenhuisgegevens (bewijsmiddel 34). Dat de verdachte beide aangeefsters heeft misleid volgt uit hun eigen verklaringen, maar dit wordt bevestigd door de verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 22) en de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 23). Ook het vervoer van en naar werk van aangeefsters door verdachte wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal (bewijsmiddelen 1, 20, 24). Wat betreft de uitbuitingsituatie zijn de processen-verbaal waaruit blijkt van de dubbele diensten en vele werkdagen van [slachtoffer 1] van belang (bewijsmiddelen 26 en 27).
40. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de verklaringen van beide aangeefsters met betrekking tot het bewezenverklaarde voldoende steun vinden in de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk. Ik betrek daarbij dat artikel 342, tweede lid, Sv betrekking heeft op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan.11.De feiten en omstandigheden die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar voren hebben gebracht, vinden voldoende steun in ander bewijsmateriaal. Dit ondersteunende bewijs is bovendien, anders dan de steller van het middel betoogt, niet enkel te herleiden tot de aangeefsters. Met de overweging dat het gevoerde verweer zijn weerlegging vindt in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen en dat de verklaringen van aangeefsters onder meer ondersteund worden door de getuigenverklaringen, heeft het hof de verwerping van het verweer tevens toereikend gemotiveerd. Daarmee faalt ook de tweede deelklacht.
41. Het middel faalt.
Slotsom
42. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
43. Ambtshalve merk ik in de eerste plaats op dat het hof bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling heeft bepaald op respectievelijk 251 dagen en 114 dagen, zodat in totaal ten hoogste 365 dagen gijzeling kan worden toegepast. De bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 bestrijken de periodes van 1 februari 2010 tot en met 1 september 2013 respectievelijk 1 oktober 2013 tot en met 6 december 2016. Uit art. 36f, vijfde lid, Sr volgt dat de duur van de gijzeling ten hoogste één jaar beloopt, waarbij in deze zaak geldt dat – met toepassing van de voor de verdachte meest gunstige bepaling – onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan.12.Uw Raad kan de duur van de gijzeling ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum.
44. Ik merk in de tweede plaats op dat het hof de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid heeft opgelegd voor de duur van 3 jaren. De bewezenverklaringen van de feiten 1 en 2 bestrijken – als gezegd – de periodes van 1 februari 2010 tot en met 1 september 2013 respectievelijk 1 oktober 2013 tot en met 6 december 2016. Feit 3 is begaan op 8 december 2016. De maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid is ingevoerd met ingang van 1 april 2012.13.Het ingevoerde art. 38v, derde lid, (oud) Sr bepaalde dat de maatregel voor een periode van ten hoogste twee jaren kon worden opgelegd. Dit derde lid werd gewijzigd met ingang van 1 juli 2015; sinds die datum bepaalt art. 38v, derde lid, Sr dat de maatregel voor een periode van ten hoogste vijf jaren kan worden opgelegd.14.Uw Raad heeft in een arrest van 10 september 2024, voortbouwend op eerdere rechtspraak, ambtshalve overwogen dat het hof had miskend dat artikel 38v Sr buiten toepassing had moeten blijven in aanmerking genomen ‘dat het bewezenverklaarde feit, dat door het hof als één misdrijf is gekwalificeerd, mede vóór 1 april 2012 is begaan’.15.Een en ander brengt meen ik mee dat de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid ambtshalve dient te worden vernietigd voor zover zij ziet op [slachtoffer 1] . Gelet op het onder 3 bewezenverklaarde feit kan zij in stand blijven voor zover zij ziet op [slachtoffer 2] . Aan een en ander doet, meen ik, niet af dat de maatregel, die ook al door de rechtbank was opgelegd, inmiddels ten uitvoer is gelegd.
45. Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
46. Deze conclusie strekt tot:
- vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen en wat betreft de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor zover deze inhoudt dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] , geboortedatum: [geboortedatum] 1990;
- bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het [slachtoffer 1] gijzeling van 248 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [slachtoffer 2] gijzeling van 112 dagen kan worden toegepast;
- verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑07‑2025
HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/494 m.nt. Reijntjes, rov. 3.3; HR 6 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:308, rov. 2.4. Zie nader Keulen en Knigge, a.w., p. 458-464.
HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662, NJ 2009/494 m.nt. Reijntjes, rov. 3.4.
HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1113. Vgl. randnummer 13 van de voorafgaande conclusie van A-G Hofstee.
Dat de feiten zich in [plaats] hebben afgespeeld blijkt in ieder geval zonder meer uit de verklaringen die zijn opgenomen in de bewijsmiddelen 1, 4, 5, 9, 10, 24, 28, en 29.
Vgl. EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 119; vgl. HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:805, rov. 2.5.2; HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1197, NJ 2022/345 m.nt. Machielse.
Vgl. recent HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:805.
Vgl. EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10 (Schatschaschwili/Duitsland), § 118; HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rov. 2.12.2.
Vgl. HR 1 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:86, NJ 2022/279 m.nt. Reijntjes.
Vgl. HR 27 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:805, rov. 2.5.4.
Vgl. HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1460, rov. 2.3.
Vgl. HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:812, en de voorafgaande conclusie van A-G Bleichrodt onder 19-22; HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:621.
Wet van 17 november 2011, Stb. 546; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2011, 615.
Wet van 30 juni 2015, Stb. 255; inwerkingtredingsbesluit Stb. 2015, 256.
HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1151, NJ 2024/358 m.nt. Vegter.