Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.7.3
8.5.4.7.3 Aansluiting bij voorgenomen gebruik wenselijk?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291549:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 318, K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2002, p. 317, G.J. van Norden en J.A.M. Leijten, ‘Btw-aspecten van leegstand’, WPNR 2010/6681, p. 781, H. Knobbe-de Olde en A.C. Pol-Habing, ‘Btw en leegstaande kantoren: hoe complex mag de theorie zijn?’, BTW-bulletin 2011/89 en conclusie A-G Van Hilten 28 januari 2014, nr. 13/00282, V-N 2014/19.13, punten 7.1 t/m 8.4.3.
Deze benadering betekent dat gedurende de tussentijdse leegstand geen sprake is van aftrekgerechtigd gebruik, omdat leegstand op zichzelf genomen niet als gebruik voor belaste handelingen is aan te merken (A. van Dongen, ‘Meer etages: één of meer goederen?’, NTFR-B 2009/5; anders: H. Knobbe-de Olde en A.C. Pol-Habing, ‘Btw en leegstaande kantoren: hoe complex mag de theorie zijn?’, BTW-bulletin 2011/89). Tot 1 januari 2007 leidde deze benadering in Nederland tot een tegenovergestelde uitkomst, omdat op grond van het destijds geldende art. 15 lid 2 Wet OB recht op aftrek bestond voor goederen en diensten die worden gebezigd in het kader van de onderneming, met uitzondering van - kort gezegd - goederen en diensten die worden gebezigd voor vrijgestelde handelingen (HR 12 september 2008, nr. 43.011, BNB 2009/188, m.nt. Van Kesteren, HR 7 oktober 2011, nr. 09/02214, BNB 2012/100, m.nt. Van Kesteren en HR 21 oktober 2011, nr. 10/05228, BNB 2012/101, m.nt. Van Kesteren). Zie ook: D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 318 en K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2002, p. 317.
Wanneer de tussentijdse leegstand het gehele herzieningsjaar omvat, vindt volgens deze benadering geen herziening plaats. In die situatie wordt derhalve het aftrekgerechtigde gebruik in het referentiejaar beslissend geacht (D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 318).
Bijl heeft terecht opgemerkt dat het op grond van de herzieningsregeling voor onroerende investeringsgoederen niet mogelijk is om het toekomstige daadwerkelijke gebruik beslissend te achten. De herzieningsregeling voor onroerende investeringsgoederen voorziet immers niet in een correctie van de herzienings-btw die betrekking heeft op vorige herzieningsjaren (Bijl, noot bij HR 13 juni 2014, nr. 13/00282, BNB 2014/197). Een aansluiting bij het toekomstige gebruik van het leegstaande onroerende investeringsgoed kan derhalve uitsluitend het voorgenomen gebruik betreffen.
Deze benadering biedt geen oplossing voor de situatie waarin sprake is van tussentijdse leegstand van een onroerend investeringsgoed en de belastingplichtige verder geen belaste of vrijgestelde handelingen verricht (conclusie A-G Van Hilten 28 januari 2014, nr. 13/00282, V-N 2014/19.13).
De eerste vier benaderingen worden onderscheiden in de dissertatie van Bijl en in de dissertatie van Braun herhaald (D.B. Bijl, De heffing van omzetbelasting ten aanzien van onroerend goed (diss.), Deventer: Kluwer 1990, p. 318 en K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2002, p. 317). Voor de vijfde benadering zie: S.T.M. Beelen, Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (diss.), Deventer: Kluwer 2010, p. 228, J. Th. Sanders, ‘Afstand wat aftands’, NTFR-B 2013/12, J. Sanders, ‘Leeg, leger, leegstand’, BtwBrief 2013/26, Sanders in zijn noot onder NTFR 2014/1586 en J. Th. Sanders, ‘Kan het zijn dat ik U kan?’, NTFR-B 2014/38.
In gelijke zin: H. Knobbe-de Olde en A.C. Pol-Habing, ‘Btw en leegstaande kantoren: hoe complex mag de theorie zijn?’, BTW-bulletin 2011/89.
K.M. Braun, Aftrek van voorbelasting in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2002, p. 318.
In gelijke zin: G.J. van Norden en J.A.M. Leijten, ‘Btw-aspecten van leegstand’, WPNR 2010/6681, p. 782.
M. van der Wulp, ‘Voorgenomen gebruik en gebruik voor een voornemen’, BtwBrief 2018/36, p. 3. In gelijke zin: Bijl, noot bij HR 13 juni 2014, nr. 13/00282, BNB 2014/197 en M.M.W.D. Merkx en J. Verbaan, ‘Herzien?!’, WFR 2014/1474.
Uit paragraaf 8.5.4.7.2 volgt dat het Hof van Justitie en de Hoge Raad het voorgenomen gebruik beslissend achten voor de vraag of de tussentijdse leegstand gedurende de herzieningsperiode leidt tot een herziening van de aftrek. De relevante vraag is of die benadering wenselijk is. Er zijn namelijk ook andere herzieningsbenaderingen van tussentijdse leegstand mogelijk.1 De aansluiting bij het voorgenomen gebruik gedurende de tussentijdse leegstand is derhalve een keuze. Om te bezien of die keuze gerechtvaardigd is, dient deze benadering te worden afgezet tegen de vijf andere benaderingen die in de literatuur zijn verdedigd, te weten:
leegstand op zichzelf beschouwen2;
leegstand negeren en alleen het werkelijke gebruik van (de rest van) het onroerend investeringsgoed voor belaste, vrijgestelde en onbelastbare handelingen in aanmerking nemen3;
het daadwerkelijke gebruik vóór de leegstand beslissend achten;
het daadwerkelijke gebruik na de leegstand beslissend achten4;
de verdiscontering in de prijzen van de uitgaande handelingen van de belastingplichtige beslissend achten5.6
Naar mijn mening doet de aansluiting bij het voorgenomen gebruik gedurende de periode van tussentijdse leegstand het meeste recht aan de ratio van het recht op aftrek en de herzieningsregels.7 Alleen deze benadering garandeert – conform de fiscale neutraliteit en het rechtskarakter van de btw (zie paragraaf 8.5.4.7.2) – dat er geen btw drukt op tussentijdse leegstand van een onroerend investeringsgoed dat bestemd is voor belast gebruik.8 De aansluiting bij het voorgenomen gebruik leidt daarnaast tot een zo nauw en rechtstreeks mogelijk verband tussen het recht op aftrek en het gebruik van het onroerende investeringsgoed in het herzieningsjaar waarin de tussentijdse leegstand plaatsvindt. Een aansluiting bij het voorgenomen gebruik voorkomt voorts dat belastingplichtigen die het voornemen hebben om het leegstaande onroerende investeringsgoed belast of vrijgesteld te gaan gebruiken verschillend worden behandeld op basis van het daadwerkelijke gebruik in het herzieningsjaar dat voorafging of volgt op de tussentijdse leegstand of op basis van de eventuele belaste of vrijgestelde handelingen waarvoor het betrokken leegstaande (gedeelte van het) onroerende investeringsgoed niet wordt gebruikt. Die verschillende behandeling zou naar mijn mening in strijd zijn met de concurrentieneutraliteit.9 De aansluiting bij het voorgenomen gebruik bij tussentijdse leegstand voorkomt ook dat tussentijdse leegstand anders wordt behandeld dan aanvangsleegstand, terwijl zoals aan het begin van paragraaf 8.5.4.7 is opgemerkt, beide situaties onder de bijzondere herzieningsregeling voor investeringsgoederen kunnen vallen. In het licht van de interneutraliteit acht ik het niet wenselijk dat leegstand voor de toepassing van de bijzondere herzieningsregeling voor onroerende investeringsgoederen verschillend wordt behandeld naar gelang een lidstaat heeft gekozen voor de verwerving of vervaardiging van het onroerende investeringsgoed als beginpunt van de herzieningsperiode dan wel de ingebruikneming van het onroerende investeringsgoed. Het voorgaande betekent dat ik de keuze voor de aansluiting bij het voorgenomen gebruik gerechtvaardigd acht op grond van het beginsel van de fiscale neutraliteit. Er is naar mijn mening althans geen ‘leegstandsbenadering’ voorhanden die tot een beter resultaat leidt.10