Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/3.3.2.3
3.3.2.3 Uitoefening van andermans vordering
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS584826:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervóór nr. 83.
Zie hierna nr. 704-707.
Vgl. Perrick 2008. Zie voor pand, Zwalve 1983, p. 717.
Anders: Reehuis 1987, p. 248, die stelt dat de pandhouder de verpande vordering tot overdracht van het registergoed geheel niet kan innen, omdat het registergoed dan op zijn naam zou komen te staan, hetgeen in strijd is met het verbod van toe-eigening. Anders: Kortmann 2000, p. 139 e.v., die voor de curator verdedigt dat de curator (in eigen naam) partij bij de notariële akte is.
Zie over zaaksvervanging, Spath 2010.
Vgl. HR 9 januari 1998, NJ 1999,285, m.nt. WMK.
Zie M.v.T. Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 176.
Bij de inning van een verpande vordering tot overdracht van een registergoed betekent dat de schuldeiser met een pandrecht op de vordering na inning een hypotheekrecht op het registergoed verkrijgt. Zie Verdaas 2009a met verdere literatuurverwijzingen. Vgl. W.C.L. van der Grinten in zijn noot onder HR 22 juni 1984, NJ 1984,651 (Stichting Alliance); en H. Stein 1992, p. 234-235.
Zie HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196 (ProCall/Beatrix Ziekenhuis), m.nt. WMK; HR 23 september 1994, NJ 1996, 461 (Kasassociatie/Drying), m.nt. WMK; en HR 2 april1976, NJ 1976, 450 (Modehuis Nolly I), m.nt. WK; en HR 16 maart 1984, NJ 1984, 556 (Modehuis Nolly II).
Neemt de stille cedent desalniettemin betalingen in ontvangst in naam van de stille cessionaris, dan kan, maar behoeft hierin niet mededeling van de stille cessie besloten te liggen.
Zie HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196 (ProCall/Beatrix Ziekenhuis), m.nt. WMK; en HR 23 september 1994, NJ 1996,461 (Kasassociatie/Drying), m.nt. WMK.
Vgl. HR 16 maart 1984, NJ 1984,556 (Modehuis Nolly II). Zie hierna nr. 689 en 710.
Zie HR 2 april 1976, NJ 1976, 450 (Modehuis Nolly 1), m.nt. WK; en HR 16 maart 1984, NJ 1984, 556 (Modehuis Nolly II).
Zie hierna nr. 585 e.v.
Voor een geldige overdracht moet aan andere vereisten worden voldaan dan voor een bevrijdende betaling. Zie Van Opstall 1963, p. 77, l.k.; Bartels 2004, p. 11.
Zie Bartels 2004, p. 149-151. Bartels verwijst ook naar art. 4:187 BW. Vgl. Biemans 2008, par. 4. Vgl. voorts Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-1* 2008, nr. 229.
De bescherming van art. 3:94 lid 3 BW is dan niet nodig om tot een bevrijdende betaling te komen. Vgl. Reehuis 2004, nr. 87.
Vgl. Bartels 2004, p. 84 e.v.
Zie HR 16 maart 1984, NJ 1984,556 (Modehuis Nolly II). Vgl. art. 6:36 BW; en Bartels 2004, p. 149-151. Zie hierna nr. 689 en 709-710.
Zie T.M., Parl. Gesch. Boek 6, p. 164; en M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 6, p. 166.
Zie hiervóór nr. 59 en hierna nr. 587.
Vgl. Biemans 2008, par. 4.
Zie Biemans 2008, par. 4.4; vgl. Bartels 2004, p. 54-57. Het is verdedigbaar dat uit de rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris ook kan voortvloeien dat de stille cedent de goederen mag verkrijgen en dat op hem de verplichting tot doorlevering rust. Hiervoor dient een bijzondere aanwijzing te bestaan dat partijen dit beoogd hebben Rechtstreekse verkrijging door de stille cessionaris is het uitgangspunt.
90. Zoals gezegd zal uit de rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris in beginsel voortvloeien dat de stille cedent de opbrengst niet mag behouden.1 Ook bij de andere rechtsfiguren waarbij een derde bevoegd is om betalingen van andermans vordering in ontvangst te nemen, is de inningsbevoegde derde niet – geheel niet, niet volledig of niet zonder meer – gerechtigd tot de opbrengst. Ook int de inningsbevoegde derde de vordering (meestal) niet in zijn eigen belang, maar in het belang van een of andere personen. Bijvoorbeeld, bij het bewind, de beheersregeling bij gemeenschap en een 'gewone' volmachtverlening vindt de inning van de vordering plaats in het belang van de (gezamenlijke) rechthebbende(n). Bij faillissement, derdenbeslag en vereffening van nalatenschappen nemen de curator, de deurwaarder en de vereffenaar de betalingen in ontvangst ten behoeve van de (gezamenlijke) schuldeiser(s). Hieruit volgt steeds dat de inningsbevoegde derde de opbrengst niet mag behouden. Bij vruchtgebruik is de vruchtgebruiker als schuldeiser gerechtigd tot de opbrengst van de burgerlijke vruchten, zoals rentevorderingen (art. 3:216 jo 3:94 lid 4 BW). Daarvan is hij de schuldeiser. Maar is hij niet gerechtigd tot de opbrengst van de hoofdvordering. De pandhouder, ten slotte, is bevoegd om zich uit de opbrengst van de vordering te voldoen als de opbrengst uit geld bestaat en zijn vordering opeisbaar is (art. 3:255 BW). Hij mag echter niet meer behouden dan het aan hem verschuldigde bedrag waarvoor hij het pandrecht heeft; hij dient rekening te houden met beslagleggende schuldeisers en/of andere pandhouders; en een overschot dient hij aan de pandgever uit te keren (art. 3:253 lid 1 BW). Bestaat de opbrengst uit goederen, dan mag hij deze niet behouden (vgl. art. 3:235 BW).
91. Omdat de inningsbevoegde derde in de regel geheel niet, niet volledig of niet zonder meer gerechtigd is tot de opbrengst, rust op hem de verplichting om de vordering en het geïnde afgescheiden te houden van zijn vermogen.2 De inningsbevoegde derde kan in beginsel alleen aan deze verplichting voldoen door de vordering als onmiddellijk vertegenwoordiger van de schuldeiser te innen.3 Immers, int de derde de vordering in naam van de schuldeiser, dan wordt de schuldeiser op grond van onmiddellijke vertegenwoordiging de rechthebbende van het ontvangene en bewerkstelligt de derde dat het geïnde niet in zijn vermogen terechtkomt. Voor girale betalingen (categorie 1) is daarvoor vereist dat de inningsbevoegde derde de betalingen laat binnenkomen op een rekening die wordt aangehouden door de schuldeiser (of een bewaarder}.4 Bij de overdracht van goederen door bezitsverschaffing ( categorie 2) bestaat gelet op art. 3:110 BW wellicht niet de verplichting om de goederen in naam van de rechthebbende te ontvangen. Maar de inningsbevoegde derde dient wel maatregelen te treffen om oneigenlijke vermenging te voorkomen. Voor de overdracht van goederen waarbij de levering plaatsvindt door middel van een akte (categorie 3), dient de inningsbevoegde derde de naam van de schuldeiser in de akte te laten vermelden.5 Vindt de betaling plaats aan de schuldeiser van de vordering, dan bestaat voor de betaling en de overdracht een rechtsgrond respectievelijk een rechtsgeldige titel.
92. Wordt de schuldeiser door de inning in zijn naam de rechthebbende van de opbrengst, dan blijft de inningsbevoegde derde in de regel bevoegd ten aanzien van het geïnde op grond van substitutiebepalingen ('zaaksvervanging').6 Voor bewind volgt substitutie na inning van de vordering uit art. 1:433 lid 1 BW, art. 3.6.1.2 Ontw.BW en art. 4:154 BW; voor gemeenschap uit art. 3:167 BW; voor vruchtgebruik uit art. 3:213 lid 1 tweede zin, eerste zinsdeel BW;7 en voorpand uit art. 3:246 lid 5 BW. Voor derdenbeslag volgt het uit art. 477 lid 5 Rv;8 voor faillissement uit art. 20 Fw; voor de vereffening van nalatenschappen uit art. 3:167 BW jo art. 4:211 BW; en voor de executele uit art. 3:167 BW jo art. 4:144 BW. Bij de kwaliteitsrekening ontbreekt een substitutiebepaling, maar ligt inning van de vordering dan ook niet voor de hand. Bij pand en vruchtgebruik komt door de substitutie van rechtswege een beperkt recht op het geïnde te rusten;9 bij bewind komt daardoor het geïnde van rechtswege onder bewind te staan; en bij beslag komt daardoor op het geïnde van rechtswege een beslag te rusten.
De substitutiebepalingen zorgen ervoor dat de derde van rechtswege zijn bevoegdheden behoudt ten aanzien van het geïnde. Dit kan alleen gebeuren als de schuldeiser de rechthebbende van het ontvangene wordt. Daarvoor is vereist dat de inningsbevoegde derde de betaling in naam van de schuldeiser in on tv angst neemt. De substitutiebepalingen bewerkstelligen niet dat als de inningsbevoegde derde de betaling in eigen naam in ontvangst neemt, de schuldeiser van de vordering daardoor alsnog de rechthebbende van het ontvangene wordt. Een andere opvatting zou in strijd zijn met de hiervoor genoemde arresten ProCall/Beatrixziekenhuis, Kasassociatie/Drying en Modehuis Nolly.10
93. Het voorgaande roept de vraag op wat gebeurt als de stille cedent als inningsbevoegde derde in eigen naam de betaling in ontvangst neemt. Bij de stille cessie dient te worden aangenomen dat als de stille cedent bevoegd is om betalingen in ontvangst te nemen, hij bevoegd is om de betalingen in eigen naam in ontvangst te nemen. Het zou zich immers slecht met het karakter van de stille cessie verhouden als de stille cedent in naam van de stille cessionaris betalingen in ontvangst zou nemen, dus als hij verplicht zou zijn om als onmiddellijk vertegenwoordiger van de stille cessionaris te handelen.11 De stille cessionaris zal derhalve in beginsel toestemmen met de inning in eigen naam door de stille cedent, óók als deze daardoor de rechthebbende wordt van het geïnde. De stille cessie verschilt in dit opzicht van de andere, hiervoor genoemde rechtsfiguren, waarbij op de inningsbevoegde derde de verplichting rust om de betalingen in naam van de schuldeiser in ontvangst te nemen.
94. Als de stille cedent in zijn verhouding tot de stille cessionaris bevoegd is om een betaling in eigen naam in ontvangst te nemen, is het de vraag of de levering van een goed of (meer algemeen) een betaling aan de stille cedent, die niet meer de schuldeiser van de vordering is, een rechtsgeldige overdracht van dat goed bewerkstelligt respectievelijk een verschuldigde betaling is. Het is in het bijzonder de vraag of voor de betaling een rechtsgrond en/of een geldige titel bestaat.
Gaat het om girale betalingen die binnenkomen op een rekening die wordt aangehouden van de stille cedent, dan wordt de stille cedent daarvan de rechthebbende.12 De girale betaling is een abstracte rechtshandeling. Een rechtsgeldige titel is geen vereiste voor de rechtsgeldigheid van de betaling. Er is sprake van een rechtsgeldige betaling. Dat goederenrechtelijk sprake is van een rechtsgeldige betaling impliceert echter niet dat ook verbintenisrechtelijk sprake is van een verschuldigde betaling aan de stille cedent. Op dit aspect wordt hieronder ingegaan. Op de stille cedent rust uit hoofde van de lastgeving de verbintenis om het ontvangene door te betalen aan de stille cessionaris.13
95. Gaat het om de voldoening van een vordering betreffende de overdracht van een goed dat geleverd wordt door middel van een akte waarin de naam van de verkrijger moet worden vermeld, zoals een registergoed, een intellectueel eigendomsrecht en een vordering op naam, dan wordt de stille cessionaris door de overdracht geen rechthebbende. Zíjn naam wordt niet in de akte vermeld, hetgeen verkrijging door hem in de weg staat.14 Het is de vraag of de stille cedent de rechthebbende wordt. Door de overgang van de vordering bestaat goederenrechtelijk geen rechtsgeldige titel voor de overdracht van het goed van de schuldenaar aan de stille cedent (art. 3:84 lid 1 BW). Dit levert een discrepantie op met de verbintenisrechtelijke uitkomst. Op grand van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW is de betaling van de schuldenaar aan de stille cedent namelijk als een bevrijdende betaling aan te merken.15 Op grand van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW kan de overgang van de vordering niet aan hem worden tegengeworpen, dan na mededeling door de stille cedent of de stille cessionaris. Op grand van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW kan derhalve ook het daaruit voortvloeiende gebrek in de titel van overdracht niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen. In het bijzonder kan de stille cessionaris niet aan de schuldenaar tegenwerpen dat de schuldenaar onverschuldigd aan de stille cedent heeft betaald (art. 6:203 BW) en nogmaals van hem betaling verlangen. Deze redenering gaat ook op voor de girale betaling.
Bartels heeft verdedigd dat als verbintenisrechtelijk gezien sprake is van een bevrijdende betaling, ook goederenrechtelijk gezien een rechtsgeldige overdracht aangenomen dient te worden.16 In een geval waarin bevrijdend wordt betaald aan een derde die andermans vordering in eigen naam int (art. 6:34 BW), wordt volgens hem het gebrek aan een geldige titel van overdracht gesauveerd door de bevrijdende betaling.17 Hetzelfde is goed verdedigbaar voor de stille cessie. Daarbij past echter de volgende kanttekening. De stille cessie verschilt van de gevallen waarop art. 6:34 BW ziet. Bij een bevrijdende betaling op grond van art. 6:34 BW is altijd sprake van een betaling aan een inningsonbevoegde. Bij de stille cessie is dat niet steeds het geval. Is de stille cedent inningsonbevoegd, dan kan dit niet aan de schuldenaar worden tegengeworpen op grond van de tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW en is sprake van een bevrijdende betaling. In de regel zal bij een stille cessie echter aan een krachtens lastgeving inningsbevoegde stille cedent worden betaald.18 Gaat het om een privatieve lastgeving (art. 7:423 BW), dan is zelfs alleen de stille cedent bevoegd om betalingen in ontvangst te nemen.
In het geval dat de stille cedent inningsonbevoegd is, leent de zienswijze van Bartels zich voor overeenkomstige toepassing. De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW vervult in dit geval een vergelijkbare functie als art. 6:34 BW. In het geval dat de stille cedent echter krachtens lastgeving inningsbevoegd is om in eigen naam betalingen in ontvangst te nemen, en hij daarbij jegens de stille cessionaris niet gehouden is om het geïnde afgescheiden te houden van zijn vermogen, maar alleen verplicht is tot doorbetaling of doorlevering, is m.i. goed verdedigbaar dat in de verhouding tussen de schuldenaar en de stille cedent sprake is van een geldige, samengestelde titel van overdracht.19 De samengestelde titel bestaat uit de stil gecedeerde vordering tot overdracht (de rechtsverhouding tussen de schuldenaar en de stille cessionaris) en de lastgeving aan de stille cedent om het goed in eigen naam te verkrijgen (de rechtsverhouding tussen de stille cedent en de stille cessionaris).
In beide gevallen wordt de stille cedent door de overdracht de rechthebbende van de goederen. Op de stille cedent rust de verplichting uit hoofde van de lastgeving om de door hem verkregen goederen door te leveren aan de stille cessionaris.20
De tweede zin van art. 3:94 lid 3 BW dient ter bescherming van de schuldenaar. Bij art. 6:34 BW heeft de schuldenaar de keuze om zich op deze beschermingsbepaling te beroepen of van de bescherming af te zien. Hij kan zich erop beroepen dat hij bevrijdend heeft betaald aan de pseudo-schuldeiser of hij kan het betaalde als onverschuldigd terugvorderen.21 Hij dient dan nogmaals aan zijn werkelijke schuldeiser te betalen. Bij de stille cessie is hetzelfde m.i. goed verdedigbaar als de schuldenaar aan een inningsonbevoegde stille cedent heeft betaald.22 Heeft de schuldenaar aan een inningsbevoegde stille cedent betaald, dan is sprake van een rechtsgeldige overdracht en kan de schuldenaar het betaalde niet als onverschuldigd betaald terugvorderen.
96. Gaat het om goederen die door bezitsverschaffing worden geleverd, zoals roerende zaken niet-registergoederen, order- en toonderstukken en chartaal geld, dan wordt de stille cessionaris op grond van art. 3:110 BW de rechthebbende van deze goederen en de stille cedent de houder daarvan.23 Bij lastgeving, en dus in beginsel bij stille cessie, is sprake van een rechtsverhouding zoals bedoeld in art. 3:110 BW.24 Omdat de stille cessionaris de goederen rechtstreeks verkrijgt, bestaat voor de overdracht van het goed door de schuldenaar aan de schuldeiser van de vordering (de stille cessionaris) een rechtsgeldige titel. De regeling van de stille cessie kent geen substitutiebepaling; ook de regeling van lastgeving kent geen substitutiebepaling. Uit de inhoud van de lastgeving zal in beginsel voortvloeien dat de stille cedent als lasthebber bevoegd is ten aanzien van deze goederen. Op de stille cedent rust uit hoofde van de lastgeving de verplichting om de goederen waarvan de stille cessionaris de rechthebbende is geworden, aan deze af te geven.