Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/12.4.4
12.4.4 Aansprakelijkheid in verband met overeenkomst tussen vennootschap en derde (leer van de ‘quasi-immuniteit’).
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS347339:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof van Cassatie 20 juni 2005, TBH 2005/892 m.nt. H. de Wulf en TBH 2006, 418 m.nt. A. Coibon, DAOR 2005, 340.
Braekmans & Houben 2012, p. 346. In een arrest van 7 november 1997 van het Hof van Cassatie (TRV 1998, 284 e.v.) achtte het Hof van Cassatie de leer van de ‘quasi-immuniteit’ van de uitvoeringsagent van toepassing op de bestuurders van vennootschappen.
Geens e.a. 2012, p. 310.
Vgl. de schending van de Beklamelnorm.
Hetgeen ook in een Beklamelgeval aan de bestuurder zou kunnen worden verweten.
P. Ernst, ‘Actualia Vennootschapsrecht: Bestuurdersaansprakelijkheid, Recente evoluties’, CBR Jaarboek 2013-2014, Centrum voor Beroepsvervolmaking in de Rechten, Antwerpen-Cambridge: Intersentia 2013, p. 101.
Hof van beroep Gent 13 februari 2012, DAOR 2012, 102, p. 206-210.
Braekmans & Houben 2012, p. 345-346.
Geens e.a. 2012, p. 310.
In België wordt nadruk gelegd op het feit dat de bestuurder in beginsel niet aansprakelijk is voor schade als gevolg van de tekortkoming door de vennootschap voor verplichtingen uit hoofde van een overeenkomst met een derde. De derde die een bestuurder wenst aan te spreken, kan zich dus ook niet beroepen op die tekortkoming zelf. In eerdergenoemd arrest van het Hof van Cassatie uit 2005 is in dit verband overwogen:1
“Bij wanuitvoering van een contractuele verbintenis die tevens een miskenning uitmaakt van de algemene verplichting van voorzichtigheid, die iedereen dient na te leven (artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek), kunnen de derden die schade hebben geleden door die miskenning van de algemene verplichting van voorzichtigheid, zich trouwens niet rechtstreeks beroepen op de wanuitvoering van de contractuele verbintenis.”
Ook hier is dit mijns inziens een vanzelfsprekend gevolg van rechtspersoonlijkheid. Terwijl in Delaware een wettelijke bepaling eraan is gewijd, is in België een leerstuk eraan gewijd, namelijk het leerstuk van de zogenoemde ‘quasi-immuniteit’:
“Quasi-immuniteit impliceert dat bestuurders bij de (foutieve) uitvoering van contractuele verbintenissen van de vennootschap in beginsel niet aansprakelijk kunnen worden gesteld door de personen met wie de vennootschap contracteert. Bestuurders zullen alleen kunnen worden aangesproken wanneer de ten laste gelegde fout ook een inbreuk uitmaakt op de algemene zorgvuldigheidsplicht die op elk normaal en zorgvuldig bestuurder rust en de gevorderde schade anders is dan die welke voortvloeit uit de contractuele wanprestatie.”2
Net als in Delaware (en in Nederland) kan een bestuurder echter wel aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad in verband met een toerekenbare tekortkoming van de vennootschap onder die overeenkomst. Ten eerste geldt in dit verband dat het leerstuk van ‘quasi-immuniteit’ niet van toepassing is op de zogenoemde ‘precontractuele aansprakelijkheid’.3 Het “aangaan van verbintenissen in naam van de vennootschap, terwijl de bestuurders wisten of redelijkerwijze behoorden te weten dat deze door de vennootschap niet konden nagekomen worden”4 en de “misleiding van de medecontractant over de financiële toestand van de vennootschap”,5 vormen in België daarom een (gewone) onrechtmatige daad.6 Het Hof van beroep te Gent verwoorde dit in 2012 – deels onder verwijzing naar eerdergenoemd arrest van het Hof van Cassatie uit 2005 – als volgt:7
“De fout die het orgaan van een vennootschap begaat bij de besprekingen die tot een overeenkomst met een derde hebben geleid, brengt rechtstreeks de verbintenissen en de aansprakelijkheid van de vertegenwoordigde rechtspersoon in het gedrang, maar dit sluit de persoonlijke aansprakelijkheid van het orgaan niet uit. In geval van een precontractuele fout van een orgaan vaneen vennootschap, die een schending uitmaakt van de algemene zorgvuldigheidsplicht, bestaat diens aansprakelijkheid jegens derden naast de aansprakelijkheid van de vennootschap. De leer van de quasi-immuniteit van de uitvoeringsagent vormt geen hinderpaal voor de precontractuele aansprakelijkheid van de bestuurder n.a.v. overeenkomsten die hij heeft gesloten in naam van de vennootschap. De persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder kan in het gedrang komen wanneer hij derden heeft misleid inzake de financiële toestand van de vennootschap. Tussen de onderhandelende partijen bestaat een bijzondere zorgvuldigheidsplicht, die zich voornamelijk uit in een informatieplicht omtrent alle essentiële gegevens die de medecontractant nodig heeft om zijn/haar contractpositie juist in te schatten. Een schending daarvan leidt tot de verplichting om conform artikel 1382 BW de aan de medecontractant berokkende schade te vergoeden.”
Ten tweede geldt een weerlegbaar vermoeden dat de ontstane schade van buitencontractuele aard is wanneer de door de bestuurder begane fout, waardoor de vennootschap haar contractuele verplichtingen niet nakomt, ook een misdrijf oplevert. Braeckmans en Houben8 merken daarbij op dat er “toch wel talrijke” gevallen zijn waarin de fout ook een misdrijf oplevert. Geens en anderen auteurs merken op dat een bestuurder “in de meeste gevallen” alleen, maar buitencontractueel kan worden aangesproken (dus op grond van onrechtmatige daad) wanneer hij een misdrijf heeft gepleegd.9 Met “meeste gevallen” lijken zij te suggereren dat ook gevallen denkbaar zijn waarbij dit mogelijk is zonder dat een misdrijf is gepleegd, maar zeker is dat niet.
Tot slot geldt vanzelfsprekend dat wanneer de niet-nakoming door de vennootschap van haar verplichtingen een gevolg is van de schending door de bestuurder van het WvV, de statuten of de hiervoor bedoelde burgerrechtelijke algemene zorgvuldigheidsnorm’, dit een zelfstandige grond voor aansprakelijkheid blijft opleveren.