Vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592; HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008, 591.
HR, 02-11-2010, nr. 00479/07 Hs
ECLI:NL:HR:2010:BM6650
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
02-11-2010
- Zaaknummer
00479/07 Hs
- Conclusie
Mr. Fokkens
- LJN
BM6650
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2010:BM6650, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 02‑11‑2010; (Herziening)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2010:BM6650
ECLI:NL:PHR:2010:BM6650, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑06‑2010
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2010:BM6650
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑11‑2010
Inhoudsindicatie
Herziening geurproef. Gedeeltelijke gegrondverklaring aanvrage.
2 november 2010
Strafkamer
nr. 00479/07 Hs
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van twee in kracht van gewijsde gegane arresten van het Gerechtshof te Arnhem van 7 februari 2006, nummers 21/004005-05 respectievelijk 21/005039-05, ingediend door mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's-Hertogenbosch, namens:
[Aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, domicilie kiezende ten kantore van zijn raadsman.
1. De uitspraken waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep in de zaak met parketnummer 21/004005-05 - met vernietiging van een vonnis van Rechtbank te Zutphen van 3 augustus 2005 - de aanvrager ter zake van 1. "diefstal", 2. "oplichting", 3. "medeplegen van oplichting", 4. "medeplegen van oplichting; meermalen gepleegd" en 5. "diefstal door twee of meer verenigde personen", veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren. In de zaak met parketnummer 21/005039-05 heeft het Hof de aanvrager de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2.054,-.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat zijn strafzaak destijds niet zou hebben geleid tot een veroordeling ter zake van genoemde feiten, indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en de wijze van uitvoering van de geuridentificatieproef.
3. De conclusie van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, doch uitsluitend voor zover zij betrekking heeft op het onder 5 bewezenverklaarde feit, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het in de strafzaak gewezen arrest zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan, en de aanvrage voor het overige ongegrond zal verklaren.
4. Achtergrond van de aanvrage
Aan de aanvrage is gehecht een brief van 2 januari 2007 van het Arrondissementsparket Zutphen gericht aan de aanvrager. In deze brief is de aanvrager een mededeling gedaan omtrent mogelijk onjuist uitgevoerde geuridentificatieproeven in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland. In deze periode zou de speurhondengeleider tijdens het afnemen van de geuridentificatieproef regelmatig, in afwijking van het vastgestelde protocol, vooraf op de hoogte zijn geweest van de sorteervolgorde van de geurbuisjes. Volgens het openbaar ministerie zou ook in de zaak van de aanvrager gebruik zijn gemaakt van een dergelijke geuridentificatieproef. De onderhavige aanvrage is naar aanleiding van deze mededeling ingediend.
5. Aan de beoordeling van de aanvrage voorafgaande beschouwing
5.1. De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek - behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel - moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent, hetgeen met zich brengt dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat aldus moet worden aangenomen dat het resultaat van de geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC8789, NJ 2008/591).
5.2. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat onder een "minder zware strafbepaling" in de zin van art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. Daaronder wordt niet verstaan de oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie.
5.3. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van het desbetreffende tenlastegelegde feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef de feitenrechter op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager terzake zou hebben vrijgesproken. In dat geval is derhalve sprake van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv.
6. Beoordeling van de aanvrage
6.1. Het Hof heeft in de strafzaak overeenkomstig art. 365a, eerste lid, Sv volstaan met het opmaken van een verkort arrest. Een aanvulling als bedoeld in het tweede lid van art. 365a Sv op dat arrest ontbreekt. Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft kan ten aanzien van het bewijs van de tenlastegelegde feiten het volgende worden afgeleid.
6.2. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat in het kader van het onderzoek naar de onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten geen geuridentificatieproef heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het hiervoor onder 5.3 bedoelde geval zich ten aanzien van deze feiten niet voordoet, zodat in zoverre geen sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van die feiten zou hebben vrijgesproken. De aanvrage is in zoverre ongegrond.
6.3. Ten laste van de aanvrager is in de strafzaak bij het arrest waarvan herziening wordt gevraagd onder 5 bewezenverklaard dat:
"hij op 12 juli 2004 in de gemeente Zutphen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van 4500 euro, toebehorende aan [betrokkene 1]."
6.4. Ten aanzien van het bewijs van dit feit kan uit de stukken worden afgeleid hetgeen in de conclusie van de Procureur-Generaal onder 8 is weergegeven.
6.5. Met betrekking tot het bewijs van dit feit zijn de resultaten gebezigd van de geuridentificatieproef. Aannemelijk is dat het Hof in het bijzonder aan het desbetreffende resultaat van de onregelmatige geuridentificatieproef heeft ontleend dat de aanvrager in verband moet worden gebracht met dit strafbare feit. In het onderhavige geval moet het daarom ervoor worden gehouden dat het Hof zonder de uitkomst van deze geuridentificatieproef uit het beschikbare andere bewijsmateriaal niet met voldoende mate van aannemelijkheid zou hebben afgeleid dat de aanvrager de persoon is die het onder 5 tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zodat in zoverre sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager daarvan zou hebben vrijgesproken.
6.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv, zodat de aanvrage, voor zover zij betrekking heeft op het onder 5 bewezenverklaarde feit, gegrond is en als volgt moet worden beslist.
7. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart de aanvrage tot herziening gegrond, doch uitsluitend voor zover zij betrekking heeft op het in de strafzaak onder 5 bewezenverklaarde feit;
beveelt voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 7 februari 2006 met parketnummer 21/004005-05;
verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de strafzaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv in zoverre opnieuw zal worden behandeld en afgedaan teneinde hetzij het gewijsde te handhaven, hetzij met vernietiging daarvan recht te doen en daarbij mede voor de overige feiten op de voet van art. 476, tweede lid, Sv de straf te bepalen;
verklaart de aanvrage tot herziening voor het overige ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 2 november 2010.
Conclusie 01‑06‑2010
Mr. Fokkens
Partij(en)
Conclusie inzake:
[Aanvrager]
1.
Het Hof te Arnhem heeft aanvrager bij onherroepelijke uitspraak van 7 februari 2006 wegens 1 primair ‘diefstal’, 2 subsidiair ‘oplichting’, 3 subsidiair ‘medeplegen van oplichting’, 4 subsidiair ‘medeplegen van oplichting; meermalen gepleegd’ en 5 primair ‘diefstal door twee of meer verenigde personen’, veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren.
2.
De herzieningsaanvrage is namens aanvrager ingediend door mr. A.S. van der Biezen, advocaat te 's‑Hertogenbosch.
3.
De aanvrage steunt op de stelling dat het onderzoek van de zaak niet zou hebben geleid tot de veroordeling van aanvrager indien de rechter bekend zou zijn geweest met de omstandigheid dat sprake is van gerede twijfel aan de betrouwbaarheid en wijze van uitvoering van een in deze zaak uitgevoerde geuridentificatieproef.
4.
Voor het bewijs van deze stelling is bij de aanvrage een brief gevoegd van het Arrondissementsparket te Zutphen van 2 januari 2007, inhoudende —kort gezegd— dat uit intern onderzoek is gebleken dat bij de geuridentificatieproeven die in de periode september 1997 tot en met maart 2006 zijn afgenomen door de geurhondendienst van Noord- en Oost-Gelderland, regelmatig niet conform het vastgestelde protocol is gewerkt. Daardoor zouden de resultaten ervan onvoldoende betrouwbaar zijn om in een strafzaak als bewijs te kunnen gebruiken. Verder staat in die brief dat ook in aanvragers zaak een dergelijke proef heeft plaatsgevonden en dat derhalve een herzieningsprocedure mogelijk is.
5.
De Hoge Raad heeft verschillende keren beslist op vergelijkbare herzieningsaanvragen.1. De Hoge Raad gaat er daarbij van uit dat in de gevallen waarin in de periode van september 1997 tot en met maart 2006 een geuridentificatieproef door de geurhondendienst Noord- en Oost-Gelderland in de desbetreffende strafzaak is uitgevoerd, dit onderzoek — behoudens concrete aanwijzingen van het tegendeel — moet worden geacht te hebben plaatsgevonden in strijd met het voorschrift dat de hondengeleider de volgorde van de geurdragers niet kent. Dit brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat het resultaat van die geuridentificatieproef in die gevallen niet als voldoende betrouwbaar kan gelden en dat daarom moet worden aangenomen dat het resultaat van die geuridentificatieproef niet zou zijn gebruikt voor het bewijs indien de rechter met de opgetreden onregelmatigheid bekend was geweest. Ingeval het resultaat van een onregelmatige geuridentificatieproef voor het bewijs van een tenlastegelegd feit is gebezigd en het niet aannemelijk is dat de feitenrechter zonder deze uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare bewijsmateriaal tot een bewezenverklaring zou zijn gekomen, levert dat een ernstig vermoeden op dat de rechter de aanvrager ter zake zou hebben vrijgesproken.
6.
Het Hof heeft volstaan met een verkort arrest. Voorts bevinden zich bij de aan de Hoge Raad ter beschikking staande stukken naast het verkort vonnis de aanvulling verkort vonnis van de Rechtbank en het proces-verbaal van de terechtzitting van de Rechtbank. Het voorgaande brengt mee dat, nu geen arrest voorhanden is waarin de bewijsvoering van het Hof is opgenomen, het gestelde novum moet worden bezien in het licht van het in het dossier aanwezige, tijdens het voorbereidend onderzoek vergaarde, bewijsmateriaal en aan de hand daarvan moet worden beoordeeld of het novum een ernstig vermoeden oplevert dat het Hof, ware het daarmee bekend geweest, aanvrager zou hebben vrijgesproken.
7.
Uit het dossier kan worden opgemaakt dat geen geuridentificatieproef heeft plaatsgevonden ten aanzien van de onder 1 primair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde feiten. Dit betekent dat het hiervoor onder 5 bedoelde geval zich in deze zaken niet voordoet, zodat geen sprake is van een ernstig vermoeden dat het Hof de aanvrager van die tenlastegelegde feiten zou hebben vrijgesproken. Gelet daarop meen ik dat de aanvraag in zoverre ongegrond is.
8.
Uit de stukken van het dossier waarover de Hoge Raad de beschikking heeft, kan ten aanzien van het bewijs van het onder 5 primair tenlastegelegde — zakelijk weergegeven — het volgende worden afgeleid:
- a.
Op maandag 12 juli 2004 tussen 11.45 uur en 13.15 uur heeft er een diefstal plaatsgevonden bij [betrokkene 1] wonende aan de [a-straat 1] te [plaats]. Zij heeft hiervan aangifte gedaan. Er kwamen bij haar twee mannen aan de deur die zich voordeden als controleurs van de waterleiding, zij stelden dat deze vervangen moest worden. Aangeefster heeft daarop een enveloppe met ongeveer vijfduizend euro gepakt en wilde een van de mannen betalen met vier biljetten van vijfhonderd euro. Toen dit volgens de man niet genoeg was, is aangeefster met hem naar de Postbank gegaan en heeft zij de tweeduizend euro op tafel laten liggen. Toen aangeefster weer thuis kwam was dit geld en de enveloppe met het overige deel van het geld weggenomen;2.
- b.
Met behulp van geurdoeken zijn geurmonsters genomen van de stoel waar een van de mannen op heeft gezeten.3. De geuridentificatieproef had ten aanzien van aanvrager een positief resultaat.4.
9.
Behoudens de positieve geuridentificatieproef houdt het dossier geen bewijsmateriaal in, waaruit kan volgen dat aanvrager daadwerkelijk bij de diefstal op 12 juli 2004 in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] betrokken is geweest. Daaruit volgt dat niet aannemelijk is dat het Hof zonder de uitkomst van de geuridentificatieproef op grond van het beschikbare materiaal tot een bewezenverklaring van feit 5 primair zou zijn gekomen.
Daarom is sprake van het ernstige vermoeden dat het Hof, ware het op de hoogte geweest van de omstandigheid dat ten aanzien van de geurproef ervan moet worden uitgegaan dat deze niet op deugdelijke wijze is uitgevoerd, tot een vrijspraak van het onder 5 primair tenlastegelegde zou zijn gekomen (vgl. HR 22 april 2008, LJN BC9637, NJ 2008, 592, rov. 5.3.2).
10.
Het voorgaande brengt mee dat de aanvrage voor wat betreft feit 5 primair gegrond is. Dit betekent, gelet op art. 476, tweede lid, Sv, dat, mocht het Hof met vernietiging van het arrest van het Hof tot een vrijspraak komen van hetgeen onder 5 primair is tenlastegelegd, het voor de overige feiten de daarvoor in aanmerking komende straf zal hebben te bepalen.
11.
De aanvrage wijst op de met Hofs arrest van 7 februari 2006 samenhangende ontnemingszaak5. waarin aanvrager is verplicht tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 2054,-- (tweeduizend vierenvijftig euro). Volledigheidshalve merk ik op dat de oplegging van een ontnemingsmaatregel niet aan te merken is als een veroordeling in de zin van artikel 457, eerste lid6. en verder dat het Hof in het arrest in de ontnemingszaak het door feit 5 behaalde voordeel heeft begroot op nihil.
12.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag tot herziening voor zover betrekking hebbend op het onder 5 bewezenverklaarde feit gegrond zal verklaren, voor zover nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis van het Hof zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch, opdat de zaak op de voet van het bepaalde in art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan en de aanvraag voor het overige ongegrond zal verklaren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑06‑2010
Zie het proces-verbaal van aangifte, doorgenummerde dossierpagina's 14–16.
Zie het proces-verbaal stand van zaken, doorgenummerde dossierpagina 8.
Zie het proces-verbaal geuridentificatieproef, doorgenummerde dossierpagina's 30–33.
Hof Arnhem 7 februari 2006, parketnummer 21-005039-05.
Vgl. HR 4 januari 2005, LJN AR8661, NJ 2006, 159.