Einde inhoudsopgave
Derdenbeslag (BPP nr. I) 2003/3.7.6.1
3.7.6.1 Roerende zaken die geen registergoederen zijn
Mr. L.P. Broekveldt, datum 31-03-2003
- Datum
31-03-2003
- Auteur
Mr. L.P. Broekveldt
- JCDI
JCDI:ADS401598:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie aldus Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 155-156; zie ook Kluwer Rv (Stein/Van Mierlo), aant. 11 bij art. 475; SteinfRueb, Compendium, 2002, p. 337-338; HugenholtzfHeemskerk, Hoofdlijnen, 2002, nr. 221.
Zie in dit verband ook art. 461d jo. art. 444; en voor het oude recht HR 4 mei 1951, NJ 1951, 525 (OelenITe Pas): wanneer de 'derde' geen bezwaren maakt, kan ook op de voet van art. 439 e.v. onder of bij hem beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn worden gelegd en vervolgd.
Daarbij valt bijv. te denken aan te velde staande vruchten en gewassen die, zodra zij door de derde-beslagene zijn geoogst, moeten worden geleverd aan de beslagdebiteur, zulks ingevolge een teeltovereenkomst die ten tijde van de beslaglegging reeds bestond.
Zie daarover A.W. jongbloed, Reële executie in het privaatrecht (diss. Nijmegen), 1987, p. 325 e.v.; zie ook HR 9 november 1990, NJ 1992, 212 (Nahar/Cornes), m.nt. WMK, waarin voor het oude recht deze mogelijkheid werd afgewezen; G. Parser (preadvies NJV, 1932, p. 12-14) had ook reeds voor deze mogelijkheid gepleit.
Zie ook Part Gesch. Wijz. Rv, p. 210 (Algemeen, onder 2).
Zie ook Part Gesch. Wijz. Rv, p. 210 (Algemeen, onder 2).
Zie daarvoor Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 153 (onder a).
Zie daarvoor Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 155-156, en de in noot 374 genoemde schrijvers.
Zie daarover P.A. Stein, 'Van verhaalsbeslag en reëel beslag', in: Stein-bundel, 1994, p. 26 e.v.; Oudelaar, Recht halen, 2000, § 88, p. 107.
Ook Van Oven (Vademecum Executie en Beslag, 2001, § 8.1.2) lijkt daarop het oog te hebben; zie hierover ook § 3.2 (nr. 39); zie in dit verband ook Hof Leeuwarden 18 december 1996, NJ 1998, 215, waarin een beslag tot afgifte van diamanten, die zich in een door de derde-beslagene verhuurde kluis bevonden, niet als een derdenbeslag in de zin van art. 475 lid 1 werd beschouwd.
Zie daarover Kluwer Rv (Stein/Van Mierlo), aant. 10 bij art. 475, en Mon. Nieuw BW A13 (H. Stein), 1990, nr. 25, p. 59-60, die het in beginsel wel mogelijk acht.
Uitdrukkelijke goedkeuring door de beslaglegger van de afgelegde Verklaring is, anders dan onder het oude recht (art. 744), niet meer vereist. De beslaglegger die dat toch doet, kan zelfs zijn recht verspelen de Verklaring alsnog in rechte te mogen betwisten (vgl. ParL Gesch. Wijz. Rv, p. 178).
Zie ook ParL Gesch. Wijz. Rv, p. 175.
Zie aldus Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 196 (onder 4).
De vordering ter zake van dit overschot is uiteraard ook weer vatbaar voor beslag, maar dát beslag zal dan gelegd moeten worden ten laste van de voormalige beslagdebiteur en onder de deurwaarder die het overschot nog onder zich heeft (vgl. Parl. Gesch. Wijz. Rv, p. 197).
Zie daarover verder § 73.7.
Het wettelijk systeem
100. Een gelegd derdenbeslag omvat van rechtswege - dus óók wanneer daarvan niet expliciet melding is gemaakt in het beslagexploot - de roerende zaken die ingevolge art. 475 lid 1,
'onder derden mochten berusten en geen registergoederen zijn.'
Blijkens het tweede lid van art. 3:3 zijn roerend 'alle zaken die niet onroerend zijn', terwijl volgens art. 3:10 onder registergoederen worden verstaan de 'goederen voor welker overdracht of vestiging inschrijving in daartoe bestemde openbare registers noodzakelijk is'. De meest voorkomende registergoederen zijn onroerende zaken en schepen. Wanneer echter een zeeschip (art. 8:199) of een binnenschip (art. 8:790) niet in het daartoe bestemde register te boek is gesteld, geldt het als een roerende zaak niet zijnde een registergoed, en kan het dus ook onder een derdenbeslag vallen. Door dit beslag worden alleen die roerende zaken getroffen die aan de beslagdebiteur 'toebehoren': zij moeten dus in beginsel eigendom zijn van de beslagdebiteur. Onder het oude recht was dit blijkens art. 475 lid 1 ('op goederen van hem, welke onder derden mochten berusten') niet anders. In de MvT lnv. bij art. 475 lid 1 heeft de wetgever dit nog als volgt verduidelijkt1:
'Hier is geen sprake van een beslag op een vordering, maar van een beslag rechtstreeks op deze zaken zelf. Gedacht moet worden aan het geval dat niet de derde, maar de geëxecuteerde daarvan de eigenaar is.'
Dit laatste volgt ook uit het bepaalde in art. 475a lid 3 waarin is aangegeven, welke 'vorderingen' uitdrukkelijk in het beslagexploot omschreven moeten worden, willen zij onder het beslag vallen. In deze bepaling spreekt de wetgever echter ook
'levering van roerende zaken die geen registergoederen zijn.'
Nu het in het eerste lid van art. 475 uitsluitend gaat om een rechtstreeks beslag op roerende zaken die aan de beslagdebiteur toebehoren, met dien verstande dat deze zich alleen onder een derde bevinden2 (bijv. de auto bij de garagehouder), had de wetgever in art. 475a lid 3 wellicht beter het meer neutrale begrip afgifte kunnen bezigen, zoals in de parlementaire geschiedenis ook meestal is gedaan. Hoe dit ook zij, deze vorderingen, die strekken tot afgifte van de in beslag genomen roerende zaken, behoeven dus niet uitdrukkelijk in het beslagexploot te worden omschreven.
Beslag op vordering tot levering
101. Het voorgaande betekent overigens niet dat een schuldeiser niet ook tot verhaal van een geldvordering derdenbeslag kan leggen op een aan zijn schuldenaar toekomende - eventueel zelfs nog toekomstige3 - vordering tot levering van een roerende zaak niet zijnde een registergoed. De mogelijkheid van reële executie door het leggen van beslag tot afgifte of levering van zo'n zaak - welke mogelijkheid onder het oude recht niet bestond4 - is geregeld in de art. 491-500 (executoriaal beslag) en de art. 730-736 (conservatoir beslag).5 Voor het geval de te leveren roerende zaak zich onder een derde bevindt, bepaalt art. 500 dat er dan
'ook derdenbeslag gelegd (kan) worden.'
In verband daarmee schrijft art. 500 het volgende voor:
'De artikelen 475-479 zijn van overeenkomstige toepassing. Het exploit van beslaglegging houdt in om de afgifte van welke zaak of zaken het gaat. De verklaring van de derde, als bedoeld in artikel 476a, betreft uitsluitend deze zaak of zaken.'
Bij deze regeling van beslag tot afgifte dient echter goed in het oog te worden gehouden, dat het hier de schuldenaar (B) is die rechtens gehouden is de zaak aan de schuldeiser/beslaglegger (A) te leveren, met dien verstande dat die zaak zich alleen onder een derde (C) bevindt die hem voor (B) houdt. De art. 491-500 zijn dus niet rechtstreeks van toepassing op het hier aan de orde zijnde verhaals-derdenbeslag.
Niettemin zou men bij wijze van analogie het bepaalde in art. 500, wanneer het gaat om beslag op een vordering tot levering van een roerende zaak die geen registergoed is, als complement van art. 475a lid 3 - waarin het met name gaat om beslag op een vordering tot levering van een goed op naam (zie hierna § 3.7.7.) - kunnen aanmerken. Hierbij dient voorts ook nog te worden bedacht dat eigendom van roerende zaken ingevolge art. 3:90 lid 1 in beginsel wordt verschaft door feitelijke overdracht - hier dan 'afgifte' - van die zaken.6 De parlementaire geschiedenis met betrekking tot het leggen van beslag op een vordering tot levering van een roerende zaak tot verhaal van een geldvordering, is echter niet helemaal duidelijk. Zo zou uit de Inleiding7 bij de wettelijke regeling van executoriaal derdenbeslag kunnen worden afgeleid, dat onder de in art. 475 lid 1 genoemde 'vorderingen' óók de hier besproken vordering tot levering van een roerende zaak valt. Uit de MvT Mv bij art. 475 lid 18 en de tekst van art. 475a lid 3 lijkt dat echter weer niet te volgen. Gegeven deze onzekerheid - maar anderzijds de zekerheid dát beslag tot verhaal van een geldvordering op een vordering tot levering van een roerende zaak zonder twijfel mogelijk is (vgl. ook art. 477b lid 2) - lijkt het verstandig om daarbij, indien mogelijk, volgens het bepaalde in art. 500 te werk te gaan. Doet men dat echter niet, dan treft zo'n beslag vermoedelijk toch ook doel.
De in de vorige alinea besproken vorm van derdenbeslag is een zuiver verhaalsbeslag: het strekt immers louter tot verhaal van een geldvordering van de beslaglegger op een rechtens aan de beslagdebiteur toekomende roerende zaak. De art. 499 en 500 (jo. art. 492) zullen in de praktijk, zoals hiervoor ook reeds is aangestipt, echter met name gebruikt worden als middel voor schuldeiser (A) om louter zijn persoonlijk recht op levering van een door hem van (B) gekochte roerende zaak, door het leggen van een beslag tot levering ervan, daadwerkelijk te verwezenlijken (= reëel beslag).9 Wanneer die door (B) aan (A) te leveren zaak zich echter feitelijk onder een derde (C) bevindt (bijv. bij een garagehouder of in een veem), dan zal (A) dit leveringsbeslag moeten leggen in de vorm van een derdenbeslag als bedoeld in art. 500. Aangezien zo'n derdenbeslag echter niet strekt tot enig geldelijk verhaal, zou hier kunnen worden gesproken van een oneigenlijk derdenbeslag.10 Een dergelijk derden-beslag zou zelfs nog in dubbele zin een oneigenlijk derdenbeslag kunnen zijn, wanneer niet alleen de vordering van (A) jegens (B) strekt tot levering van de roerende zaak, maar die zaak eerst ook nog door (C) aan (B) moet worden geleverd. Of zo'n 'dubbel leveringsbeslag' rechtens wel mogelijk is, is zeker geen uitgemaakte zaak.11
Afwikkeling van beslag op roerende zaken
102. In art. 477 is ten slotte vrij duidelijk geregeld wat de derde-beslagene, nadat hij overeenkomstig art. 476a lid 1 zijn Verklaring heeft afgelegd en deze door de beslaglegger niet op de voet van art. 477a lid 2 is betwist12, moet doen met de onder hem berustende roerende zaken van de beslagdebiteur. Hij dient deze zaken in beginsel aan de deurwaarder die het beslag heeft gelegd ter 'beschikking te stellen' (art. 477 lid 1). Wanneer het gaat om een nog door de derde aan de beslagdebiteur te leveren roerende zaak (zie hiervoor nr. 101), geldt ingevolge art. 477b lid 2 de terbeschikkingstelling aan de deurwaarder, nadat deze de zaak heeft verkocht, als levering door de derde aan de beslagdebiteur. Al naargelang de zaken 'voor de verdere afwikkeling van die executie nodig blijken' (art. 477 lid 2 laatste volzin)13, dan wel wanneer de verplichting tot afgifte pas ontstaat na verschijning van het aangewezen tijdstip of na vervulling van de voorwaarde (art. 477 lid 3), zullen zij daadwerkelijk aan de deurwaarder worden afgegeven.
Ingevolge art. 477 lid 5 wordt hetgeen aldus in handen van de deurwaarder is gesteld
'verder geëxecuteerd overeenkomstig de gewone regels, die voor de executie daarvan gelden.'
Voor wat betreft roerende zaken betekent een en ander, dat deze door de deurwaarder verder overeenkomstig hetgeen in de art. 439 e.v. is bepaald voor het executoriaal beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn, in het openbaar (art. 463) verkocht zullen moeten worden. Alleen wanneer 'alle belanghebbenden' daarmee instemmen, is het ook mogelijk de zaken onderhands te verkopen.14 Wanneer de derde-beslagene de zaken eenmaal aan de deurwaarder heeft afgegeven, lijkt diens toestemming echter niet meer vereist, aangezien de executie jegens hem is geëindigd. Ingevolge art. 474 voldoet de deurwaarder uit de bruto-opbrengst van de zaken eerst de kosten van executie, waarna hij overeenkomstig art. 480 lid 1 de netto-opbrengst aan de beslaglegger uitkeert 'tot het beloop van diens vordering'. Een 'eventueel overschot' wordt daarna, mede gelet op het bepaalde in art. 477b lid 1 Cafgifte door de derde-beslagene (...) geldt als afgifte aan de geëxecuteerde'), aan de be-slagdebiteur uitgekeerd, tenzij dáárop weer beslag wordt gelegd.15 Indien er meerdere schuldeisers zijn en er tussen hen geen overeenstemming kan worden bereikt omtrent de verdeling, zal overeenkomstig de art. 481 e.v. een rangregeling moeten worden gehouden.16