Dit kan worden afgeleid uit HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:880, waar het ging om herhaald conservatoir beslag waarin de Hoge Raad oordeelde dat een eenmaal onrechtmatig geoordeeld ex art. 94a Sv gelegd beslag niet door een tweede op hetzelfde voorwerp ex art. 94a Sv gelegd beslag kan worden gevolgd, in het algemeen geen steun in het recht vindt. Zie in gelijke zin HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564. Mij lijkt dat hetzelfde geldt voor een in eerste instantie rechtmatig gelegd beslag.
HR, 17-05-2022, nr. 21/04068
ECLI:NL:HR:2022:694
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-05-2022
- Zaaknummer
21/04068
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:694, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑05‑2022; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:266
ECLI:NL:PHR:2022:266, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 22‑03‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:694
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑08‑2021
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑05‑2022
Inhoudsindicatie
OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94a Sv op auto onder klaagster t.z.v. verdenking hennepteelt en diefstal elektriciteit. Was de (tweede) inbeslagneming van de auto onrechtmatig? HR: Op redenen vermeld in CAG slaagt middel. CAG: De opvatting dat een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag niet voor een tweede keer op hetzelfde voorwerp kan worden gelegd, vindt in het algemeen geen steun in het recht. Het recht vereist evenmin dat RC bij tijdsverloop een gegeven machtiging tussentijds toetst, alvorens OvJ tot het leggen van beslag mag overgaan. Het beslag o.g.v. art. 94a Sv strekt tot bewaring van het recht tot verhaal van een op te leggen geldboete van de vijfde categorie of tot verhaal van een op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van w.v.v.. De gegeven machtiging strekte in dit geval tot het veiligstellen van vermogen van klaagster tot € 1.121.989,44. De aard van het conservatoire beslag brengt mee dat tot dat bedrag op verschillende vermogensvoorwerpen van klaagster beslag kon worden gelegd. Zodra auto vrij was van het eerste beslag en door de aankoop weer toebehoorde aan klaagster, kon hierop dus wederom conservatoir beslag worden gelegd o.g.v. dezelfde machtiging. Kennelijk oordeel Rb dat de tweede beslaglegging onrechtmatig was, is dus onjuist. Rb is daardoor klaarblijkelijk ook niet toegekomen aan de toetsing van de maatstaf of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter, later oordelend, een geldboete of een ontnemingsmaatregel aan klaagster zal opleggen. Onduidelijk blijft ook wat Rb heeft bedoeld met haar overweging dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van auto verzet, nu dit enkel bij beslag ex art. 94 Sv aan de orde is. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04068 B
Datum 17 mei 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 6 juli 2021, nummer RK 21/1143, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klaagster] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de klaagster.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de gegrondverklaring van het beklag tegen het op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering onder de klaagster gelegde beslag op een auto. Het klaagt over het oordeel van de rechtbank dat de tweede inbeslagneming van die auto onrechtmatig was.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.5 tot en met 4.7.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Midden-Nederland, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 mei 2022.
Conclusie 22‑03‑2022
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Beklag ex 552a Sv tegen herhaald conservatoir beslag op een auto ex art. 94a Sv. OM-cassatie. Na verkoop door de Domeinen is opnieuw conservatoir beslag gelegd op de auto, die door klaagster na de eerste inbeslagneming was teruggekocht. De AG stelt zich op het standpunt dat het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de tweede beslaglegging onrechtmatig was, onjuist is. De conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/04068 B
Zitting 22 maart 2022
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de klaagster.
1. Het cassatieberoep
1.1.
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft bij beschikking van 6 juli 2021 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag op en teruggave aan haar van een onder haar in beslag genomen auto, gegrond verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld door de officier van justitie. Mr. W.J.V. Spek, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
2. De beslagzaak
2.1.
Het gaat in deze beslagzaak kort gezegd om het volgende. De klaagster wordt verdacht van betrokkenheid bij een hennepkwekerij in de schuur behorende bij haar woning. Ten behoeve van het veilig stellen van een latere ontnemingsvordering is op 4 maart 2020 conservatoir beslag gelegd op de auto van de klaagster. In het dossier bevindt zich een machtiging van de rechter-commissaris van 2 april 2020. De auto is op 7 augustus 2020 geveild door de Domeinen en aangekocht door het garagebedrijf van klaagster voor een bedrag van € 10.355,00. De auto is vervolgens door de klaagster teruggekocht. Op 22 april 2021 is er opnieuw conservatoir beslag gelegd op de auto, op basis van dezelfde machtiging van de rechter-commissaris. De rechtbank heeft het beklag van de klaagster gegrond verklaard en de teruggave gelast van de auto.
3. De bestreden beschikking
3.1.
De bestreden beschikking houdt – voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:
“De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer overweegt de rechtbank als volgt.
Gebleken is dat op 4 maart 2020 onder [klaagster] conservatoir beslag is gelegd ten aanzien van de personenauto, Volvo V60, Plug in Hyb. Op 2 april 2020 is door de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het in conservatoir beslag nemen van voorwerpen strekkende tot verhaal van een op te leggen geldboete en/of een op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het bedrag tot welk de machtiging is verleend betreft een bedrag van € 1.121.989,44. Volgens het openbaar ministerie is tegen klaagster de verdenking gerezen van betrokkenheid bij het telen/ vervaardigen van hennep en diefstal van elektriciteit. Vervolgens is gebleken dat voornoemde auto op 7 augustus 2020 is geveild door de Domeinen en is gekocht door het garagebedrijf van klaagster voor € 10.355,00. Daarna is de auto op 26 augustus 2020 door klaagster en haar echtgenote weer aangekocht. Nadien is op 22 april 2021 opnieuw beslag gelegd op voornoemde personenauto. Dit beslag is wederom gelegd op basis van de eerder op 2 april 2020 verleende machtiging van de rechter-commissaris. Niet gebleken is dat de zaak na 2 april 2020 opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst en dat er een nieuwe machtiging door de rechter commissaris is verleend.
Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat door de veiling van de auto door de Domeinen op 7 augustus 2020 het beslag op de auto als geëindigd kan worden beschouwd. Dat klaagster vervolgens weer de eigenaar is geworden van deze auto doet daar niet aan af.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag zal daarom gegrond worden verklaard. De rechtbank zal de teruggave gelasten aan klaagster van de auto.
De beslissing
De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave aan klaagster van: een personenauto, Volvo V60 Plug in Hyb, voorzien van kenteken [kenteken].”
4. Het middel
4.1.
Het middel houdt in dat het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de auto niet voor de tweede keer conservatoir in beslag mocht worden genomen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en dat het (daarop gebaseerde) oordeel dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag, niet begrijpelijk is.
4.2.
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat in de overwegingen van de rechtbank ligt besloten dat de officier van justitie niet bevoegd was om de auto voor de tweede keer conservatoir in beslag te nemen, nu niet is gebleken dat de zaak opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst of dat er een nieuwe machtiging is verleend. Dit getuigt volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, omdat eenzelfde voorwerp meermalen object kan zijn van conservatoir beslag en daarvoor niet is vereist dat de rechter-commissaris een gegeven machtiging tussentijds toetst bij een nieuwe beslaglegging. Ook heeft de rechtbank het beslag volgens de steller van het middel ten onrechte niet aan de toepasselijke maatstaf getoetst.
Juridisch kader
4.3.
Het gaat in onderhavige zaak om conservatoir beslag ex art. 94a Sv ten behoeve van een op te leggen ontnemingsmaatregel, dat is gelegd wegens een verdenking van betrokkenheid bij een hennepkwekerij. Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een dergelijk beslag dient de rechter te onderzoeken a) of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b) of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.
4.4.
Verder is van belang dat de klaagster degene is onder wie en ten behoeve van wie de auto in beslag is genomen. In zo een geval dient de rechter ook klachten over de rechtmatigheid van het beslag te toetsen, dat wil zeggen: naar aanleiding van een verweer daartoe te bezien of de formaliteiten ten aanzien van het beslag in acht zijn genomen. Dit onderzoek heeft een summier karakter. Een van de formaliteiten die ten aanzien van conservatoir beslag in acht moet worden genomen, is dat de officier van justitie een voorafgaande machtiging ex art. 103 Sv van de rechter-commissaris nodig heeft.
4.5.
De opvatting dat een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag niet voor een tweede keer op hetzelfde voorwerp kan worden gelegd, vindt in het algemeen geen steun in het recht.1.Het recht vereist evenmin dat de rechter-commissaris bij tijdsverloop een gegeven machtiging tussentijds toetst, alvorens de officier van justitie tot het leggen van beslag mag overgaan.2.
Bespreking van het middel
4.6.
De rechtbank heeft eerst de feitelijke gang van zaken uiteengezet, die er op neer komt dat er met een machtiging van de rechter-commissaris van 2 april 2020 conservatoir beslag op de auto is gelegd, dat de Domeinen de auto niet lang daarna heeft geveild en dat de klaagster de auto, via haar garagebedrijf, weer heeft teruggekocht. Daarna is er, ruim een jaar later op 22 april 2021, opnieuw conservatoir beslag gelegd op dezelfde auto. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat ‘niet is gebleken dat de zaak na 2 april 2020 opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst en er een nieuwe machtiging door de rechter-commissaris is verleend’. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat door de verkoop van de auto door de Domeinen, het beslag als geëindigd kon worden beschouwd en dat het strafvorderlijk belang zich niet tegen opheffing van het beslag verzet.
4.7.
De overwegingen van de rechtbank laten zich lastig begrijpen. Onduidelijk is wat de rechtbank heeft bedoeld met de vaststelling dat door de verkoop van de auto door de Domeinen ‘het beslag als geëindigd kon worden beschouwd’. Een bewaarder kan, met machtiging van het openbaar ministerie ex art. 117 Sv, een voorwerp tegen baat vervreemden. Een dergelijke machtiging bevindt zich in het dossier. Op grond van art. 117 lid 4 Sv blijft het eerste gelegde beslag rusten op de verkregen opbrengst, in dit geval € 10.355,00.
Als de rechtbank heeft bedoeld te oordelen dat vanaf dat moment het eerste conservatoir beslag niet meer op de auto rustte, klopt het. De rechtbank lijkt echter te miskennen dat het conservatoir beslag waarover de rechtbank diende te oordelen het op 22 april 2021, opnieuw op de auto gelegde conservatoir beslag is.
Voor zover de rechtbank met haar overwegingen beoogde uit te drukken dat het tweede beslag onrechtmatig was omdat er geen nieuwe machtiging van de rechter-commissaris was afgegeven of een tussentijdse toetsing had plaatsgevonden, getuigt dat, zoals door de steller van het middel wordt betoogd, inderdaad van een onjuiste rechtsopvatting. Het beslag op grond van art. 94a Sv strekt tot bewaring van het recht tot verhaal van een op te leggen geldboete van de vijfde categorie of tot verhaal van een op te leggen betalingsverplichting ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.3.De gegeven machtiging strekte in dit geval tot het veiligstellen van vermogen van de klaagster tot € 1.121.989,44. De aard van het conservatoire beslag brengt mee dat tot dat bedrag op verschillende vermogensvoorwerpen van de klaagster beslag kon worden gelegd. Zodra de auto vrij was van het eerste beslag en door de aankoop weer toebehoorde aan de klaagster, kon hierop dus wederom conservatoir beslag worden gelegd op grond van dezelfde machtiging. Het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de tweede beslaglegging onrechtmatig was, is dus onjuist.
De rechtbank is daardoor klaarblijkelijk ook niet toegekomen aan de toetsing van de maatstaf of niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, een geldboete of een ontnemingsmaatregel aan de klaagster zal opleggen.
Onduidelijk blijft ook wat de rechtbank heeft bedoeld met haar overweging dat het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave van de auto verzet, nu dit enkel bij klassiek beslag ex art. 94 Sv aan de orde is.
4.8.
Kortom, het middel slaagt.
5. Conclusie
5.1.
Het middel slaagt.
5.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 22‑03‑2022
Zie, in ander verband ten aanzien van een machtiging op de voet van art. 126 lid 3 Sv, HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8740.
O.m. HR 19 november 1996, NJ 1997, 385 en HR 22 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2786.
Beroepschrift 11‑08‑2021
CASSATIESCHRIFTUUR
Registratienummer: RK 21/1143
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Het beroep in cassatie van rekwirant is gericht tegen de beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 6 juli 2021, waarbij de Rechtbank het klaagschrift van:
[klaagster],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981
tegen het op de voet van art. 94a Sv onder klaagster gelegde beslag op een Volvo V60 met kenteken [AA-00-BB] gegrond heeft verklaard.
Rekwirant kan zich met deze beschikking en de motivering daarvan niet verenigen en stelt daarom het volgende middel van cassatie voor:
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt als bedoeld in art. 79, eerste lid, Wet RO, meer in het bijzonder schending van art. 24, 94a, 103 en 552a Sv, aangezien, zoals hierna nader zal worden toegelicht, het in de overwegingen van de Rechtbank besloten liggende oordeel dat de officier van justitie niet bevoegd was om de Volvo V60 voor de tweede keer conservatoir in beslag te nemen, nu niet is gebleken dat de zaak na 2 april 2020 opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst en dat er een nieuwe machtiging door de rechter-commissaris is verleend, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel dat de Volvo V60 niet voor de tweede keer conservatoir inbeslaggenomen kon worden zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Ook het (daarop gebaseerde) oordeel van de Rechtbank dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Door deze gebreken komt de grondslag aan de beslissing tot gegrondverklaring van het klaagschrift te ontvallen en kan de bestreden beschikking niet in stand blijven.
Toelichting
1.
Tegen klaagster loopt een strafrechtelijk onderzoek wegens verdenking van betrokkenheid bij het telen/vervaardigen van hennep en diefstal van elektriciteit. In dat kader is op 4 maart 2020 onder klaagster — naar rekwirant begrijpt: op de voet van art. 94 Sv1. — beslag gelegd op een Volvo V60 met kenteken [AA-00-BB]. Op 2 april 2020 heeft de rechter-commissaris een machtiging ex art. 103 Sv verleend op grond waarvan op de genoemde auto tevens conservatoir beslag is gelegd op de voet van art. 94a Sv. Op dezelfde datum heeft de rechter-commissaris ook een generieke machtiging ex art. 103 Sv verleend tot het in conservatoir beslag nemen van voorwerpen. Beide machtigingen vermelden dat de hoogte van de vordering van de Staat wordt geschat op ruim 1,1 miljoen euro.
Op 7 augustus 2020 is de Volvo V60 geveild door Domeinen. Het garagebedrijf van klaagster heeft de auto toen gekocht voor € 10.355,-. Op 26 augustus 2020 hebben klaagster en haar echtgenote de auto weer aangekocht van het garagebedrijf. Op 22 april 2021 is de Volvo V60 opnieuw op de voet van art. 94a Sv conservatoir inbeslaggenomen onder klaagster. De basis daarvoor ligt in de genoemde generieke machtiging van de rechter-commissaris van 2 april 2020. Tegen deze tweede inbeslagneming heeft klaagster een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv ingediend.
2.
Bij de thans bestreden beschikking van 6 juli 2021 heeft de Rechtbank het klaagschrift gegrond verklaard en de teruggave van de Volvo V60 aan klaagster gelast. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:
‘De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechtbank niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak zaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).
Op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer overweegt de rechtbank als volgt.
Gebleken is dat op 4 maart 2020 onder [klaagster] conservatoir beslag is gelegd ten aanzien de personenauto, Volvo V60, Plug in Hyb. Op 2 april 2020 is door de rechter-commissaris een machtiging verleend tot het in conservatoir beslag nemen van voorwerpen strekkende tot verhaal van een op te leggen geldboete en/of een op te leggen betalingsverplichting aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het bedrag tot welk de machtiging is verleend betreft een bedrag van € 1.121.989,44. Volgens het openbaar ministerie is tegen klaagster de verdenking gerezen van betrokkenheid bij het telen/vervaardigen van hennep en diefstal van elektriciteit.
Vervolgens is gebleken dat voornoemde auto op 7 augustus 2020 is geveild door de Domeinen en is gekocht door het garagebedrijf van klaagster voor € 10.355,00. Daarna is de auto op 26 augustus 2020 door klaagster en haar echtgenote weer aangekocht.
Nadien is op 22 april 2021 opnieuw beslag gelegd op voornoemde personenauto. Dit beslag is wederom gelegd op basis van de eerder op 2 april 2020 verleende machtiging van de rechter-commissaris. Niet gebleken is dat de zaak na 2 april 2020 opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst en dat er een nieuwe machtiging door de rechter-commissaris is verleend.
Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat door de veiling van de auto door de Domeinen op 7 augustus 2020 het beslag op de auto als geëindigd kan worden beschouwd. Dat klaagster vervolgens weer de eigenaar is geworden van deze auto doet daar niet aan af.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag. Het beklag zal daarom gegrond worden verklaard. De rechtbank zal de teruggave gelasten aan klaagster van de auto.’
3.
In de overwegingen van de Rechtbank ligt als haar kennelijke oordeel besloten dat de officier van justitie niet bevoegd was om de Volvo V60 voor de tweede keer conservatoir in beslag te nemen, nu niet is gebleken dat de zaak na 2 april 2020 opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst en dat er een nieuwe machtiging door de rechter-commissaris is verleend. Naar de mening van rekwirant heeft de Rechtbank met dit oordeel blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Rekwirant licht dit als volgt toe.
4.1.1
Na de eerste inbeslagneming is de Volvo V60 op 7 augustus 2020 met de in art. 117 Sv bedoelde machtiging van het openbaar ministerie2. geveild door Domeinen. Het beslag is toen komen te rusten op de verkregen opbrengst (vgl. art. 117, vierde lid, Sv). De auto zelf was na de veiling (dus) weer vrij van beslag. De vraag is of de officier van justitie bevoegd was om de Volvo V60 wederom conservatoir in beslag te nemen, nadat klaagster daarover weer de eigendom had verkregen.
4.1.2
In de zaak die leidde tot HR 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:880, NJ 2017/220 was een eerste inbeslagneming door de Rechtbank onrechtmatig geoordeeld op grond van disproportionaliteit. Vervolgens legde de officier van justitie op dezelfde voorwerpen opnieuw conservatoir beslag. De Rechtbank verklaarde het klaagschrift tegen deze tweede inbeslagneming eveneens gegrond, waarna het OM cassatieberoep instelde. De Hoge Raad stelde het volgende voorop: ‘De opvatting dat een eenmaal onrechtmatig geoordeeld op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag niet door een tweede op hetzelfde voorwerp op de voet van 94a Sv gelegd beslag kan worden gevolgd, vindt in het algemeen geen steun in het recht.’ Wat betreft het voorliggende geval overwoog de Hoge Raad echter dat het oordeel van de Rechtbank dat in een situatie zoals in die zaak aan de orde de officier van justitie aan zijn bevoegdheid om ten tweede male conservatoir beslag te leggen een onrechtmatige toepassing had gegeven, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel evenmin onbegrijpelijk was. Opvallend is dat de Hoge Raad hier spreekt over ‘de bevoegdheid van de officier van justitie om ten tweede male conservatoir beslag te leggen’. Het uitgangspunt lijkt dus te zijn dat de officier van justitie deze bevoegdheid heeft. Het feit dat de concrete omstandigheden van het geval kunnen maken dat de officier van justitie aan die bevoegdheid een onrechtmatige toepassing geeft, doet aan dat uitgangspunt niet af. Genoemd uitgangspunt zal naar de mening van rekwirant bovendien des te meer hebben te gelden in een situatie als de onderhavige, waarin de eerste inbeslagneming niet onrechtmatig, maar rechtmatig was.
4.1.3
Dat de officier van justitie in beginsel bevoegd is om ten tweede male conservatoir beslag te leggen op hetzelfde voorwerp, kan in een zaak als thans aan de orde eenvoudig worden verklaard wanneer de aard van deze vorm van beslag in aanmerking wordt genomen. Conservatoir beslag dient — indien dit wordt gelegd op de voet van art. 94a, tweede lid, Sv — tot bewaring van het recht tot verhaal voor een later op te leggen ontnemingsmaatregel. In principe komen alle aan de verdachte toebehorende3. voorwerpen die een zekere waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigen daarvoor in aanmerking. In het onderhavige geval had de officier van justitie ook conservatoir beslag kunnen leggen op het geldbedrag waarmee klaagster de Volvo V60 heeft teruggekocht van het garagebedrijf of — indien klaagster van dat geldbedrag een andere auto had gekocht — op díe auto. Waar het bij conservatoir beslag om gaat, is dat de officier van justitie vermogensbestanddelen van de verdachte veiligstelt die kunnen dienen tot zekerheid van verhaal. Dit maakt inzichtelijk dat het enkele feit dat de Volvo V60 al eens object van een conservatoire inbeslagneming was geweest, er geenszins aan in de weg stond dat op diezelfde auto — toen deze weer vrij van beslag was (zie punt 4.1.1) en nadat klaagster daarvan wederom eigenaar was geworden — nogmaals conservatoir beslag werd gelegd.
4.2
De volgende vraag is of de tweede inbeslagneming van de Volvo V60 op 22 april 2021 nog steeds gebaseerd kon worden op de generieke machtiging ex art. 103 Sv van 2 april 2020 (dus: van ruim een jaar eerder) of dat de zaak opnieuw getoetst had moeten worden door de rechter-commissaris. In HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8740, NJ 2012/222 kwam deze kwestie aan de orde in het kader van art. 126 Sv (machtiging SFO).4. In de zaak die leidde tot deze beschikking had de Rechtbank geoordeeld dat het leggen van conservatoir beslag onder de klager, ook al was dit gelegd elf maanden na de machtiging van de rechter-commissaris ex art. 126, derde lid, Sv, niet onrechtmatig was. Tegen dit oordeel richtte zich het eerste cassatiemiddel van de klager. De Hoge Raad overwoog:
‘2.5.1.
Het middel gaat in de eerste plaats uit van de opvatting dat de Rechter-Commissaris, gezien het tijdsverloop, de gegeven machtiging tussentijds had dienen te toetsen alvorens de Officier van Justitie tot het leggen van het beslag mocht overgaan. Die opvatting is onjuist. De klacht faalt.
2.5.2.
Voorts bevat het middel de klacht dat een op de voet van art. 126, derde lid, Sv gegeven machtiging niet onbeperkt geldig is. Ook in zoverre faalt het middel. De wet verbindt aan de geldigheid van de machtiging geen termijn. (…)’
Deze zelfde overwegingen doen naar de mening van rekwirant ook opgeld in het kader van de machtiging ex art. 103 Sv. De omstandigheid dat ten tijde van de tweede inbeslagneming van de Volvo V60 ruim een jaar was verstreken sinds de rechter-commissaris de generieke machtiging ex art. 103 Sv had verleend, brengt dus niet mee dat van die machtiging geen gebruik meer kon worden gemaakt. Het andersluidende oordeel van de Rechtbank geeft in de visie van rekwirant dan ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het oordeel van de Rechtbank niet aldus kan worden verstaan dat voornoemd tijdsverloop van meer dan een jaar en het ontbreken van een nieuwe toetsing door de rechter-commissaris in de weg staan aan de tweede inbeslagneming van de Volvo V60, geldt in elk geval dat het oordeel van de Rechtbank zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is, nu uit de overwegingen van de Rechtbank niet kan blijken op welke gronden de Rechtbank haar oordeel dat de tweede inbeslagneming niet is toegestaan, dan heeft gebaseerd.
5.
Daarvan uitgaande had de Rechtbank het klaagschrift van klaagster dienen te beoordelen aan de hand van het gebruikelijke toetsingskader dat geldt voor de beoordeling van een beklag door de beslagene tegen een op de voet van art. 94a Sv gelegd beslag.5. In de overzichtsbeschikking HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 formuleerde de Hoge Raad dit toetsingskader als volgt:
‘2.14.
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene gericht tegen een beslag als bedoeld in art. 94a, eerste of tweede lid, Sv dient de rechter te onderzoeken a. of er ten tijde van zijn beslissing sprake was van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en b. of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de verdachte een verplichting tot betaling van een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.’
In de thans bestreden beschikking heeft de Rechtbank weliswaar geoordeeld dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag, maar dat oordeel is naar de mening van rekwirant zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk.
Uit de generieke machtiging ex art. 103 Sv van de rechter-commissaris van 2 april 2020, gelezen in samenhang met de daaraan voorafgaande vordering van de officier van justitie, volgt dat klaagster onder meer wordt verdacht van overtreding van art. 3, aanhef en onder B, C en/of D jo. art. 11, derde en/of vijfde lid, Opiumwet. Dit betekent dat tegen klaagster een verdenking bestaat van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, terwijl de Rechtbank er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of zich al dan niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klaagster een ontnemingsmaatregel zal opleggen. (Ook) in dit opzicht lijdt de bestreden beschikking dus aan een motiveringsgebrek.
6.
Gelet op het voorgaande getuigt het in de overwegingen van de Rechtbank besloten liggende oordeel dat de officier van justitie niet bevoegd was om de Volvo V60 voor de tweede keer conservatoir in beslag te nemen, nu niet is gebleken dat de zaak na 2 april 2020 opnieuw door de rechter-commissaris is getoetst en dat er een nieuwe machtiging door de rechter-commissaris is verleend, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het oordeel dat de Volvo V60 niet voor de tweede keer conservatoir inbeslaggenomen kon worden zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, terwijl ook het (daarop gebaseerde) oordeel dat het strafvorderlijk belang zich niet verzet tegen opheffing van het beslag zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is.
Indien het cassatiemiddel doel treft, zal de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 6 juli 2021 niet in stand kunnen blijven. Rekwirant verzoekt de Hoge Raad der Nederlanden dan ook deze beschikking te vernietigen en vervolgens te bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet behoort of had behoren te geschieden.
's‑Gravenhage, 8 november 2021
mr. W.J.V. Spek
plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Midden-Nederland
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑08‑2021
Bij de stukken van het geding waarover de Hoge Raad beschikt en waarvan de Hoge Raad kennisneemt, bevindt zich de kennisgeving van inbeslagneming van 4 maart 2020. Deze kennisgeving vermeldt als grondslag van het beslag art. 94a Sv. Die vermelding is kennelijk abusievelijk. Bij de stukken bevindt zich ook de ‘Vordering Machtiging Conservatoir beslag (art. 103 Sv) leggen 94a Sv naast klassiek beslag 94 Sv’ van 30 maart 2020. In deze vordering staat dat ten laste van verdachte voorwerpen (waaronder de Volvo V60) in klassiek beslag (ex art. 94 Sv) zijn genomen, maar dat het wenselijk is ook conservatoir beslag (ex art. 94a Sv) op deze voorwerpen te leggen ten laste van verdachte (cursivering door rekwirant).
Onder omstandigheden kunnen ook aan een derde toebehorende voorwerpen conservatoir inbeslag-genomen worden. Zie daarover art. 94a, vierde en vijfde lid, Sv.
Ingevolge art. 126b, eerste lid, Sv is de officier van justitie tijdens een SFO bevoegd zonder verdere rechterlijke machtiging te gelasten dat voorwerpen op grond van artikel 94a, tweede lid, Sv in beslag worden genomen.
Vgl. in iets ander verband HR 26 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:425, rov. 2.5.1 en 2.5.2.