Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/16.2.2
16.2.2 Verhouding van artikel 4 EEX-V°/Verdrag tot artikel 24 EEX-V°/18 Verdrag
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS413203:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 13 juli 2000, zaak C-412/98, UGIC/Group Josi, Jur. 2000, p. 1-5925, NJ 2003, 597, r.o. 44.
Droz, Compétence Judiciaire, p. 137 en 141.
Par. 8.4 en 16.8 en HvJ EG 9 december 2003, zaak C-116/02, Gasser/MISAT, Jur. 2003, p. 1-14693, NJ 2007, 151, r.o. 41 e.v.
Balk, Forumkeuze, p. 26; Droz, Compétence Judiciaire, p. 138; Ras, TvP 1975, p. 897; B lowBbckstiegel-Mller, p. 606-155; Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 33; Kaye, Civil Jurisdiction, p. 1125; De Boer, Tacit Submission, p. 39; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 292 (maart 2004), p. A-a-85; Goldman, RTDE 1971, p. 19; Rigaux/Fallon, Dip, Deel II, p. 185; Schmidt, NIPR 2001, p. 152; Vlas, WPNR 2000 (6421), p. 748;anders: Gaudemet-Tallon, Les Conventions, p. 97 (die haar mening heeft bijgesteld in Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 119); Beraudo, Jurisclasseur, suppl. 3-(1989), nr. 2; Biflow, RabelsZ 1965, p. 494; Klauser, EZPR, p. 47.
Schmidt, NIPR 2001, p. 152.
Zie hiervoor bijv. Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 119 en Vlas, WPNR, 2000 (6421), p. 748.
In hoofdstuk 8 is het formele toepassingsbereik van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag besproken. De conclusie was dat art. 24 EEX-V°/18 Verdrag geen vereiste stelt ter zake van de woonplaats van partijen. Ook art. 24 EEX-V°/18 Verdrag lijkt daarom een uitzondering op art. 4 EEX-V°Nerdrag te maken, hoewel art. 4 EEX-V°Nerdrag voor stilzwijgende forumkeuze niet uitdrukkelijk een uitzondering maakt. Voor art. 18 Verdrag is het arrest UGIC/Group Josi1 leidinggevend, omdat het Hof van Justitie uitdrukkelijk overweegt dat de woonplaats van de verweerder bij de toepassing van art. 18 EEX niet ter zake doet.
Art. 4 EEX-V° is gewijzigd ten opzichte van art. 4 Verdrag en maakt expliciet een uitzondering voor art. 23 EEX-V°, maar niet voor art. 24 EEX-V°. Dat is opvallend, omdat de uitzondering voor de exclusieve fora van art. 22 EEX-V°/16 Verdrag reeds bestond in art. 4 Verdrag en thans in art. 4 EEX-V° ook een verwijzing naar art. 23 EEX-V° kent maar niet voor art. 24 EEX-V°. De uitzondering voor art. 24 EEX-V° lijkt dus anders dan voor art. 23 EEX-V° in art. 4 EEX-V° niet te zijn aanvaard.
Voor de verhouding tussen de art. 4 en 18 Verdrag kan een vergelijking worden gemaakt met de verhouding tussen de art. 4 en 17 Verdrag. De expliciete toevoeging aan art. 17 EEX over de woonplaats van één der partijen heeft in een zeer laat stadium plaatsgevonden. Aanvankelijk was in de ontwerpen voor art. 17 EEX geen woonplaats-vereiste gesteld, terwijl het voor de opstellers van het EEX buiten twijfel stond dat art. 17 EEX voorrang heeft boven art. 4 EEX.2 Hieruit leid ik af dat door het niet toevoegen van een woonplaatsvereiste aan art. 18 EEX de oorspronkelijke bedoeling van de opstellers van het EEX onveranderd is gebleven. De strekking en achtergrond van art. 4 EEX-V°Nerdrag ziet met name op het waarborgen van het vrij verkeer van vonnissen en de litispendentieregeling door incorporatie van het commune internationaal privaatrecht in EEX-V°Nerdrag. Het niet stellen van een woonplaatsvereiste in art. 24 EEX-V°/18 Verdrag is met dat doel niet in strijd, hoewel zich wel conflicten kunnen voordoen.3 Ik wijs er bovendien op dat door een ruim toepassingsbereik van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag de rol van het commune internationaal privaatrecht wordt teruggedrongen. Dat is in overeenstemming met het doel van de EG om in ruime zin bevoegdheidsconflicten voor gerechten in de EG te regelen. Indien art. 24 EEX-V°/ 18 Verdrag geldt in alle gevallen waarbij de verweerder verschijnt en de bevoegdheid niet betwist, is een ruime, uniforme toepassing van een stilzwijgende forumkeuze beter gewaarborgd.
Waarom komt in art. 4 EEX-V°Nerdrag dan geen verwijzing voor naar art. 24 EEX-V°/18 Verdrag, zoals voor art. 22 EEX-V°/16 Verdrag en bovendien in de EEX-V° voor uitdrukkelijke forumkeuze voor 23 EEX-V°? Art. 22 EEX-V° in de afdeling exclusieve bevoegdheden noch art. 23 EEX-V° stellen een woonplaatsvereiste. Uit de totstandkomingsgeschiedenis lijkt te volgen dat sprake is van een omissie, indien wordt aangenomen dat zo'n toevoeging aan art. 4 EEX-V°Nerdrag nodig zou zijn. Over de derogatie van de art. 17 en 18 Verdrag aan art. 4 Verdrag bleek eenstemmigheid te bestaan. Indien geen sprake zou zijn van een omissie, rijst de vraag of een uitzondering in art. 4 EEX-V°Nerdrag voor art. 24 EEX-V°/18 Verdrag nodig is. Uit de aanhef van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag blijkt dat art. 24 respectievelijk 18 een zelfstandige bevoegdheidsgrond is naast alle andere artikelen van EEX-V°Nerdrag. Op grond van die aanhef behoeft derhalve vanuit tekstueel oogpunt geen uitzondering te worden gemaakt in art. 4 EEX-V°Nerdrag.
Inmiddels is de meerderheid van de doctrine van mening dat ook art. 24 EEX-V°/ 18 Verdrag voorrang heeft boven art. 4 EEX-V°Nerdrag. Uit het laatste artikel mag derhalve niet worden afgeleid dat voor toepasselijkheid van art. 24 EEX-V°/18 Verdrag de verweerder woonplaats moet hebben in een EG respectievelijk verdragsluitende staat.4 Hiervoor gelden dezelfde argumenten als voor de verhouding tussen de art. 4 en 17 Verdrag.5 Het is niettemin jammer dat bij de tekstuele aanpassing van art. 4 EEX-V° ten opzichte van art. 4 Verdrag niet tevens ook art. 24 EEX-V° uitdrukkelijk is uitgezonderd om iedere twijfel uit te sluiten. De reden hiervoor is niet bekend, terwijl een gelijke behandeling van de artikelen over forumkeuze in dit opzicht voor de hand lag. Mogelijk hangt zulks samen met het bestaan van verschillende opvattingen hierover in rechtspraak en literatuur.6