HR, 29-04-2016, nr. 15/00470
15/00470, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
29-04-2016
- Zaaknummer
15/00470
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:751, Uitspraak, Hoge Raad, 29‑04‑2016; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2014:9826, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Beroepschrift, Hoge Raad, 29‑04‑2016
Beroepschrift, Hoge Raad, 26‑01‑2015
- Vindplaatsen
NLF 2017/0274
FutD 2016-1098
Viditax (FutD) 2016042905
Uitspraak 29‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Art. 52a, lid 1, AWR. Rekeningenproject. Informatiebeschikking voor het jaar 2009. Onbegrijpelijk oordeel Hof dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een rekening bij de KB-Luxbank heeft aangehouden.
Partij(en)
29 april 2016
nr. 15/00470
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2014, nr. 13/01227, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 13/1271) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a, lid 1, AWR. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Belanghebbende en de Staatssecretaris hebben over en weer een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie van belanghebbende
Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb dit vereist, niet de gronden van het beroep.
Bij aangetekende brief van 11 februari 2015, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres, heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld dat verzuim te herstellen. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Nu herstel van het verzuim niet heeft plaatsgevonden, zal de Hoge Raad met toepassing van het bepaalde in artikel 6:6 Awb het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk verklaren.
3. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
3.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1.
De in dit geding bestreden beschikking houdt verband met het zogenoemde Rekeningenproject dat is gestart naar aanleiding van informatie over bankrekeningen bij de in Luxemburg gevestigde Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux).
3.1.2.
Op basis van deze informatie heeft de Inspecteur belanghebbende onder andere navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 1990 en vermogensbelasting voor het jaar 1991 opgelegd.
In het tegen die aanslagen ingestelde hoger beroep heeft het Gerechtshof Amsterdam, na verwijzing door de Hoge Raad, in een op 19 juli 2012 gedane uitspraak melding gemaakt van een onherroepelijk geworden uitspraak van de strafrechter waarbij bewezen is geacht dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften IB/PVV voor de jaren 1996 tot en met 1999 heeft gedaan, en als vaststaand feit is aangemerkt dat belanghebbende en zijn echtgenote rechthebbenden waren van de in Luxemburg aangehouden bankrekeningen met een tenaamstelling die overeenkomt met hun beider namen.
3.1.3.
In zijn op 25 januari 2012 ingediende aangifte IB/PVV voor het jaar 2009 heeft belanghebbende geen buitenlandse bankrekening opgegeven.
3.1.4.
Bij brief van 10 oktober 2012 heeft de Inspecteur belanghebbende onder verwijzing naar de artikelen 47 en 49 van de AWR gevraagd om inlichtingen en gegevens te verstrekken met betrekking tot de bij KB-Lux aangehouden bankrekening(en) en, indien deze niet meer bestaat, waar het eerder op die rekening(en) gestalde vermogen in 2009 is aangehouden.
Belanghebbende heeft op deze brief niet gereageerd.
3.1.5.
Met dagtekening 22 oktober 2012 heeft de Inspecteur ten aanzien van de inzake de IB/PVV op te leggen aanslag voor het jaar 2009 de in dit geding bestreden informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a van de AWR gegeven.
Voor het Hof was in geschil of die beschikking in stand kan blijven.
3.2.1.
In de bestreden uitspraak is overwogen dat eerst ter zitting is gebleken dat het Gerechtshof Amsterdam in zijn hiervoor (in onderdeel 3.1.2) genoemde uitspraak ten onrechte ervan is uitgegaan dat het aldaar aangehaalde, in de strafzaak tegen belanghebbende gewezen, vonnis onherroepelijk was, en dat dit vonnis in hoger beroep is vernietigd waarna belanghebbende is vrijgesproken van hetgeen hem was tenlastegelegd. Daarom heeft het Hof de uitspraak van (de belastingkamer van) het Gerechtshof Amsterdam niet aangemerkt als een zelfstandig oordeel omtrent de vraag of belanghebbende rekeninghouder bij KB-Lux is of is geweest.
3.2.2.
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur ten aanzien van de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder bij KB-Lux niets anders resteert dan niet-onderbouwde stellingen aangaande de namen van belanghebbende en zijn echtgenote in een renseignement betreffende een op 31 januari 1994 aanwezig saldo op een Luxemburgse bankrekening en de omstandigheid dat belanghebbende en zijn echtgenote “uniek zijn geïdentificeerd”. Daarmee, aldus het Hof, heeft de Inspecteur onvoldoende aannemelijk gemaakt dat een redelijk vermoeden bestaat dat de gevraagde inlichtingen en gegevens van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende over het jaar 2009.
Op die grond heeft het Hof de informatiebeschikking vernietigd.
3.3.1.
Blijkens de aan de Hoge Raad toegezonden stukken, waaronder de in hoger beroep voorgedragen pleitnota van de Inspecteur, heeft deze ter ondersteuning van zijn standpunt dat de informatiebeschikking terecht is gegeven mede een beroep gedaan op een ten aanzien van belanghebbende gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de Rechtbank Gelderland (vonnis van 7 juli 2014, nr. C/05/263733/KG ZA 14-218, ECLI:NL:RBGEL:2014:4348). Daarbij heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat belanghebbende, van wie voldoende aannemelijk is dat hij op 31 januari 1994 over de buitenlandse bankrekening beschikte, krachtens artikel 47 van de AWR gehouden is de door de Inspecteur verlangde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Voorts heeft de Inspecteur gewezen op de publicatie van dit vonnis waaruit blijkt dat de voorzieningenrechter zich rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat belanghebbende in hoger beroep is vrijgesproken van hetgeen hem in de strafzaak was tenlastegelegd, en dat ook in de tot vrijspraak strekkende overwegingen van (de strafkamer in) het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als vaststaand feit is aangemerkt dat belanghebbende en zijn echtgenote in het jaar 1994 een rekening bij KB-Lux hadden met een saldo van Hfl 490.505,75.
3.3.2.
Het Hof heeft aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat de Inspecteur ten aanzien van de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder bij KB-Lux zich enkel heeft beroepen op niet-onderbouwde stellingen dienaangaande. Dit oordeel is in het licht van hetgeen hiervoor in onderdeel 3.3.1 is overwogen onbegrijpelijk.
3.3.3.
Het middel slaagt. ’s Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk,
verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2016.
Beroepschrift 29‑04‑2016
Edelhoogachtbaar College,
Naar aanleiding van het beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechthof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2014, nummer 13/01227, inzake [X] te [Z] betreffende de informatiebeschikking met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting volksverzekeringen voor het jaar 2009, ingediend door de staatssecretaris van financiën, dient belanghebbende het navolgende verweerschrift in.
Ten aanzien van het feitelijk kader.
Belanghebbende heet niet [X]. Belanghebbende heet […].
Ervan uitgaande dat juist is, hetgeen onder feitelijk kader is gesteld:‘… Op het microfiche stond… [X]…’, blijkt dat er sprake is van een misidentificatie.
Voorts wordt t.a.p. geciteerd uit een uitspraak van de strafrechter waar belanghebbende als: ‘[X]’ wordt aangeduid.
Omdat zowel de inspecteur, als de rechter, de naam van belanghebbende, regelmatig, fout spellen, kan ook niet worden uitgesloten en behoeft het geen verbazing te wekken als, namen op het microfiche, waaronder de naam van belanghebbende, fout zijn gespeld.
Belanghebbende is door de strafrechter vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Er was slechts één bewijsmiddel, het microfiche. Ander bewijs was er niet.
Dat andere bewijs is er, thans, 10 jaar na de uitspraak in de strafzaak, nog steeds niet.
De inspecteur zegt daar niets over en onderzoekt kennelijk ook niets. In dat geval kan de inspecteur zich niet op een ‘redelijk’ vermoeden beroepen.
Gelet op het feit dat:
- —
Dat de gewraakte informatie niet, onbetwist, op belanghebbende betrekking heeft, dat er sprake is van een groot aantal misidentificaties en dat belanghebbende niet tot tegenbewijs in staat is;
- —
Dat de gewraakte informatie in strijd met het Verdrag is verstrekt;
- —
Dat [A], ten onrechte, geen kennis heeft willen nemen van de informatie, betreffende de onrechtmatige verkrijging van de gegevens door de Belgische overheid;
- —
Dat de inspecteur onderzoek behoort te doen naar het inkomen en vermogen van belanghebbende. Dat onderzoek betreft een periode van 1990 tot 2013, welk onderzoek verricht is, of had kunnen worden, in de periode van 2001 tot 2013. Dat de inspecteur verslag van zodanig onderzoek behoort te doen. Dat de inspecteur niets mededeelt over dat onderzoek. Er moet daarom van worden uitgegaan dat over die periode en gedurende die tijd zodanig onderzoek niet is gedaan. Het is in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur de informatiebeschikking af te geven, terwijl zodanig onderzoek niet is gedaan;
- —
Dat de inspecteur, sedert 2010, bij de autoriteiten in Luxemburg, kan verzoeken om informatie over de bankrekening die belanghebbende daar zou hebben aangehouden. De inspecteur deelt, ook daarover, niets mede. Het feit dat de inspecteur niet bij de autoriteiten in Luxemburg om voornoemde informatie heeft verzocht is in strijd met enig jegens belanghebbende in acht te nemen algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Het feit dat de inspecteur niets mededeelt over zodanig verzoek, is in strijd met de regels van een behoorlijk proces. Belanghebbende weet dat hij in 2009 niet over de rekening beschikte. Gesteld dat de autoriteiten in Luxemburg antwoorden dat belanghebbende in 2010 niet over de rekening beschikt, dan moet toch, in redelijkheid worden aangenomen dat belanghebbende ook in 2009 niet over de rekening beschikt.
Niet uitgesloten is dat er bij de overname van gegevens door de bank, ter gelegenheid van de opening van de rekening, of later, bij de vertaalslagen die zijn gemaakt om tot de gegevens op het microfiche te komen, door de bank, schrijffouten zijn gemaakt.
Voorts is niet uitgesloten dat bij de identificatie fouten zijn gemaakt. Er was eerst sprake van 30 misidentificaties. Gelet op de afgelopen maanden gepubliceerde jurisprudentie, loopt het aantal misidentificaties gestaag op en betreft het inmiddels meer dan veertig misidentificaties. En dat terwijl de inspecteur gesteld heeft dat er over de juistheid van de identificatie geen enkele twijfel mocht bestaan.
Dat betekent dat er een groot risico is met betrekking tot de onjuistheid van de identificatie.
De inspecteur blijft thans tot het jaar 2009, ‘op zijn krent zitten’. Dat wil zeggen: de inspecteur doet niets en verwijst slechts naar het gegeven op het gewraakte microfiche dat een bedrag uit 1994 vermeldt. Dat is kennelijk een van de wegen die naar Rome leiden. De inspecteur kan zich echter niet tot ‘Sint Juttemis’, voor de niet-katholieken onder u, dat is een niet-bestaande heilige wiens naamdag nimmer gevierd wordt, beroepen op het gegeven op het microfiche, terwijl er geen enkel ander gegeven is dat belanghebbende over enig niet-aangegeven tegoed zou beschikken. Dat geldt temeer omdat belanghebbende niet tot tegenbewijs in staat is en omdat niet onomstotelijk vaststaat dat belanghebbende rekeninghouder is.
De inspecteur spreekt over ‘aanknopingspunten’ die er zouden zijn om te veronderstellen dat de aangiften van belanghebbende onvolledig en dus onjuist zijn. Er zijn er ‘voldoende’ volgens de inspecteur. Welke dat zijn, behalve het gegeven op het microfiche, vermeldt de inspecteur echter niet.
De Belastingdienst heeft over de afgelopen 12 jaar, over een periode van 23 jaar, onderzoek kunnen instellen naar de omstandigheid of belanghebbende enige uitgaven heeft gedaan die belanghebbende, gelet op zijn aangegeven inkomen en vermogen, niet gedaan zou kunnen hebben.
De inspecteur deelt daarover niets mede.
Belanghebbende leeft overigens van een bescheiden inkomen en vermogen. Dat betekent dat belanghebbende, die volgens de inspecteur, schatrijk is, de afgelopen 23 jaar geen enkele uitgave heeft gedaan die op die rijkdom wijst.
Omdat voornoemd onderzoek dat over een periode van 23 jaar en gedurende 12 jaar, heeft plaatsgevonden, althans heeft kunnen plaatsvinden, (kennelijk) niets heeft opgeleverd, terwijl belanghebbende, naar waarheid en volledig, aangifte heeft gedaan van zijn belastbare inkomen en naar waarheid heeft geantwoord, op vragen, overweegt het Hof ten onrechte dat er een redelijk vermoeden is dat belanghebbende in 2009 nog over de rekening beschikte.
In de notitie rechtmatigheid van 1.6 augustus 2001 wordt over de (on)rechtmatige wijze waarop de gegevens in handen van de Belgische autoriteiten zijn gekomen het navolgende opgemerkt: ‘…Niet gebleken is van feiten op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de Belgische autoriteiten de gegevens op onrechtmatige wijze hebben verkregen van de medewerkers van de bank’.
Over het contact met [C] rapporteert [A] in het proces-verbaal van ambtshandeling van 10 januari 2003. De officier van justitie heeft verzocht in het verbaal in te gaan op de vraag of enige Nederlandse justitiële en/of fiscale opsporingsautoriteit… enige wetenschap had… van de wijze waarop de Belgische justitie de rekeninggegevens heeft verkregen… indien het nadere onderzoek uitwijst dat van zodanige wetenschap sprake is, dient te worden gerelateerd om welke reden daarvan niet in één van de overzichtsprocessen-verbaal van 21 december 2001 en 19 juni 2002 melding is gemaakt….
Over het gesprek met [C] staat in dat verbaal: ‘Op 3 mei 2001 heb ik… gesproken met [C]… Ik, verbalisant heb van [C] informatie gekregen over het strafrechtelijk onderzoek tegen de verantwoordelijke personen bij de Kredietbank te België… Volgens [C] hebben vier ex werknemers van de KBL in 1995 behalve microfiches ook circa 1.000 documenten en ook documenten van de kredietafdeling ontvreemd. Volgens hem zou de informatie op rechtmatige wijze zijn verkregen en is nog steeds de juridische strijd over de rechtmatigheid niet gestreden….’.
Over de betekenis van een ander, wat de inspecteur daarmee bedoelt, verwijs ik naar en citeer ik uit het verweerschrift dat op 17 maart 2005 onder kenmerk BK-04/01649 bij Uw Gerechtshof is ingediend.:
‘… 7.1.A
verkrijging microfiches…
7.1.A.2.
Bestaat er duidelijkheid omtrent de verkrijging van de microfiches? Het antwoord op deze vraag kan kort zijn: neen. Er is geen (absolute) zekerheid omtrent de wijze waarop de microfiches in België zijn verkregen. Er wordt door diverse gemachtigden een aantal scenario's naar voren gebracht met betrekking tot de verkrijging in België. Deze zijn deels afkomstig uit de klacht van KBL bij het vast comité van toezicht op de politiediensten (hierna comité P), zie bijlage B16. Voorts wordt daarvoor uit kranten- en/of tijdschriftartikelen geput. Verder is het niet uitgesloten dat ook eigen veronderstellingen een rol spelen. Maar voor al deze scenario's geldt, dat het niet meer dan scenario's (= veronderstelde loop der gebeurtenissen) zijn; het zijn geen feiten (een feit is datgene dat werkelijk is of heeft plaatsgehad, een gebeurtenis of omstandigheid waarvan de werkelijkheid (of het geschied zijn) vast staat).
Ik ga van het volgende uit…
…
En dat de Nederlandse autoriteiten op het moment van de ontvangst van de microfiches mochten uitgaan van de rechtmatigheid van de verkrijging van deze gegevens en deze gegevens als start informatie voor onderzoek mochten gebruiken….
7.1.A.4
Het bewijs is rechtmatig verkregen.
…
Van belang zijn de volgende 3 verkrijgingsmomenten;
…
- b:
de verkrijging door de Belgische justitie;
- c:
de uitwisseling van de informatie naar Nederland.
Ad b: de verkrijging door de Belgische justitie.
… Ook de rechtbank Amsterdam, voor welke de eerste zaak uit het rekeningenproject aanhangig was, wilde graag weten hoe die verkrijging in zijn werk was gegaan. Op het daartoe door het parket Amsterdam opgestelde rechtshulpverzoek heeft de procureur-generaal bij het Hof van beroep te Brussel d.d. 3 maart 2003 met een beroep op artikel 22 van het Benelux-rechtshulp verdrag medegedeeld, dat geen inhoudelijk antwoord gegeven zou kunnen worden, omdat de wezenlijke belangen van de Belgische Staat dan in het gedrang zouden worden gebracht en voorts de beantwoording het geheim van het nog niet afgesloten onderzoek in België zou kunnen schaden. Duidelijkheid van uit België zal dus niet, althans niet op korte termijn, worden verkregen.
…
Wellicht ten overvloede merk ik op dat het overigens geenszins zo is dat in België vaststaat dat de verkrijging van de microfiches onrechtmatig is…
Ad c: de spontane uitwisseling van de Belgische belastingdienst naar de Nederlandse.
…
Conclusie 7.1.A.
1.A:
gelet op het vorenstaande ben ik, van mening dat er bij de verkrijging van de microfiches geen sprake is van (strafrechtelijk) onrechtmatig verkregen bewijs, dat in Nederland niet gebruikt zou mogen worden bij de oplegging van aanslagen en/of boete aan Nederlandse belastingplichtigen…
7.1.B.3.
… Overigens betwist ik dat bij de Nederlandse fiscus wetenschap aanwezig was omtrent het veronderstelde handelen van de Belgische autoriteiten; tot het opwerpen van de diverse onrechtmatigheidsverweren was niet meer bekend dan de vermoedelijke ontvreemding door de werknemers van KBL. De andersluidende speculaties van de belanghebbende zijn niet op feiten gestoeld. …
7.1.b.4
onderzoeksplicht?
Er rust geen plicht op de Nederlandse overheid om actief te onderzoeken of de verkrijging in het buitenland volgens de regels… is verlopen — nog daargelaten de vraag hoe de Nederlandse overheid dat dan zou moeten doen. Een dergelijke plicht is in strijd met het in het internationale verkeer bij uitwisseling van de gegevens tussen Staten geldende vertrouwensbeginsel. Het internationale vertrouwensbeginsel brengt mee dat bij de uitwisseling van gegevens tussen Staten de ontvangende Staat in beginsel de rechtmatigheid van de verkrijging van die gegevens door de andere Staat niet behoeft te onderzoeken: de ene Staat mag er op vertrouwen dat de andere Staat de regels bij het verkrijgen van de informatie heeft nageleefd. Dit betekent, dat bij de internationale uitwisseling van gegevens (zoals in het onderhavige geval op basis van een rechtshulpverdrag) de ontvangende partij zich in beginsel niet hoeft af te vragen of aan de verkrijging van die informatie in het buitenland enig gebrek zou kleven. De ontvangende Staat mag er immers op vertrouwen dat een verdragstaat zijn (opsporings-) bevoegdheden in overeenstemming met de verdedigingsrechten van het EVRM zal uitoefenen….
Op het moment dat de Nederlandse overheid de onderhavige microfiches kreeg, had zij geen enkel vermoeden of aanwijzing… dat er enige onregelmatigheid zou zijn bij de verkrijging in België. Het enige vermoeden dat cq. wetenschap die bestond was dat de microfiches mogelijk oorspronkelijk van diefstal afkomstig waren. De meer dan eens geuite veronderstelling dat de Nederlandse autoriteiten van het door de belanghebbende (en) veronderstelt onrechtmatig handelen van de Belgische autoriteiten op de hoogte zouden zijn (geweest) of dat (in) formeel vooroverleg tussen de Staten zou hebben plaatsgevonden, is ongefundeerd en onjuist. Alle gegevens over hetgeen in België zou (kunnen) zijn gebeurd, waaronder het verslag van het comité P, zijn pas in een veel later stadium door de diverse belanghebbenden aangedragen.
…
Dat betekent dat de Nederlandse overheid cq. belastingdienst niet meer hoefde (maar ook niet kon) onderzoeken dan de vraag of het feit, dat gegevens oorspronkelijk afkomstig zijn uit diefstal het gebruik daarvan in Nederland ten behoeve van de belastingheffing in de weg stond. Dit onderzoek is verricht en resulteerde in de nota rechtmatigheid. Daarvoor was jurisprudentie onderzoek vereist. Veldonderzoek is daarvoor niet nodig.
Met het doen van dit jurisprudentie-onderzoek heeft de Nederlandse overheid voldaan aan de op haar rustende onderzoeksplicht. Zij heeft gehandeld zoals het een zorgvuldige overheid betaamt.
In dit verband merk ik, wellicht ten overvloede, nog op dat de suggesties dat de Nederlandse overheid wetenschap had over de wijze van verkrijging van de microfiches door de Belgische overheid, onjuist zijn. Deze suggesties berusten, voor zover ik kan nagaan, op het onvoldoende onderscheiden van de diverse verkrijgingsmomenten: de verkrijging door de werknemers in Luxemburg en de verkrijging door de overheid in België worden over één kam geschoren. De niet-rechtmatige verkrijging in Luxemburg was bekend; deze noopte tot onderzoek…over de verkrijging in België bestond geen wetenschap. Het in de nota rechtmatigheid genoemde uitgangspunt omtrent de verkrijging uit België berust op de aanbiedingsbrief van de Belgische belastingdienst bij de microfiches. Daarin wordt vermeld uit welk dossier de microfiches afkomstig zijn. Daar wordt voorts vermeldt, dat de gegevens door het Belgische OM in beslag zijn genomen en dat de Belgische belastingdienst toestemming heeft gekregen om deze gegevens te raadplegen en uit te wisselen. Zoals steeds vaker opgemerkt was op grond van het internationaal vertrouwensbeginsel een verder of ander onderzoek dan in de nota rechtmatigheid niet nodig cq. niet mogelijk…’.
Tot zover het citaat uit het door de inspecteur bij het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch onder nr BK-04/01649 op 17 maart 2005 ingediende verweerschrift.
De stellingname van de inspecteur was dezelfde in alle vergelijkbare procedures, tot en met de Hoge Raad.
De inspecteur heeft gesteld: ‘… Hij ([A]) was niet in het verhaal geïnteresseerd, het was voor hem niet relevant, en hij hoefde het daarom niet te horen.
Dat is in overeenstemming met wat [A] daarover onder ede verklaard heeft.
[C] verklaart dat [A] hem wilde spreken over de wijze waarop de documenten in bezit waren gekomen van de Belgische justitie. Dat is dus in tegenspraak met wat [A] daarover, onder ede, heeft verklaard en in tegenspraak met wat de inspecteur, daarover, in alle vergelijkbare procedures bij alle gerechtelijke colleges heeft verklaard.
Een inspecteur die aldus optreedt kan zich niet meer op een redelijk vermoeden baseren.
Belanghebbende kan zich overigens verenigen met de uitspraak van het hof.
Met conclusie:
Dat het uw Raad moge behagen op voormelde en/of op door uw Raad ambtshalve te bevinden gronden de uitspraak van het Gerechtshof Anrhem-Leeuwarden te bevestigen onder de bepaling dat de griffierechten aan belanghebbende worden gerestitueerd en tevens de inspecteur, althans de Staat, te veroordelen tot vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Beroepschrift 26‑01‑2015
Den Haag, [26 JAN 2015]
Kenmerk: DGB 2015-152
Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 december 2014, nr. 13/01227, inzake [X] te [Z] betreffende de informatiebeschikking met betrekking tot de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2009. Van deze uitspraak is op 17 december 2014 een afschrift aan de Belastingdienst, [P] toegezonden.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlands recht, met name van de artikelen 47 en 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en/of artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat de inspecteur onvoldoende heeft aangedragen om te onderbouwen dat belanghebbende rekeninghouder is of is geweest bij KB Lux, zulks ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen omdat:
- a.
de inspecteur in zijn pleitnota heeft gewezen op de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2014:4348) waarin gemotiveerd is aangegeven waarom voldoende bewezen is dat belanghebbende rekeninghouder was/is bij KB Lux;
- b.
in de in onderdeel a. genoemde uitspraak van Rechtbank Gelderland de uitspraak in hoger beroep van de strafzaak wordt geciteerd, waaruit blijkt dat het Hof bewezen acht dat verdachte en zijn echtgenote in 1994 een rekening hadden bij KB Lux, met een saldo volgens het fiche van NLG 490.505,75;
- c.
in het hoger beroep van de strafzaak het oordeel inzake de identificatie derhalve volledig overeind is gebleven, doch door het Hof is geoordeeld dat voor de periode waarop de strafzaak zag (1996–1999) ondanks de ernstige aanwijzingen dat verdachte nog steeds de beschikking over de rekening had, het dossier hiervoor onvoldoende wettig bewijs bevatte;
- d.
het Hof in casu ten onrechte op basis van het oordeel van de strafrechter heeft geoordeeld dat de inspecteur onvoldoende heeft onderbouwd dat belanghebbende rekeninghouder is of was bij KB Lux.
Feitelijk kader
1.
In het kader van het zogenoemde rekeningenproject heeft de Belastingdienst de beschikking gekregen over microfiches met gegevens van rekeninghouders bij KB Lux.
2.
Op het microfiche stond wat deze zaak betreft het volgende vermeld:
- —
[001] TER LDO [X] — [X-Y] 490.505,75
- —
[002] VUE [X] — [X-Y] — /- 222,75
3.
Belanghebbendes voornaam is [VOORNAAM] en hij is getrouwd met [X-Y]
4.
In de uitspraak van Rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2014:4348), waarnaar de inspecteur verwees in zijn pleidooi wordt over deze namen en de identificatie het volgende citaat uit de uitspraak van de strafrechter in hoger beroep aangehaald:
‘Op enkele van de microfiches komt de naam [X] — [X-Y] voor. Gelet op het feit dat verdachte [X] heet en de naam van zijn echtgenote [X-Y] is, is verdachte geïdentificeerd als rekeninghouder van rekeningnummer (…) bij KB Lux. Getuige [A] heeft in deze verklaard dat er slechts in een beperkt aantal gevallen sprake is geweest van mogelijke onjuiste identificatie, dat in deze gevallen het proces nog een keer handmatig is overgedaan en dat ze deze zaken wegens lichte twijfel hebben laten vallen omdat ze honderd procent zekerheid wilden. [A] heeft hierbij verklaard dat er bij verdachte en zijn broer, medeverdachte [B], een driedubbele check heeft plaatsgevonden, dat de naam slechts één keer in Nederland voorkomt en dat hij er 100% zeker van is dat de onderhavige identificatie een juiste identificatie betreft. Gelet op de opmerkelijke combinatie van de geslachtsnamen van verdachte en zijn echtgenote en de wijze waarop de identificatie van de rekeninghouders van KB-Lux heeft plaatsgevonden, acht het hof bewezen dat verdachte en zijn echtgenote in 1994 een rekening hadden bij KB Lux. Het saldo op deze rekening bedroeg blijkens het afschrift van de fiches fl 490.505,75.’
5.
De strafrechter in hoger beroep heeft belanghebbende alleen vrijgesproken van het ten laste gelegde feit, het doen van een onjuiste aangifte in de periode 1996–1999. Dit mede op basis van een getuigeverklaring waaruit naar voren kwam dat bij een bezoek aan KB Lux alleen de broer van belanghebbende geld van zijn rekening heeft gehaald. Het Hof achtte onvoldoende wettig bewezen dat belanghebbende in de jaren 1996–1999 een onjuiste aangifte had gedaan, nu voor die periode geen ander bewijs is aangevoerd dan het fiche met het saldo per 31 januari 1994.
Toelichting op het middel
Het Hof heeft ten onrechte als uitgangspunt genomen dat de inspecteur zich wat betreft de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder van KB Lux uitsluitend heeft gebaseerd op het oordeel van Hof Amsterdam, inhoudende dat de strafrechtelijke veroordeling onherroepelijk vaststond. Ook is het Hof er ten onrechte vanuit gegaan dat de strafrechter in hoger beroep het oordeel inzake de identificatie zou hebben vernietigd.
Uit de door de inspecteur aangedragen uitspraak van Rechtbank Gelderland blijkt duidelijk dat in hoger beroep de strafrechter bewezen acht dat belanghebbende samen met zijn echtgenote op 31 januari 1994 rekeninghouder was bij KB Lux en op die rekening een saldo aanhield van NLG 490.505,75. Ook blijkt uit die uitspraak dat de strafrechter van mening is dat er ernstige aanwijzingen bestaan dat belanghebbende nog steeds de beschikking had over deze bankrekening.
Gelet op deze feiten is onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat de inspecteur zich in redelijkheid niet op het standpunt kan stellen dat de informatie met betrekking tot de rekening bij KB Lux niet van belang kon zijn voor de belastingheffing in de zin van artikel 47 AWR. Nog onbegrijpelijker wordt het oordeel van Hof wanneer daarbij betrokken wordt het door het Hof aangehaalde arrest HR 1 november 2013, 12/02792, ECLI:NL:HR:2013:1017, BNB 2013/255.
Uit tal van arresten van de Hoge Raad inzake KB Lux volgt dat wanneer op 31 januari 1994 een saldo bekend is van meer dan NLG 100.000, dit zelfs voldoende is voor het bewijs van de boete in de latere jaren (in deze arresten ging het meestal om de periode tot en met het jaar 2000).
Hieruit volgt dat nu voldoende bewezen is dat belanghebbende rekeninghouder was in 1994 van een rekening met een saldo van bijna NLG 500.000 de inspecteur gerechtvaardigde belangen had voor de heffing van het onderhavige jaar om inzicht te verkrijgen in bijvoorbeeld hoeveel het saldo in dit jaar bedroeg of waaraan het destijds aanwezige saldo is besteed dan wel waar dit thans is ondergebracht.
Het Hof heeft miskend dat de strafrechter niet heeft geoordeeld dat onvoldoende bewezen is dat belanghebbende een rekening bezit. De strafrechter heeft slechts geoordeeld dat ondanks het bewijs van het zijn van rekeninghouder voor de jaren 1996–1999 onvoldoende wettig bewezen is dat belanghebbende een in strafrechtelijke zin onjuiste aangifte heeft gedaan. De strafrechter is zelfs van mening dat er ernstige aanwijzingen zijn dat belanghebbende de rekening in latere jaren nog aanhield. Onder deze omstandigheden had het Hof nooit tot het oordeel mogen komen dat de inspecteur onvoldoende heeft aangedragen voor een redelijk vermoeden dat de gevraagde gegevens van belang konden zijn voor de belastingheffing van belanghebbende in het onderhavige jaar.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco