Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/9.1
9.1 Toetsingskader voor schending
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS497122:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.aant. Thomas), § 53 (met verwijzing naar Jalloh).
EHRM 11 juli 2006 (Jalloh t. Duitsland), NJ 2007, 226 (m.nt. Schalken); NJCM-Bulletin, jrg. 32 (2007) (m.nt. Van Kempen), § 117. Zie eerder onder meer EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)), § 44 (met verwijzing naar de zaken Heaney en McGuinness en J.B.).
In § 3.5.2.1 merkte ik op dat het Hof in § 274 van de zaak Ibrahim e.a. (EHRM 13 september 2016 (Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk), NJB 2017/267) een niet-limitatieve opsomming geeft van (uit zijn rechtspraak over art. 6 EVRM voortvloeiende) relevante factoren voor de vaststelling van de ‘impact’ van procedurele tekortkomingen tijdens het vooronderzoek op de ‘fairness’ van de strafprocedure als geheel. De hier bedoelde drie omstandigheden ofwel toetsingsfactoren voor schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting worden daarin genoemd of zijn daaruit rechtstreeks te herleiden.
Zie eerder Roles 2010, p. 22.
Zie § 2.5.3 hiervoor.
Dit nog ter onderscheiding van zaken waarin de autoriteiten mogelijk belastende informatie heimelijk verkrijgen, doordat zij de verdachte in een situatie (doen) manoeuvreren, die gelijk is aan een verhoor zonder procedurele waarborgen. Vgl. EHRM 5 november 2002 (Allan t. Verenigd Koninkrijk), NJ 2004, 262 (m.nt. Schalken (onder NJ 2004, 263)), waarin overigens sprake was van psyschische dwang.
In de voorbije drie hoofdstukken heb ik het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting bepaald en geordend. Dit recht strekt zich uit tot verklaringen en (bepaald) fysiek bewijs, die van de ‘person charged’ worden verkregen en hem kunnen belasten in een lopende of komende strafprocedure, terwijl hij geen keuze had om al dan niet mee te werken.
Toetsingsfactoren; ijkpunt – wezenlijke aantasting
Is eenmaal vastgesteld dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting toepasselijk is – het EHRM stelt dit niet steeds uitdrukkelijk vast in het operationele deel van zijn uitspraken –, dan komen de zogenoemde toetsingsfactoren voor schending in beeld (‘the factors (…) determining whether the applicant’s privilege against self-incrimination had been violated’).1 Die factoren strekken ertoe vast te stellen of de wijze van verkrijging van het bewijs van de verdachte en/of het gebruik ervan tegen hem, ontaardt in schending van het zwijgrecht respectievelijk het niet-meewerkrecht – en daarmee een onbehoorlijk strafproces. De toetsingsfactoren geven uitdrukking aan het niet-absolute karakter van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Daarop zijn inbreuken ofwel beperkingen toegestaan. Of die beperkingen resulteren in de schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting, is casusspecifiek ofwel situatieafhankelijk.
Inmiddels is vaste rechtspraak dat ‘in examining whether a procedure has extinguished the very essence of the privilege against self-incrimination, the Court will examine the nature and degree of the compulsion, the existence of any relevant safeguards in the procedures and the use to which any material so obtained is put’.2 Binnen de globale benadering zijn er dus drie (specifieke) omstandigheden waarop het Hof zich concentreert bij de toetsing van een klacht over schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting aan art. 6 EVRM.3 Die betreffen de aard en omvang van de dwang, het bestaan van relevante waarborgen in de nationale procedures en het gebruik(sdoel) van de afgedwongen medewerking. IJkpunt hierbij is of, alles overziend, het recht tegen gedwongen zelfbelasting wezenlijk is aangetast.
Het gewicht van de toetsingsfactoren
Afhankelijk van de omstandigheden en het toepasselijke nationale recht, toetst het Hof de ene factor intensiever dan de andere. Omdat de op de verdachte uitgeoefende dwang sinds Funke leidmotief van de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak is4, zal deze factor in de regel voorop staan. Dat het Hof ook andere (typische) omstandigheden meeweegt, kan vooral worden verklaard door de manier waarop het Hof een klacht over schending van een verdragsbepaling toetst, te weten concreet en globaal.5 Dit in het licht van zijn opvatting dat het recht tegen gedwongen zelfbelasting bijdraagt aan de realisatie van het recht op een behoorlijk strafproces.
De procedurele waarborgen in de nationale procedure en het gebruik(sdoel) van de afgedwongen medewerking, zijn niet of minder eenvoudig te herleiden tot het nemo tenetur-beginsel dan geldt voor de op de verdachte uitgeoefende dwang tot zelfbelasting (als toetsingsfactor voor schending).
Aard en mate van dwang
Hierna zal ik onderzoeken wanneer sprake is van een aard en mate van dwang die kan ontaarden in schending van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Vertrekpunt zijn de bevindingen in de vorige drie hoofdstukken met betrekking tot de op de verdachte uitgeoefende dwang als criterium voor de toepasselijkheid van het zwijgrecht en het niet-meewerkrecht. Omdat het onderscheid tussen de drie toetsingsfactoren voor schending niet scherp is, zal ik af en toe een voorschot nemen op de komende twee hoofdstukken. Daarin komen deze factoren zelfstandig aan de orde. Hetzelfde geldt voor publieke belangen die onder meer in nemo tenetur-zaken kunnen spelen. Zie daarover hoofdstuk 12 hierna.
Voor wat betreft de zaken waarin dwang op de verdachte wordt uitgeoefend, ligt de focus hierna op de zaken waarin dwang wordt opgeroepen door juridische sancties gesteld op de niet-nakoming van een (wettelijke) meewerkplicht.6 Niet-juridische, feitelijke dwang zal vooral spelen in situaties waarin de gevorderde medewerking niet steunt op een wettelijke meewerkplicht (vgl. Jalloh). Feitelijke dwang komt hierna enkel aan de orde in relatie tot (de schending van) art. 3 en/of 8 EVRM.
Waar nodig zal ik in het vervolg uitdrukkelijk aangeven waar de toetsingsfactoren voor schending (mogelijk) afwijken naar gelang het zwijgrecht, het niet-meewerkrecht en/of de latente werking van het niet-meewerkrecht in het geding is. Die afwijkingen zijn naar mijn oordeel (zeer) beperkt.