Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/5.5.1
5.5.1 Algemene uitgangspunten
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS469158:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.3.5.
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – Art. 54b – 1-2 (MvT).
OK 21 juni 1979,NJ 1980, 71 (Batco Nederland).
Vergelijk art. 3: 33 BW: ‘Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die zich door een verklaring heeft geopenbaard.’
Van Schilfgaarde 1980. Zie ook zijn overpeinzingen in Van Schilfgaarde 1977.
Zie voor een overzicht van de vraagpunten en opvattingen hierover Geerts 2004, p. 305-312. Vergelijk Asser-Maeijer 2-III 2000, p. 823.
Treffend is de conclusie van Geerts (2004, p. 310) wat betreft de vraag of de tijdelijke overdracht ten titel van beheer gepaard dient te gaan met certificering: ‘Dat de OK in een aantal beschikkingen de tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer in de vorm van een certificering van aandelen heeft gegoten klopt, maar uit die beschikkingen kan niet worden afgeleid dat de OK ervan uitgaat dat de overdracht ten titel van beheer (...) neerkomt op certificering van aandelen. Door de vrijheid die de OK op dit punt heeft kan zij eindeloos variëren en kiezen voor het certificeren van aandelen. Dat staat de OK vrij. Het staat haar echter ook vrij om dat niet te doen. Dat gebeurt ook regelmatig.’
Vergelijk A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (overweging 3.21) bij HR 4 oktober 2002,JOR 2002, 214 (Zwagerman Beheer II, m.nt. Van den Ingh), naar aanleiding van de beslissing van de OK dat de door haar benoemde commissaris op kosten van de vennootschap een aansprakelijkheidsverzekering mag afsluiten: ‘Het is dus de vraag of het hier gaat om voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW of het regelen van de gevolgen van een door de Ondernemingskamer getroffen voorziening.’
Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXy – Art. 356 – 1 (MvT). Vergelijk paragraaf 2.4.
Aldus ook Boukema (Rechtspersonen), art. 2: 356, aant. 5.
HR 4 november 1987,NJ 1988, 578, r.o. 3.3 (Van den Berg I, m.nt. Maeijer); HR 4 juni 1997,NJ 1997, 671, r.o. 4.7.1 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
OK 29 november 2001,JOR 2002, 7 (Zwagerman Beheer). De OK overweegt dat zij het treffen van deze ‘voorziening’ te meer noodzakelijk acht ‘nu de vennootschap ongeclausuleerd heeft geweigerd tegenover de commissaris te verklaren dat zij hem niet in verband met diens functioneren [zal] aanspreken.’
HR 4 oktober 2002,JOR 2002, 214, r.o. 3.3 (Zwagerman Beheer II, m.nt. Van den Ingh). Ook de in OK 5 maart 2003,ARO 2003, 51 (Makelaardij Huis 77) benoemde commissaris mag zich op kosten van de vennootschap verzekeren tegen (de gevolgen van) eventuele aansprakelijkheid. Uit OK 26 mei 2003,ARO 2003, 89 (Makelaardij Huis 77) blijkt echter de commissaris de OK heeft verzocht hem uit zijn functie te ontheffen. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij er niet in is geslaagd op aanvaardbare voorwaarden een verzekering als boven bedoeld te sluiten, dat ervan moet worden uitgegaan dat niet alle partijen in deze zaak hem willen toezeggen dat zij hem niet aansprakelijk zullen stellen noch dat zij hem willen vrijwaren indien hij aansprakelijk wordt gesteld en dat een van de partijen hem aansprakelijk heeft gesteld voor beweerdelijk geleden en nog te lijden schade ten gevolge van de wijze waarop hij zijn functie heeft vervuld. De OK wijst het verzoek toe.
Vergelijk: OK 31 maart 2006,ARO 2006, 88 (NIBO); OK 8 januari 2007,ARO 2007, 27 (Willem III Meubilering Beheer). Zie over deze kwestie onder andere: Tuijtel 2007; Croiset van Uchelen 2008, p. 222 e.v.
OK 6 juli 2006,ARO 2006, 137, dictum (Taxi Centrale Amsterdam).
OK 14 november 2006,ARO 2006, 185, r.o. 3.3-3.5 (Taxi Centrale Amsterdam).
OK 23 januari 2007,ARO 2007, 23, r.o. 3.1 (Stichting Administratiekantoor Van de Steege Woningmakelaars Groep); OK 5 april 2007,ARO 2007, 69, r.o. 3.1 (Stichting Administratiekantoor Holding Heerseweg).
P-v 19 december 1996, rekestnr. 1023/96 OK (GMP Holding); OK 2 mei 1996,JOR1996, 56 (ITP Holland Beleggingsmaatschappij) (zie paragraaf 5.4.2.3).
HR 1 maart 2002,JOR 2002, 79, r.o. 3.9 (Zwagerman Beheer I, m.nt. Van den Ingh).
HR 14 september 2007,JOR 2007, 238, r.o. 4.2 en 4.3 (Versatel Telecom International): de OK mag ingevolge art. 2: 349a lid 2 BW commissarissen mag aanstellen met bijzondere, van bepalingen van dwingend recht afwijkende, bevoegdheden omdat de onmiddellijke voorzieningen, anders dan de in art. 2: 356 limitatief opgesomde maatregelen, het karakter hebben van ordemaatregelen voor de duur van het geding.
Zie over deze kwestie uitgebreider: Croiset van Uchelen 2008, p. 199 e.v. Croiset van Uchelen stelt dat het door de HR in Zwagerman Beheer I gegeven oordeel heroverweging behoeft en dat de OK ook bij het treffen van voorzieningen ex art. 2: 356 BW moet kunnen afwijken van bepalingen van dwingend recht indien daartoe aanleiding bestaat.
HR 28 juni 2000,NJ 2000, 556, r.o. 3.4,JOR 2000, 151 (Hoffmann Beheer).
HR 4 juni 1997,NJ 1997, 671, r.o. 4.1.2 jo. 4.1.1 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer). In de onderhavige setting wordt naar mijn mening onder schuld vooral verstaan oorzaakschuld (de bestuurder of commissaris is mede de veroorzaker van het wanbeleid) en niet zozeer faalschuld(de bestuurder of commissaris had anders kunnen en behoren te handelen). Ik kom hier op terug in paragraaf 6.2.
HR 4 oktober 2002,JOR 2002, 214, r.o. 3.2.4 (Zwagerman Beheer II, m.nt. Van den Ingh).
In soortgelijke zin Schaafsma-Beversluis (Rechtsvordering), art. 278, aant. 5: het verzoek moet ‘met redenen zijn omkleed’. Men kan niet volstaan met een ongemotiveerd verzoek dat later wordt aangevuld. De gronden moeten in het verzoekschrift staan op straffe van niet-ontvankelijkheid. Vergelijk Bundel Wetsgeschiedenis, p. IXa – 57 (MvA): ‘Degene die nadere voorzieningen verzoekt, zal moeten aangeven welke voorzieningen hij van de rechter verlangt.’ Voor verweerschriften (inclusief de daarin vervatte tegenverzoeken) geldt mijns inziens op grond van art. 282 lid 1 Rv hetzelfde.
Vergelijk: Asser-Maeijer 2-III 2000, p. 815; Van Schilfgaarde/Winter 2009, nr. 123; A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie (overweging 3.4) bij HR 4 oktober 2002,JOR 2002, 214 (Zwagerman Beheer II, m.nt. Van den Ingh). Zie in andere zin Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 367.
OK 1 februari 2006,ARO 2006, 46 (S. van Baarsen Halfweg).
Blijkens r.o. 3.5 hebben verzoekers bewust niet om vernietiging van het desbetreffende besluit verzocht omdat ‘de uitvoering daarvan gelet op het verloop van tijd, onmogelijk zal zijn’, terwijl uit het onderzoeksverslag voorshands geen aanknopingspunten zijn te vinden dat met de transactie schade is toegebracht aan de vennootschap onderscheidenlijk de aandeelhouders.
Vergelijk ook art. 2.1.2.7 Procesreglement verzoekschriftprocedures handels- en insolventiezaken gerechtshoven: ‘Bij verbetering, aanvulling of verduidelijking van het verzoekschrift wordt een herziene versie van het verzoekschrift ingediend, onder vermelding van het oorspronkelijke zaaknummer en de datum van ontvangst ter griffie van het oorspronkelijke verzoekschrift, voor zover bekend. In de kop van het verzoekschrift wordt tevens vermeld dat het een herziene versie betreft. Als datum van indiening geldt de datum waarop het oorspronkelijke verzoekschrift is ingediend.’
OK 30 juli 2001, rekestnr. 561/2001 OK, r.o. 4.6 (Cohere Holding).
OK 27 juli 2000,JOR 2000, 195, r.o. 3.6 (Cocon).
HR 30 maart 2007,JOR 2007, 138, r.o. 4.4 (ATR Leasing, m.nt. Josephus Jitta): ‘De Ondernemingskamer [zal] geen beslissing mogen geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Het staat de Ondernemingskamer dan ook niet vrij beslissingen te geven of voorzieningen te treffen die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd.’
Onder andere: OK 16 februari 2006,ARO 2006, 47 (Beheermaatschappij Trial); OK 20 juni 2007,ARO 2007, 110 (Cordial Beheer en Registergoederen); OK 9 augustus 2007,ARO 2007, 145 (Pondac Products); OK 17 december 2007,ARO 2008, 10 (De Hasker Appelhof Holding). Zie voor twee voorbeelden waarin deze toevoeging in het in het verweerschrift vervatte tegenverzoek (art. 282 lid 4 Rv) is opgenomen: OK 8 oktober 1998,JOR 1998, 166 (Hoffmann Beheer, m.nt. Josephus Jitta); OK 8 september 2008,ARO 2008, 159 (e-Traction Europe).
159. In hoofdstuk 2 is getoond dat de minister in 1970 een summiere toelichting heeft gegeven op de bevoegdheid van de Ondernemingskamer tot het treffen van voorzieningen. Deze toelichting houdt in de kern in dat het treffen van voorzieningen het karakter heeft van een ultimum remedium voor het geval de vennootschap zelf niet is staat of bereid is het wanbeleid te beëindigen en dat de Ondernemingskamer bij het treffen van voorzieningen terughoudendheid moet betrachten en niet op de stoel van de ondernemer moet gaan zitten. Over de aard en werking van de limitatief opgesomde voorzieningen zelf – daaronder begrepen de in 1989 toegevoegde voorziening ‘tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer’ – is nagenoeg geen uitleg gegeven, behalve dat de minister enkele situaties heeft geschetst waarin de onderscheiden voorzieningen zouden kunnen worden getroffen.1 Ik voeg hier thans aan toe dat ook de toelichting op art. 54b WvK (voorloper van art. 2: 357 lid 2 BW, dat bepaalt dat de Ondernemingskamer zo nodig de gevolgen regelt van de door haar getroffen voorzieningen) karig is. De minister merkt bij wijze van voorbeeld slechts op: ‘Zo zou de vernietiging van een besluit (...) zonder meer, consequenties kunnen hebben, die ten opzichte van derden te goeder trouw onaanvaardbaar zijn. Het is daarom gewenst de ondernemingskamer de bevoegdheid te geven, bij de vaststelling van de gevolgen van haar beslissingen met alle in aanmerking komende belangen rekening te houden.’2
160. De betrekkelijk summiere toelichting rond (de aard van) de mogelijk te treffen voorzieningen heeft in het verleden tot diverse vragen aanleiding gegeven in de literatuur. Zo heeft Van Schilfgaarde naar aanleiding van de beschikking inzake Batco Nederland3 – waarin door de Ondernemingskamer het besluit tot sluiting van een fabriek in Amsterdam is vernietigd – de vraag opgeworpen of wel ie-der besluit dat door het bestuur wordt genomen een rechtshandeling4 – ergo: een vernietigbaar besluit – is.5 Ook over de tijdelijke overdracht ten titel van beheer bestaat onduidelijkheid. Constitueert de beschikking waarin deze voorziening wordt getroffen de overdracht of is een nadere leveringshandeling vereist? Stelt het bevel tot overdracht de in de statuten vervatte blokkeringsregeling ter zijde? Dienen er certificaten van aandelen te worden uitgegeven? Ik besteed verder geen aandacht aan de verschillende opvattingen ter zake6, ook omdat uit de desbetreffende beschikkingen blijkt – ik kom hier op terug – dat de Ondernemingskamer een eigen koers vaart en zich om deze vragen niet bekommert.7 Onduidelijk is eveneens welke de precieze reikwijdte is van het bepaalde in art. 2: 357 lid 2 BW en wanneer het regelen van de gevolgen gaat wringen met de in art. 2: 356 BW limitatief omschreven voorzieningen.8 Deze scheidslijn is mede vervaagd door de toelichting op de uitbreiding in 1989 van art. 2: 356 BW met de tijdelijke overdracht van aandelen ten titel van beheer. De minister geeft aan dat hij deze voorziening net als de andere voorzieningen uit art. 2: 356 BW niet nader heeft uitgewerkt, maar dat de Ondernemingskamer zo nodig onderdelen van de geschillenregeling van overeenkomstige toepassing kan verklaren.9 Hieruit kan bijvoorbeeld worden afgeleid dat hoewel de Ondernemingskamer niet bij wijze van voorziening ex art. 2: 356 BW het stemrecht op aandelen mag schorsen, zij dit wel mag doen bij wijze van regeling van de gevolgen van een bevolen overdracht van aandelen ten titel van beheer (vergelijk art. 2: 339 lid 2 BW).10 De Ondernemingskamer mag mijns inziens het stemrecht op de aandelen ook op een later moment in de procedure schorsen in geval de aandeelhouder niet meewerkt aan de overdracht (gesteld dat nog een leveringshandeling is vereist). Uit de verwijzing naar de geschillenregeling volgt bovendien dat zij in dat geval op grond van art. 2: 357 lid 2 BW kan bepalen dat de vennootschap namens hem de aandelen levert (vergelijk art. 2: 341 lid 4 BW). Ook de jurisprudentie van de Hoge Raad levert wat betreft de reikwijdte van art. 2: 357 lid 2 BW weinig houvast. Weliswaar heeft hij in de procedures inzake Van den Berg I en Text Lite Holding uitgemaakt dat in de art. 2: 356 en 2: 357 BW ruime bevoegdheden zijn vervat, niet alleen om het wanbeleid te beëindigen, maar ook om de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken11 en heeft hij in de beschikking inzake Zwagerman Beheer II de op art. 2: 357 lid 2 BW gebaseerde beslissing van de Ondernemingskamer12 gesanctioneerd dat het de door haar tijdelijk benoemde commissaris is toegestaan zich op kosten van de vennootschap te verzekeren tegen, samengevat, (de gevolgen van) eventuele persoonlijke aansprakelijkheid13. Maar hoe denkt ons hoogste rechtscollege bijvoorbeeld over de beslissing van de Ondernemingskamer om decharge te verlenen aan de door haar benoemde commissarissen respectievelijk de buitenstaander aan wie de aandelen ten titel van beheer zijn overgedragen?14 En doorstaat de creatieve oplossing in de procedure inzake Taxi Centrale Amsterdam de toets der kritiek? De Ondernemingskamer oordeelt in de beschikking van 6 juli 2006 dat uit het verslag van wanbeleid is gebleken en veroordeelt de Stichting Administratiekantoor Taxicentrale Amsterdam (hierna: STAK TCA) voor een termijn van zes maanden alle door haar gehouden aandelen ten titel van beheer over te dragen aan een buitenstaander ([V]).15 Deze voorziening gaat de verzoekers echter niet ver genoeg. Zij dienen daarom in september 2006 onder andere het verzoek in de statuten van STAK TCA te wijzigen overeenkomstig het aan het verzoekschrift gehechte concept van een akte van statutenwijziging. De Ondernemingskamer volgt de verzoekers in zoverre in hun betoog, dat ook zij meent dat de statutaire structuur van de stichting gewijzigd dient te worden.16 Zij deelt echter niet het standpunt van verzoekers – een standpunt dat zij naderhand hebben ingenomen – dat de gewenste statutenwijziging bij wijze van regeling van de gevolgen van de bevolen overdracht van de aandelen ten titel van beheer tot stand kan worden gebracht: een wijziging van de statuten op deze grond gaat de spankracht van art. 2: 357 lid 2 BW te buiten (rechtsoverweging 3.7). De Ondernemingskamer kiest voor een andere oplossing. Zij verlengt de geldingsduur van de tijdelijke overdracht van de aandelen ten titel van beheer, vooralsnog voor een termijn van twee jaar, wijst bij regeling van de gevolgen aan als (rechts)persoon aan wie de aandelen zijn overgedragen [V] en vanaf de dag van haar oprichting de Stichting Beheer Aandelen Taxi Centrale Amsterdam, beveelt de oprichting van deze stichting en bepaalt dat haar statuten in materiële zin dienen te luiden zoals die van de STAK TCA met verwerking daarin van de wijzigingen zoals die zijn weergegeven in de aan de beschikking gehechte kopie van een concept tot wijziging van de statuten van de STAK TCA. Uit deze beslissing kan naar mijn mening vooral worden afgeleid dat het begrip ‘spankracht’ een rekkelijk begrip is. De overwegingen roepen overigens nog de vraag op waarom de Ondernemingskamer kiest voor deze toch wel gekunstelde constructie, te meer nu daaraan voor de vennootschap een prijskaartje hangt. Is de verklaring dat zij zich niet bevoegd acht voorzieningen te treffen binnen stichtingen AK? Ik moet het antwoord schuldig blijven. Weliswaar heeft de Ondernemingskamer in twee beschikkingen uit 2007 verzoekers niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken tot het instellen van een onderzoek en – in het tweede geval – het treffen van onmiddellijke voorzieningen binnen de stichting AK omdat, kort gezegd, verzoekers gelet op het bepaalde in art. 2: 346 en 2: 347 BW ten opzichte van de stichtingen niet enquêtegerechtigd zijn.17 Hier staat tegenover dat de Ondernemingskamer in 1996 in de procedure inzake GMP Holding bij wijze van onmiddellijke voorziening een commissaris bij de vennootschap heeft aangesteld en deze persoon tevens tot bestuurder heeft benoemd van de stichting AK, onder schorsing van de directeuren van het administratiekantoor, terwijl zij in de procedure inzake ITP Holland Beleggingsmaatschappij de stichting AK opdraagt [L] tot bestuurder te benoemen.18
161. Het gemis aan een uitgebreidere toelichting omtrent de bevoegdheid tot het treffen van voorzieningen, maakt dat men voor het antwoord op de vraag of de Ondernemingskamer in de onderscheiden impassebeschikkingen is gebleven binnen de grenzen van haar bevoegdheden vooral is aangewezen op enkele uitspraken van de Hoge Raad. Van belang is in de eerste plaats de beschikking van 1 maart 2002 (Zwagerman Beheer I), waarin hij heeft bevestigd dat de opsomming in art. 2: 356 BW van mogelijk te treffen voorzieningen een limitatieve is, alsook dat de Ondernemingskamer aan door haar tijdelijk benoemde commissarissen – hetzelfde lijkt mij te gelden voor bestuurders – geen andere bevoegdheden kan toekennen dan de wet toelaat, ook niet via een (tijdelijke) aanpassing van de statuten (art. 2: 356 sub d BW).19 Ik leid uit deze overweging – in combinatie met de door de Ondernemingskamer getroffen voorziening, te weten de tijdelijke benoeming van een commissaris aan wie de bevoegdheden worden toegekend van de RvC van een structuurvennootschap – bovendien af dat deze begrenzing eveneens betrekking heeft op het regelen van de gevolgen als bedoeld in art. 2: 357 lid 2 BW (het toekennen van genoemde bevoegdheden betreft mijns inziens het regelen van de gevolgen). Ik roep echter in herinnering – ik heb in paragraaf 3.3.6.2 reeds aandacht besteed aan deze kwestie – dat niet helder is welke de reikwijdte is van de overweging van de Hoge Raad uit Zwagerman Beheer I. Mag hieruit, gelezen in samenhang met de latere beschikking van de Hoge Raad inzakeVersatel20, worden afgeleid dat de Ondernemingskamer met het treffen van voorzieningen ex art. 2: 356 BW niet mag afwijken van bepalingen van dwingend recht?21 En welke is in dit verband de betekenis van de beslissing van ons hoogste rechtscollege in de beschikking inzake Hoffmann Beheer dat de Ondernemingskamer aan het ontslag van een bestuurder op grond van art. 2: 356 sub b BW terugwerkende kracht kan verlenen, omdat zij bij het geven van voorzieningen ‘immers niet gebonden [is] aan de wettelijke of statutaire bepalingen ter zake van het ontslag van bestuurders doch (...) zij haar bevoegdheid om de voorzieningen te treffen die in de gegeven omstandigheden geboden zijn, [ontleent] aan het bepaalde in de artikelen 2: 355 en 2: 356 BW’?22 Van belang is voorts dat de Ondernemingskamer blijkens de beschikking inzake Text Lite Holding ter beantwoording van de vraag welke voorzieningen getroffen dienen te worden een oordeel mag geven over de schuldvraag (de individuele verantwoordelijkheid van bestuurders en commissarissen voor het wanbeleid)23, alsmede dat de Hoge Raad in de beschikking van 4 oktober 2002 aangaande Zwagerman Beheer heeft bepaald dat zij andere voorzieningen mag treffen dan waarom is verzocht, zij het dat zij dit in het algemeen gesproken slechts mag doen indien daartoe voldoende gronden bestaan, waarvan in de motivering melding gemaakt moet worden.24 Ik heb er in paragraaf 3.3.6.1 op gewezen dat in de literatuur wordt verdedigd dat, niettegenstaande het bepaalde in art. 278 Rv dat het verzoekschrift een duidelijke omschrijving dient te bevatten van het verzoek en de gronden waarop het berust25, verzoekers ook niet hoeven te specificeren welke voorzieningen zij getroffen willen zien.26 Het is evenwel de vraag of ook de Ondernemingskamer gecharmeerd is van deze opvatting, getuige althans haar beschikking inzake S. van Baarsen Halfweg.27
Verzoekers hebben de Ondernemingskamer onder meer gevraagd (2) te bepalen dat van wanbeleid van de vennootschap is gebleken en (3) een of meer van de in art. 2: 356 BW genoemde voorzieningen te treffen die zij geboden acht. Hoewel de Ondernemingskamer oordeelt dat de gang van zaken rond de gewraakte aandelentransactie door de vennootschap zonder meer wanbeleid oplevert (zie rechtsoverweging 3.3) – het verzoek onder (2) wordt dan ook toegewezen – wijst zij het verzoek onder (3) af: ‘Nu verzoekers hebben volstaan met het verzoek dat de Ondernemingskamer de voorzieningen als bedoeld in art. 2: 356 BW treft welke de Ondernemingskamer geraden acht en in geen enkel opzicht aandacht hebben besteed aan de vraag welke voorzieningen ter redressering van het wanbeleid aangewezen, voor de hand liggend of zinvol (kunnen) zijn, zal de Ondernemingskamer voorzieningen niet treffen.’ Hoewel dit oordeel naar mijn mening juist is vanwege het bepaalde in art. 278 Rv, komt nog wel de vraag op of de Ondernemingskamer eenzelfde beslissing had gegeven indien de transactie in financieel opzicht schade aan de vennootschap onderscheidenlijk haar aandeelhouders had toegebracht en het nog mogelijk was de uitvoering van het besluit terug te draaien.28Opmerking verdient voorts dat zij verzoekers ingevolge art. 283 Rv de gelegenheid kan bieden hun verzoek te verbeteren, aan te vullen of te verduidelijken.29 Dat de Ondernemingskamer niet in alle gevallen onwelwillend staat tegenover een dergelijke aanpassing, blijkt bijvoorbeeld uit de beschikking inzake Cohere Holding . De Ondernemingskamer overweegt met betrekking tot de verzoeken tot het treffen van voorzieningen (in zaak A en in zaak C): ‘In zaak A hebben verzoekers in het petitum als voorziening op de voet van de artikelen 2: 355 en 2: 356 BW ontslag van [E] als bestuurder van Cohere verzocht. De overige verzochte voorzieningen hebben zij aangemerkt als voorzieningen als bedoeld in artikel 2: 349a lid 2 BW. Uit het lichaam van het verzoekschrift (onderdeel 3.1) kan echter worden opgemaakt dat zij het oog hebben op deze voorzieningen als voorzieningen als bedoeld in de artikelen 2: 355 en 2: 356 BW. De Ondernemingskamer zal een voortgezette behandeling van de zaak gelasten bij gelegenheid waarvan verzoekers in zaak A zich dienaangaande nader kunnen uitlaten.’30 In de procedure inzake Cocon gaat de Ondernemingskamer (nog) praktischer te werk. Verzocht is de enig bestuurder met onmiddellijke ingang te ontslaan, de overdracht ten titel van beheer van de aandelen in Cocon aan een derde te bevelen en met onmiddellijke ingang een commissaris aan te stellen. De Ondernemingskamer overweegt dat dit verzoek in alle onderdelen voor toewijzing in aanmerking komt, maar dat de vennootschap alsdan wel zonder bestuur is: ‘Hoewel zulks niet in het verzoekschrift is verzocht gaat de Ondernemingskamer er daarom van uit dat dit onderdeel van het petitum moet worden gelezen als tevens het verzoek in te houden (tijdelijk) een bestuurder van Cocon BV aan te stellen, welk verzoek eveneens voor toewijzing vatbaar is.’31
162. Ik merk ten slotte op dat de bevoegdheid van de Ondernemingskamer andere voorzieningen te treffen dan waarom is verzocht, wordt begrensd door art. 24 Rv32 en dat hetgeen de Hoge Raad hieromtrent heeft overwogen in de beschikking inzake ATR Leasing33, naar mijn mening in dezelfde mate geldt voor de op grond van art. 2: 355 lid 1 BW gegeven beschikking.34 Ik verwijs voor deze kwestie en mijn opmerkingen hierover naar paragraaf 4.4.1.3. Er zijn mij overigens geen zaken uit de tweede fase bekend waarin aan de Hoge Raad de klacht is voorgelegd dat de Ondernemingskamer aldus beschikkend buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden. Wellicht mag hieruit worden geconcludeerd dat de Ondernemingskamer steeds voorzieningen treft die stroken met de strekking van de ingediende verzoeken en de kenbare bedoeling van partijen (het doorbreken van impasses en/of voorkomen dat de vennootschap en andere belanghebbenden verdere schade lijden). Ik wijs er in dit verband op dat ook in verschillende verzoekschriften uit de tweede fase alternatieven zijn opgenomen (soms primair; subsidiair) wat betreft mogelijk te treffen voorzieningen en/of dat de Ondernemingskamer (daarnaast) wordt verzocht ‘iedere voorziening te treffen die zij geboden acht’ (of woorden van soortgelijke strekking).35