Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/2.3.4
2.3.4 Het beginsel van bevoorrechte verkrijging
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298361:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wj. de Langen, De grondbeginselen van het Nederlands belastingrecht, Alphen aan den Rijn: N. Samson NV 1954, p. 146.
Wj. de Langen, De grondbeginselen van het Nederlands belastingrecht, Alphen aan den Rijn: N. Samson NV 1954, p. 155 e.v.
Ook Brüll ziet als leidend beginsel van de vennootschapsbelasting het beginsel van bevoorrechte verkrijging, door hem het buitenkansbeginsel genoemd. D. Brüll, Objectieve en subjectieve aspecten van het fiscale winstbegrip (diss. UvA), Amsterdam: N.V. Uitgeverij Fed 1964, p. 28.
Vergelijk L. Roeloffs, Dubbele belastingheffing van dividenden, Deventer Antwerpen: N.V. Uitgeversmaatschappij Kluwer 1964, p. 69.
P. A. Harris, Corporate/Shareholder Income Taxation, Amsterdam: IBFD Publications 2000, p. 536.
De Langen zag het beginsel van bevoorrechte verkrijging als de voornaamste rechtsgrond van de vennootschapsbelasting. Hij definieerde het beginsel als volgt: ‘Indien bij het verkrijgen van een bate de verkrijger in een bevoorrechte positie verkeert in vergelijking met anderen, mag een speciale belasting in verhouding tot de grootte van de bate geheven worden.’1
De bevoorrechte positie van de aandeelhouders van een open NV ontstaat volgens De Langen door de samenvoeging van vermogen die een rendementsverhoging, een rent, mogelijk maakt, welke een belasting van de NV rechtvaardigt: ‘Bij de naamloze vennootschap genieten de aandeelhouders, indien het bedrijf goed rendeert, dank zij die rent een hogere opbrengst van hun vermogen dan andere beleggers als de obligatiehouders, de hypotheekgevers, de meeste bezitters van onroerende goederen (...). M.i. kan op afdoende wijze het verwerven van ondernemersrent als een rechtsgrond voor een belasting van de open n.v. worden aangewezen. Het object van de heffing zou aldus zijn de aan de aandeelhouders toekomende overwinst, welke hen in een bevoorrechte positie in vergelijking met andere beleggers plaatst.’2 Uit dit beginsel vloeit derhalve volgens De Langen voort dat de overwinst van de vennootschap belast mag worden, waaronder moet worden verstaan de totale winst, verminderd met een normale interest en een risicopremie voor de aandeelhouders.3
De stelling dat het blote feit dat vermogen wordt samengebracht, leidt tot een extra rendement, is, naar het mij voorkomt, echter onbewezen. Wie de vennootschapsbelasting wil baseren op het beginsel van bevoorrechte verkrijging, zal toch op zijn minst aannemelijk moeten maken dat de vennootschap in een bevoorrechte positie verkeert dan wel dat haar aandeelhouders in een bevoorrechte positie verkeren.4 Daarin falen de voorstanders van dit beginsel echter. Het beginsel van bevoorrechte verkrijging kan daarom naar mijn mening niet dienen als rechtsgrond van de vennootschapsbelasting.
Wel is denkbaar dat specifieke winstbelastingen worden geheven die gebaseerd zijn op dit beginsel, zoals bijvoorbeeld de oorlogswinstbelasting die in Nederland in de Eerste Wereldoorlog is geheven. En ook in de voorbeelden die Harris geeft, kan het beginsel van bevoorrechte verkrijging als rechtsgrond dienen: ‘A mineral or petroleum tax may be imposed to tax the loss suffered by countries where their natural resources are removed. A payroll tax may be appropriate to tax the exploitation of low cost labour markets. Various forms of pollution tax may be appropriate to compensate for pollution caused by industry.’5