Hof 's-Hertogenbosch, 13-02-2018, nr. 200.106.706, 01
ECLI:NL:GHSHE:2018:574
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
13-02-2018
- Zaaknummer
200.106.706_01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2018:574, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 13‑02‑2018; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:1826
ECLI:NL:GHSHE:2016:1826, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 10‑05‑2016; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:574
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑02‑2018
Inhoudsindicatie
burenzaak, verkrijgende verjaring van strook gemeentegrond; bezit en goede trouw
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer 200.106.706/01
arrest van 13 februari 2018
in de zaak van
Gemeente Helmond,
zetelende te Helmond,appellante,
advocaat: mr. M.G.G. van Nisselroij te Venlo,
tegen
1. [geïntimeerde 1] ,bij leven wonende te [woonplaats] , en
2. [geïntimeerde 2], wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
advocaat: mr. J.J.T. van Stiphout te Helmond,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 10 mei 2016 in het hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer 224585/HA ZA 11-86 gewezen vonnissen van 16 november 2011 en 15 februari 2012.
6. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 10 mei 2016;
- -
de akte houdende schorsing van de procedure ex artikel 225 Rv aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] (verband houdend met het overlijden van de heer [geïntimeerde 1] in april 2015);
- -
de akte hervatting rechtsgeding ex artikel 227 lid 1 sub b Rv van de Gemeente;
- -
de akte van [geïntimeerden c.s.] ;
- -
het proces-verbaal van de enquête van 13 maart 2017;
- -
de memorie na enquête van [geïntimeerden c.s.] , met producties;
- -
de antwoordmemorie na enquête van de Gemeente.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
7. De verdere beoordeling
De bewijsopdracht
7.1.1. Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [geïntimeerden c.s.] toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [de ouders van geintimeerde 2] sedert december 1991 ‘het bezit hebben gehad van de strook’. De bewijsopdracht heeft betrekking op een strook grond (hierna: de strook) die is gelegen tussen het (sinds 2002 en tot in 2012) aan [geïntimeerden c.s.] in eigendom toebehorende perceel [perceel 1] en een aan de Gemeente in eigendom toebehorende geluidswal achter de woningen van [geïntimeerden c.s.] en hun buren. De betwiste strook en de geluidswal zijn gelegen op perceel [perceel 2] , dat (in ieder geval tot 1991) toebehoorde aan de Gemeente. [geïntimeerden c.s.] stellen - door de Gemeente gemotiveerd betwist - dat zij eigenaren zijn geworden van de strook door verjaring. Meer concreet volgt uit de stellingen van [geïntimeerden c.s.] dat hun standpunt is: (1) dat hun rechtsvoorgangers, [de ouders van geintimeerde 2] (de ouders van geïntimeerde sub 2, mevrouw [geïntimeerde 2] ), in december 2001 eigenaren zijn geworden van de strook door de verkrijgende verjaring zoals geregeld in artikel 3:99 BW, omdat zij in december 1991 te goeder trouw het bezit van de strook hebben verkregen en dit bezit vervolgens tien jaren onafgebroken heeft voortgeduurd, en (2) dat de eigendom van (onder meer) de strook vervolgens in 2002 onder bijzondere titel is overgegaan op [geïntimeerden c.s.] , ten gevolge van de verkoop en levering van de woning met tuin aan de [adres 1] door [de ouders van geintimeerde 2] aan [geïntimeerden c.s.]
7.1.2. Het hof heeft in het tussenarrest in verband met de bewijsopdracht aan [geïntimeerden c.s.] overwogen, samengevat, dat indien [geïntimeerden c.s.] bewijzen dat [de ouders van geintimeerde 2] sinds december 1991 het bezit hebben gehad van de strook, tevens vast staat dat sprake is van het onafgebroken bezit daarvan gedurende tien jaren, zodat relevant is of [de ouders van geintimeerde 2] op het moment van de bezitsverkrijging in december 1991 te goeder trouw waren.Dienaangaande is het hof tot het voorshandse oordeel gekomen dat, voor het geval komt vast te staan dat de achtertuin van de woning van [geïntimeerden c.s.] zich vanaf 1985/1986 steeds heeft uitgestrekt tot aan de geluidswal en dat deze tuin steeds exclusief is gebruikt door [de ouders van geintimeerde 2] , laatstgenoemden in december 1991 te goeder trouw bezit hebben genomen van de strook, zodat zij in december 2001 door verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW de eigendom daarvan hebben verkregen.
De getuigen en hun verklaringen 7.2.1. [geïntimeerden c.s.] hebben mevrouw [geïntimeerde 2] en mevrouw [de moeder van geintimeerde 2] (de moeder van geïntimeerde sub 2) als getuigen doen horen. Aan de zijde van de Gemeente zijn geen getuigen gehoord.
7.2.2. In verband met de waardering van de getuigenverklaringen is van belang dat mevrouw [geïntimeerde 2] partij is in het onderhavige geding en belast is met het leveren van bewijs. De door haar als getuige afgelegde verklaring kan daarom op grond van artikel 164 lid 2 Rv alleen bewijs in haar voordeel opleveren, indien aanvullend bewijs voorhanden is dat zodanig sterk is en zulke essentiële punten betreft dat het haar verklaring voldoende geloofwaardig maakt. Voor de andere getuige geldt deze beperking niet.
7.3.1. De getuigen [geïntimeerde 2] heeft als volgt verklaard:‘Ik heb mij voorbereid op dit verhoor door een aantal foto’s van vroeger te bekijken. Het zijn foto’s van onze achtertuin in de [adres 1] . Mijn ouders hebben dat huis gekocht en hebben daar vanaf 1982 gewoond. Vanaf het moment dat ik 6 weken oud was heb ik daar ook gewoond. In 2002 hebben de heer [geïntimeerde 1] en ik de woning gekocht van mijn ouders. Wij hebben daar tot 2012 gewoond en toen is de woning verkocht en overgedragen aan derden. Ik ben er sindsdien nooit meer geweest.
Mijn ouders hebben als eerste bewoners de achtertuin aangelegd. Ik heb een aantal foto’s meegenomen. Daarop is te zien dat achter de woning eerst sprake was van een stuk siertuin. Die siertuin is al snel met draad en houten paaltjes afgescheiden. Dat was om de hond binnen te houden. Daarachter hadden mijn ouders een stuk moestuin aangelegd. Vlak achter de moestuin begint de geluidswal. Dit alles is te zien op foto’s die ik u, raadsheer-commissaris, toon. Op twee van deze foto’s staat ook mijn moeder. Je kunt erop zien dat de tuin door mijn ouders was omheind met draad en met coniferen. Op de meer gedetailleerde foto van de moestuin is te zien hoe meteen achter de coniferen de geluidswal naar boven gaat. Ik heb ook een foto meegenomen die vanaf de geluidswal is genomen. Daarop zie je de woning van mijn ouders, op nummer [adres 1] en de twee huizen op nummer [adres 2] en [adres 3] .
De coniferen zijn op een bepaald moment vervangen door een schutting, zowel aan de twee zijkanten, als aan de achterkant. Dat is gedaan in overleg met de buren. De moestuin is al vrij snel verdwenen en vervangen door een zitkuil van ongeveer een halve meter diep aan het einde van de tuin. Ik heb nog een foto meegenomen waarop op de achterkant augustus 1997 staat. Op deze foto zie je de schutting en helemaal aan het einde van de tuin ook nog een klein stukje van de zitkuil. Uit deze foto blijkt dat de coniferen in 1997 al weg waren, maar wanneer dat precies is gebeurd weet ik niet.
Na het moment dat ik met de heer [geïntimeerde 1] in de woning heb gewoond is de inrichting nog wel eens veranderd. De schuttingen zijn echter blijven staan. Deze schuttingen staan precies op de plaats waar vroeger de coniferen stonden. Dit betekent dat onze achtertuin al sinds 1982 doorloopt tot aan de geluidswal. De tuin is daarna nooit korter of langer geweest.
Ik heb van mijn ouders gehoord dat, toen de heer [bewoner adres 4] in zijn woning kwam wonen, het Kadaster de achtertuin heeft gecontroleerd en dat toen bleek dat ook gemeentegrond werd gebruikt. Ik heb ook gehoord dat die grond later is bijgekocht. Ik heb van mijn ouders ook begrepen dat de grond in de tussentijd werd gepacht van de gemeente. Over dit alles kan ik uit eigen ervaring niets vertellen.
Toen de gemeente zich een tijdje geleden op het standpunt stelde dat onze tuin nog steeds gedeeltelijk op gemeentegrond ligt vond ik dat een beetje raar. Onze tuin is altijd zo geweest zoals ik zojuist heb verklaard. Het gaat over anderhalve meter. Ik heb nooit getwijfeld aan de grootte van onze tuin en ook mijn ouders hebben dat niet gedaan, voor zover ik weet.
U, raadsheer-commissaris, houdt mij voor dat in 1991 wellicht iemand namens de gemeente de goede grenzen heeft aangewezen. Daarover kan ik niets verklaren.
(Op vraag van mr. Van Stiphout:)
De foto’s van de oude situatie dateren uit de periode 1982-1985. Dat geldt met name ook voor de foto vanaf de geluidswal. Daarop is de woning van de heer [bewoner adres 4] op nummer [adres 4] niet te zien. Die woning is in 1985 opgeleverd.’
7.3.2. De getuige [de moeder van geintimeerde 2] heeft als volgt verklaard:‘Wij hebben het vandaag over de achtertuin van de [adres 1] . Dat is sinds 2002 niet meer mijn achtertuin. Sinds 2012 ben ik daar niet meer geweest.
Mijn man en ik zijn in juli 1982 komen wonen op nummer [adres 1] . Het huis was door een aannemer gebouwd. Wij waren de eerste eigenaren en bewoners. De achtertuin was toen wij in de woning kwamen al afgezet met paaltjes met een draad daarover. Dat was zo aan de zijkanten en aan de achterkant. Ik denk dat de aannemer dat heeft gedaan. Ongeveer 30 tot 35 centimeter achter de paaltjes met draad aan de achterkant ging de geluidswal omhoog. Wij hebben meteen gaas gezet tegen de paaltjes met draad. Dat deden wij om de hond tegen te houden. De hond kon toen dus tot bijna bij de geluidswal komen. Vervolgens hebben wij ook in dezelfde zomer coniferen aangeplant, zowel aan de twee zijkanten als aan de achterkant. Het waren helemaal onze coniferen, ze stonden dus aan onze kant van de draad. Op den duur zijn ze tegen de draad met gaas aangegroeid.
Toen wij erin trokken in de woning was er geen discussie over de grootte van de achtertuin. Die bleek uit de paaltjes en de draad. Een jaar of drie later is het huis op nummer [adres 4] gebouwd. Toen bleek dat we een dertig of veertig centimeter naar achteren te veel in gebruik hadden. Die grond hebben we naderhand, na onderhandelingen met de gemeente, bijgekocht. Dat gold voor ons, maar ook voor veel andere eigenaren in de buurt. Mijn echtgenoot, de heer [de vader van geintimeerde 2] , heeft dit geregeld met de gemeente, maar uiteraard in goed overleg met mij. Het kan zijn dat we tussentijds ook nog grond hebben gehuurd of gepacht van de gemeente, maar dat weet ik niet meer zo precies.
Op een bepaald moment hebben wij de coniferen weggehaald omdat ze te breed en te hoog waren. Daar is toen een schutting van beton en hout voor in de plaats gekomen. Op de grens met nummer [adres 2] en aan de achterkant hebben wij de schutting zelf betaald. Op de grens met nummer [adres 4] hebben de kosten gedeeld met de buurman. Dit vervangen van de coniferen zou kunnen zijn gebeurd in 1996/1997. Ik heb geen speciale reden om dit te zeggen. Ik denk dat dat zo is geweest.
Het achterste stuk van de achtertuin hadden we aanvankelijk in gebruik als groentetuintje. Naderhand hebben we daar een leefkuil gemaakt. Dat was de tijd dat de discussie met de gemeente ging over de grootte van de achtertuin en wij grond hebben bijgekocht. Naderhand hebben we de leefkuil ook weer verwijderd.
Onze tuin is sinds 1982 altijd even groot geweest. Het is dus niet zo dat wij in 1990 of daarna nog een stuk extra grond in gebruik hebben genomen.
U, raadsheer-commissaris, houdt mij voor mijn schriftelijke verklaring die als productie 2 is gevoegd bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg. De inhoud van die verklaring is juist. Ik blijf bij wat ik toen heb gezegd. De jaartallen die erin staan kloppen. Ik kon mij dat zojuist niet zo precies meer herinneren.
(Op vragen van mr. Van Stiphout:)
U vraagt mij hoever de tuinen bij de buren op nummer [adres 4] en [adres 2] doorliepen naar achteren. Die tuinen liepen even ver door naar achteren als de onze. Aan de rechterkant hebben wij op een bepaald moment de coniferen verwijderd en vervangen door een schutting samen met de toenmalige buurman [toenmalige buurman] . Bij de buren op nummer [adres 2] was er ook nog sprake van een achterdoor. Daar stonden nog wat extra planten.’
De bewijswaardering
7.4.1. Het hof stelt voorop dat voor de beantwoording van de vraag of iemand een zaak in bezit heeft genomen, bepalend is of hij de feitelijke macht over die zaak is gaan uitoefenen (art. 3:113 lid 1 BW). Indien de zaak in het bezit van een ander is, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen voor inbezitneming onvoldoende (art. 3:113 lid 2 BW). De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet doet (PG Boek 3, p. 434). Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent wordt bepaald naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (art. 3:108 BW).
7.4.2. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden c.s.] het vereiste bewijs, dat [de ouders van geintimeerde 2] sedert december 1991 het bezit hebben gehad van de strook, hebben geleverd. Dit oordeel is in belangrijke mate gebaseerd op de inhoud van de verklaring van mevrouw [geïntimeerde 2] . Zoals hierna nader zal blijken, vindt de inhoud van haar verklaring zoveel bevestiging in het andere beschikbare bewijsmateriaal dat het haar verklaring voldoende geloofwaardig maakt.
7.4.3. Het hof komt tot zijn bewijsoordeel op grond van de volgende overwegingen.Uit de verklaringen van de beide getuigen alsmede uit hetgeen kan worden waargenomen op de door [geïntimeerden c.s.] in het geding gebrachte foto’s volgt dat de achtertuin van de woning aan de [adres 1] zich feitelijk steeds heeft uitgestrekt tot aan de geluidswal.Verder volgt uit de verklaring van [de moeder van geintimeerde 2] dat zij en haar echtgenoot de achtertuin in 1982 hebben afgescheiden van de tuinen van de buren en van de geluidswal door het aanbrengen van gaas tegen de reeds aanwezige paaltjes met draad, en door het planten van coniferen aan de buitenrand van de achtertuin. Dit een en ander kan worden waargenomen op drie van de vier in het geding gebrachte foto’s, die volgens [geïntimeerden c.s.] dateren van vóór 1991, zelfs van vóór 1985. Uit de verklaringen van beide getuigen volgt dat de coniferenhagen in 1997 waren vervangen door houten schuttingen. Volgens [de ouders van geintimeerde 2] is dat gebeurd in 1996/1997. Verder hebben beide getuigen verklaard dat de volledige achtertuin steeds (naar het hof begrijpt: exclusief) door [de ouders van geintimeerde 2] en hun gezin is gebruikt. Ter plaatste van de strook bevond zich volgens de getuigen een moestuin, nadien een zitkuil. De foto’s zijn in overeenstemming met deze verklaringen.
De Gemeente heeft niet betwist dat de genoemde foto’s dateren van vóór 1985 en heeft ook niets gesteld dat afdoet aan de hiervoor weergegeven verklaringen en waarnemingen over de feitelijke situatie ter plaatse. De bewijslevering biedt verder geen aanknopingspunten voor de vaststelling dat in 1991 een aanwijs heeft plaatsgevonden, en dat daarbij een andere grens is aangewezen dan de grens waarop [geïntimeerden c.s.] zich nu beroepen.
7.4.4. Het hof neemt daarom als vaststaand aan dat de achtertuin van de woning aan de [adres 1] zich in en na 1982 (en dus ook in december 1991) heeft uitgestrekt tot aan de geluidswal en steeds - naar buiten toe zichtbaar - exclusief is gebruikt door [de ouders van geintimeerde 2] en hun gezin.Gelet hierop neemt het hof tevens als vaststaand aan dat de in 1985/1986 tussen partijen gesloten huurovereenkomst mede betrekking heeft gehad op de strook. Tussen partijen staat vast dat deze huurovereenkomst is beëindigd in december 1991, ten tijde (en vanwege) de levering van perceel [perceel 1] . Vanaf december 1991 kon de Gemeente daarom niet in de veronderstelling verkeren dat het gebruik van de strook door [de ouders van geintimeerde 2] was gebaseerd op een huurovereenkomst.Uit het voorgaande volgt dat [de ouders van geintimeerde 2] in december 1991 geen verandering hebben gebracht in het feitelijke (exclusieve) gebruik van de strook door hun gezin en in de wijze waarop die strook, als onderdeel van de achtertuin, was afgescheiden van de tuinen van de buren en van de geluidswal (terwijl is gesteld noch gebleken dat de haag na het planten niet is doorgegroeid).Gelet hierop komt het hof tot het oordeel dat [de ouders van geintimeerde 2] in december 1991 door occupatie het bezit hebben verkregen van de strook.
7.4.5. Gelet op dit oordeel staat tevens vast dat sprake is van het onafgebroken bezit van de strook gedurende tien jaren. De bewijslevering noch het nadien door de Gemeente gestelde vormen voor het hof aanleiding om terug te komen op zijn voorshandse oordeel dat [de ouders van geintimeerde 2] te goeder trouw waren toen zij, op of vlak na het moment dat perceel [perceel 1] aan hen werd geleverd, de strook in bezit namen.
Al het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat [de ouders van geintimeerde 2] in december 2001 door verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW de eigendom van de strook hebben verkregen en dat de Gemeente die eigendom op hetzelfde moment heeft verloren.
De grieven en de vorderingen 7.5.1. Gelet op al het voorgaande (en op hetgeen werd overwogen en geoordeeld in het tussenarrest van 10 mei 2016) falen de grieven 1 tot en met 6, die betrekking hebben op de beslissingen van de rechtbank inzake het bezit en de goede trouw van [de ouders van geintimeerde 2] .
7.5.2. Nu de Gemeente niet langer eigenaar is van de strook, heeft de rechtbank de ontruimingsvordering van de Gemeente terecht afgewezen.
7.5.3. De eigendomsverkrijging door verjaring in december 2001 heeft plaatsgevonden door [de ouders van geintimeerde 2] en niet door [geïntimeerden c.s.] , die pas in 2002 eigenaren zijn geworden van de percelen [perceel 3] (met daarop de woning [adres 1] ) en [perceel 1] . Gesteld noch gebleken is dat de eigendomsverkrijging door [geïntimeerden c.s.] , die plaats heeft gehad door een overdracht in de zin van artikelen 3:84 e.v. BW, mede betrekking heeft gehad op de strook. Dit betekent dat geen grond bestaat om, zoals gevorderd door [geïntimeerden c.s.] , voor recht te verklaren dat zij door verkrijgende verjaring rechthebbenden zijn geworden op de strook. Evenmin bestaat grond om de Gemeente, zoals eveneens gevorderd door [geïntimeerden c.s.] , te veroordelen in de notariële en kadastrale kosten die gepaard gaan met het inschrijven van dit arrest in de openbare registers. Het hof zal het eindvonnis waarvan beroep daarom vernietigen, voor zover daarin de genoemde vorderingen van [geïntimeerden c.s.] zijn toegewezen en zal de vonnissen waarvan beroep voor het overige bekrachtigen, onder aanvulling en verbetering van de gronden zoals hiervoor (en in het tussenarrest van 10 mei 2016) is overwogen.
7.5.4. De Gemeente is de overwegend in het ongelijk gestelde partij. Zij is daarom terecht in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld. Grief 8, die betrekking heeft op deze proceskostenveroordeling, faalt.
7.5.5. Het hof zal de Gemeente, gelet op het voorgaande, veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] vast te stellen op € 291,- aan griffierecht en € 3.129,- (tarief II, 3,5 punten) aan salaris advocaat.Het hof zal de nakosten begroten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden.De door [geïntimeerden c.s.] gevorderde wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal op de na te melden wijze worden toegewezen.
8. 8. De uitspraak
Het hof:
vernietigt het eindvonnis waarvan beroep, voor zover daarin in het dictum onder 5.3. en 5.4. vorderingen van [geïntimeerden c.s.] zijn toegewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
wijst deze vorderingen van [geïntimeerden c.s.] af;
bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep, onder aanvulling en verbetering van de gronden zoals hiervoor (en in het tussenarrest van 10 mei 2016) is overwogen, voor het overige;
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van [geïntimeerden c.s.] vast te stellen op € 291,- aan griffierecht en € 3.129,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;
en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;
verklaart de veroordelingen in dit arrest uitvoer bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en J.M.W. Werker en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 februari 2018.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 10‑05‑2016
Inhoudsindicatie
verkrijgende verjaring, bezit, goede trouw
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.106.706/01
arrest van 10 mei 2016
in de zaak van
Gemeente Helmond,
zetelende te Helmond,
appellante,
hierna aan te duiden als: de Gemeente,
advocaat: mr. M.G.G. van Nisselroij te Venlo,
tegen
1. [geïntimeerde 1]
2. [geïntimeerde 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerden,
hierna aan te duiden als: [geïntimeerden] ,
advocaat: mr. J.J.T. van Stiphout te Helmond,
op het bij exploot van dagvaarding van 18 april 2012 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 november 2011 en 15 februari 2012, gewezen tussen de Gemeente als eiseres in conventie, verweerster in reconventie, en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 224585/HA ZA 11-86)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het daaraan voorafgegane vonnis in het incident van 27 april 2011 waarbij de zaak is gevoegd met enkele andere zaken.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met producties;
- de memorie van antwoord met producties;
- de in het kader van het schriftelijk pleidooi door partijen overgelegde pleitnotities.
Hierna is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De beoordeling
3.1.
Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.
3.1.1.
[geïntimeerden] is sedert 2002 eigenaar van het perceel met woning aan het adres [straatnaam][huisnummer 3] te [woonplaats] , kadastraal bekend gemeente Helmond, sectie [sectieletter 1] , nummer [sectienummer 1] (hierna: perceel [perceelnummer 1] ). [geïntimeerden] heeft perceel [perceelnummer 1] gekocht en geleverd gekregen van de heer [(schoon)vader] en mw. [(schoon)moeder] (zijnde de ouders c.q. schoonouders van [geïntimeerden] , hierna: [(schoon)ouders] ), sinds 1985 de eerste eigenaren en bewoners van de desbetreffende woning. Achter het perceel van [geïntimeerden] en achter de belendende percelen is een geluidswal gelegen die, met ondergrond, eigendom is van de Gemeente.
3.1.2.
Toen in 1985 of 1986 bleek dat [(schoon)ouders] meer grond in gebruik hadden dan aan hen was verkocht en geleverd, heeft de Gemeente een aan haar in eigendom toebehorend stuk grond, gelegen tussen het perceel van [(schoon)ouders] en de geluidswal, aan hen verhuurd.
3.1.3.
Nadien heeft de Gemeente een stuk grond, gelegen tussen het perceel van [(schoon)ouders] en de geluidswal aan [(schoon)ouders] verkocht en geleverd.
De desbetreffende akte van levering d.d. 20 december 1991 (productie 2 cva in conventie/cve in reconventie luidt, voor zover thans van belang (bladzijdes 9, 14, 18 en 19):
"(…) De comparant sub 1 verklaarde dat de Gemeente Helmond heeft verkocht en dat zij bij deze voor en namens de Gemeente Helmond overdraagt: (…)
- aan de heer [(schoon)vader] en mevrouw [(schoon)moeder] , (…):
een strook grond aan de [straatnaam] te [woonplaats] , kadastraal bekend Gemeente Helmond, sectie [sectieletter 1] nummer [sectienummer 2] , groot negentien centiaren;
zulks voor een koopsom van EENDUIZEND TWEEHONDERD GULDEN (ƒ 1.200,00) (…)";
(…)
C. De koper(s) heeft(hebben) het gekochte reeds in gebruik aanvaard en kan(kunnen) het gekochte als eigenaar aanvaarden vanaf heden (…).
(…)
F. Verschil tussen de werkelijke en de hiervoor vermelde grootte van het verkochte, geeft tussen partijen tot generlei vordering aanleiding."
Ook dit perceel (hierna: perceel [perceelnummer 2] ) hebben [(schoon)ouders] in 2002 verkocht en geleverd aan [geïntimeerden]
3.1.4.
Op 26 mei 2009 heeft de afdeling Geo-informatie (landmeten) van de Gemeente de kadastrale grenzen achter de woningen aan de [straatnaam] nagemeten, omdat er volgens de Gemeente onduidelijkheid bestond over de juiste ligging van de kadastrale grens achter de woningen aan de [straatnaam] nummers [huisnummer 1] tot en met [huisnummer 6] .
3.1.5.
De Gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerden] een strook grond in gebruik heeft (hebben) genomen die in eigendom toebehoort aan de Gemeente. Het gaat om het perceel kadastraal bekend gemeente Helmond, sectie [sectieletter 1] , nummer [sectienummer 3] (gedeeltelijk) - hierna ook: de strook - die volgens de Gemeente is gelegen tussen de geluidswal en het in 1991 aan [(schoon)ouders] verkochte en geleverde perceel [perceelnummer 2] .
3.1.6.
Bij brief van 4 juni 2009 heeft de Gemeente [geïntimeerden] gesommeerd de strook te ontruimen. [geïntimeerden] is daartoe niet overgegaan.
3.1.7.
[geïntimeerden] heeft de woning c.a. aan de [straatnaam][huisnummer 3] na het wijzen van het eindvonnis verkocht en (bij akte van 2 april 2012, productie 1 mva) geleverd aan de heer [koper 1] en mw. [koper 2] (hierna: [kopers] ).
3.2.1.
De Gemeente heeft in conventie gevorderd hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] om de strook grond gelegen achter het perceel [straatnaam][huisnummer 3] , kadastraal bekend gemeente Helmond, sectie [sectieletter 1] , nummer [sectienummer 3] (gedeeltelijk), zoals weergegeven op de als productie 3 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte kadastrale kaart, binnen een maand na betekening van (thans) dit arrest te ontruimen, ontruimd te houden en niet meer te betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per (gedeelte van een) dag en met machtiging van de Gemeente om na ommekomst van de termijn van een maand de ontruiming zelf en op kosten van [geïntimeerden] te bewerkstelligen.
3.2.2.
De Gemeente heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat zij in 1991 aan [(schoon)ouders] als rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] heeft verkocht en geleverd perceel [perceelnummer 2] , zoals dat perceel is weergegeven op de zojuist bedoelde kadastrale kaart, en dat [(schoon)ouders] dan wel [geïntimeerden] nadien méér in gebruik hebben genomen, namelijk de grond gelegen tussen dat perceel en de geluidswal (perceel [perceelnummer 3] (gedeeltelijk)). Volgens de Gemeente is zij van die strook grond steeds eigenaar gebleven en kan zij daarom ten aanzien daarvan ontruiming verlangen.
3.2.3.
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering in conventie.
[geïntimeerden] heeft in reconventie gevorderd voor recht te verklaren dat zij door verkrijgende verjaring rechthebbende is geworden van de strook tot aan de geluidswal, zoals geel gearceerd op de door de Gemeente opgemaakte kaart van 26 mei 2009, productie 3 bij de inleidende dagvaarding, en de Gemeente te veroordelen in de notariële en kadastrale kosten die gepaard gaan met het inschrijven van de uitspraak waarbij die verklaring wordt gegeven in de openbare registers.
3.2.4.
Bij het bestreden tussenvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de Gemeente onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] met het plaatsen van houten schuttingen de strook in 1995-1996 in bezit hebben genomen en dat het bezit van (de rechtsvoorgangers van) [geïntimeerden] minimaal tien jaar heeft geduurd (rechtsoverweging 4.8).
Ten aanzien van de vraag of [geïntimeerden] bij de inbezitneming al dan niet te goeder trouw is geweest heeft de rechtbank in het bestreden tussenvonnis overwogen (de rechtsoverwegingen 4.12 en 4.13 van dat vonnis):
"Uit het feit dat uit de akte van levering en uit de openbare registers afgeleid had kunnen worden dat de kadastrale grens tussen de percelen van (de rechtsvoorgangers van) partijen anders liep dan de feitelijk gehanteerde erfgrens kan niet worden geconcludeerd dat [bewoners] c.s. [ [geïntimeerden] , hof] bij de levering in 2002 niet te goeder trouw was. Voor de vraag of [bewoners] c.s. zich redelijkerwijs als rechthebbende op de strook grond mocht beschouwen, zijn alle feiten en omstandigheden van belang. Bij de beoordeling hiervan is de feitelijke situatie ten tijde van de inbezitneming van belang. [bewoners] c.s. heeft aangevoerd dat hij, net als de andere eigenaren, de geluidswal als afbakening van de erfgrens heeft mogen beschouwen, omdat de natuurlijke erfafscheiding het begin van de geluidswal vormt. Verder zijn in de tuin van [bewoners] c.s. geen buizen of andere herkenningspunten zichtbaar ter aanduiding van de kadastrale grenzen. Nu kadastrale gegevens en kaarten geen onderdeel uitmaken van de openbare registers en gesteld noch gebleken is dat [bewoners] c.s. bij gelegenheid van de levering in 2002 kennis heeft genomen van een kadastrale kaart (er is ook niet gebleken dat zich een dergelijke kaart bij de akte bevond), die voor hem aanleiding had kunnen vormen om zich nader te laten informeren bij het kadaster, kan het beroep op artikel 3:23 BW de gemeente niet [kan] baten. (…)”
Ten aanzien van de vraag of de rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] bij de inbezitneming te goeder trouw waren heeft de rechtbank in het bestreden tussenvonnis (rechtsoverweging 4.13) overwogen:
“Gelet op artikel 3:118 lid 3 BW wordt goede trouw vermoed aanwezig te zijn: het ontbreken van goede trouw moet worden bewezen. De gemeente is in het tegenbewijs van dit wettelijk vermoeden vooralsnog niet geslaagd. De rechtbank zal haar tot bewijslevering toelaten."
3.2.5.
Bij het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de Gemeente niet is geslaagd in het haar opgedragen tegenbewijs. De rechtbank heeft geconcludeerd dat [(schoon)ouders] en [geïntimeerden] de strook te goeder trouw en gedurende meer dan tien jaar in bezit hebben gehad en dat [geïntimeerden] als gevolg van verjaring eigenaar van de strook is geworden. De rechtbank heeft de vordering in conventie afgewezen en die in reconventie toegewezen, in die zin dat voor recht is verklaard dat [bewoners] c.s. [voor het hof: [geïntimeerden] ] door verkrijgende verjaring de eigendom heeft verkregen van de strook gelegen achter het perceel [straatnaam][huisnummer 3] , zoals geel weergegeven op de bij het vonnis gevoegde plattegrond.
3.3.
De Gemeente heeft zeven grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen en tot het alsnog toewijzen van haar vordering in conventie, met veroordeling van [geïntimeerden] in de proceskosten van beide instanties. De grieven, die betrekking hebben op de beslissingen van de rechtbank inzake het bezit en de goede trouw van [geïntimeerden] (en de bewijslastverdeling ter zake), zullen in het hiernavolgende gezamenlijk worden behandeld.
3.4.1.
Het hof neemt daarbij tot uitgangspunt dat [(schoon)ouders] vanaf (ongeveer) 1985 de eigenaren zijn geweest van perceel [perceelnummer 1] , dat [geïntimeerden] dat perceel in 2002 van [(schoon)ouders] heeft gekocht en geleverd gekregen en dat de Gemeente (in elk geval) tot 20 december 1991 eigenaar is geweest van de grond achter perceel [perceelnummer 1] , vanaf enig moment aangeduid als perceel [perceelnummer 2] en perceel [perceelnummer 3] .
3.4.2.
In haar memorie van antwoord (onder 6) heeft [geïntimeerden] aangevoerd dat het onbegrijpelijk is dat zij in het hoger beroep is betrokken, nu de woning c.a. inmiddels aan [kopers] is verkocht en geleverd en [geïntimeerden] daarom niet kan voldoen aan de vordering van de Gemeente tot ontruiming van de strook, indien die vordering in hoger beroep alsnog zou worden toegewezen.
Bij schriftelijk pleidooi (onder 3 e.v.) heeft de Gemeente hiertegen ingebracht dat zij wel degelijk belang heeft bij het hoger beroep, omdat de rechtbank in reconventie voor recht heeft verklaard dat [geïntimeerden] door verjaring eigenaar is geworden van de strook.
In haar reactie op het schriftelijk pleidooi (punt 5 e.v.) heeft [geïntimeerden] dat belang niet (langer) betwist, met dien verstande dat zij zich op het standpunt is blijven stellen dat de vordering in conventie in geen geval jegens haar toewijsbaar is.
3.5.1.
[geïntimeerden] stelt zich in hoger beroep primair op het standpunt - zo begrijpt het hof met name uit punt 7 e.v. van haar schriftelijke reactie op schriftelijk pleidooi d.d. 11 juni 2013, alhoewel de vordering in reconventie van [geïntimeerden] niet op dat standpunt ziet - dat het in 1991 aan [(schoon)ouders] geleverde stuk grond zich uitstrekt tot aan de geluidswal. [geïntimeerden] voert daartoe aan dat de tuin van [(schoon)ouders] op het moment van de levering feitelijk doorliep tot aan de geluidswal en dat het de uitdrukkelijk bedoeling was - van [(schoon)ouders] én de Gemeente - om wat feitelijk in gebruik was genomen (tot aan de geluidswal volgens [geïntimeerden] ) en wat daarna was verhuurd (tot aan de geluidswal volgens [geïntimeerden] ) nu in eigendom over te dragen.
3.5.2.
Het hof verwerpt dit standpunt. Voorstelbaar is dat de periode van feitelijk gebruik (in 1985/1986) en de periode van verhuur (sinds 1985/1986 tot in 1991) bij [(schoon)ouders] tot bepaalde verwachtingen omtrent de omvang van het geleverde hebben geleid, ervan uitgaande dat terecht wordt gesteld dat de achtertuin van de woning aan de [straatnaam][huisnummer 3] steeds heeft doorgelopen tot aan de geluidswal. Deze verwachtingen zijn als zodanig echter niet van belang. Voor de beantwoording van de vraag wat in 1991 aan [(schoon)ouders] is geleverd komt het aan op de in de akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, af te leiden uit de in de akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.
In de onderhavige akte wordt bepaald dat wordt geleverd - kort gezegd - perceel [perceelnummer 2] , groot 19 ca.
Op het moment dat de akte werd gepasseerd, op 20 december 1991, was ‘ [perceelnummer 2] ’ de kadastrale aanduiding van een in juni 1991 als zodanig ingemeten perceel. Het hof verwijst in dit verband naar de door de Gemeente als productie 12 bij haar akte van 14 december 2011 overgelegde tekening, die, naar de Gemeente onweersproken heeft gesteld, onderdeel is van een door het Kadaster goedgekeurd metingsverslag, dat is vervaardigd juist met het oog op de voorgenomen verkoop en levering van (onder meer) perceel [perceelnummer 2] . [geïntimeerden] heeft niet betwist dat perceel [perceelnummer 2] een oppervlakte heeft van 19 m2.
Hiervan uitgaande biedt de akte van levering geen ruimte om te concluderen dat het de bedoeling van partijen is geweest om op 20 december 1991 een perceel grond met een grotere oppervlakte dan 19 m2, vallend buiten de grenzen van perceel [perceelnummer 2] zoals aangeduid op de tekening, in eigendom over te dragen, te weten de strook waarvan de Gemeente in deze procedure ontruiming vordert.
De omstandigheid dat in de akte is vermeld dat de kopers ( [(schoon)ouders] ) het gekochte reeds in gebruik hadden (hetgeen volgens [geïntimeerden] ook ten aanzien van de strook het geval was) en dat de kopers (daarom) dachten dat hun een groter perceel (inclusief de strook) werd geleverd, is, gezien de objectieve wijze waarop een akte van levering moet worden uitgelegd, onvoldoende voor de conclusie dat ook de strook bij de akte van levering aan kopers is geleverd. Het is namelijk niet de bepaling als zodanig die de opvatting van [geïntimeerden] ondersteunt, maar de bepaling in combinatie met de niet verder uit de akte blijkende (gestelde) feitelijkheid dat de achtertuin op 20 december 1991 doorliep tot aan de geluidswal.
3.5.3.
Ten titel van koop en levering kunnen [(schoon)ouders] daarom geen eigenaar zijn geworden van de strook.
3.6.1.
Subsidiair heeft [geïntimeerden] zich op het standpunt gesteld dat de Gemeente in 2001 het eigendomsrecht van de strook heeft verloren, doordat zij (althans [(schoon)ouders] ) daarvan op dat moment eigenaar is (zijn) geworden door verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW. [geïntimeerden] heeft daartoe aangevoerd dat de achtertuin zich vanaf het moment dat [(schoon)ouders] woonachtig waren aan de [straatnaam] steeds heeft uitgestrekt tot aan het begin van de geluidswal (waaronder te verstaan: het punt waarop hoogteverschil ontstaat), dat [(schoon)ouders] het deel van hun achtertuin dat geen deel uitmaakte van het oorspronkelijk aan hen verkochte en geleverde perceel [perceelnummer 1] vanaf 1985/1986 hebben gehuurd van de Gemeente en dat hetzelfde stuk grond ook na de verkoop en levering van perceel [perceelnummer 2] in 1991 door [(schoon)ouders] en vervolgens (vanaf 2002) door haarzelf steeds is gebruikt als achtertuin. [geïntimeerden] doet in dit verband een beroep op de inhoud van schriftelijke verklaringen (onderdeel van productie 1 bij de cva in conventie/cve in reconventie) van de oorspronkelijke bewoonster van [straatnaam] [huisnummer 3] , mw. [(schoon)moeder] , en van de oorspronkelijke bewoners van [straatnaam] [huisnummer 4] , de heer [bewoner 1] . Verder doet [geïntimeerden] een beroep op de inhoud van de schriftelijke verklaring (onderdeel van productie 2 bij de mva) van de oorspronkelijke bewoner van [straatnaam] [huisnummer 3] , de heer [geïntimeerde 2] . Hun verklaringen komen er in de kern op neer dat hun eigen tuinen zich feitelijk steeds hebben uitgestrekt tot aan het begin van de geluidswal. Ook doet [geïntimeerden] een beroep op de inhoud van de schriftelijke verklaring (onderdeel van productie 3 bij de mva) van de oorspronkelijke bewoner van [straatnaam] [huisnummer 2] , de heer [bewoner 2] , die in gelijke zin verklaart en die voorts verklaart dat op een moment omstreeks 1991 ‘een instantie’ het perceel had uitgezet door middel van piketpaaltjes en dat deze paaltjes waren aangebracht op de voor iedereen aangemerkte grens, te weten op het punt waar de geluidswal begint.
3.6.2.
Tegen deze achtergrond voert [geïntimeerden] aan dat haar rechtsvoorgangers de litigieuze strook vanaf het midden van de jaren tachtig van de vorige eeuw steeds met uitsluiting van derden in gebruik hebben gehad en dat [(schoon)ouders] in 1991 hebben gemeend en mochten menen dat zij (ook) de strook in eigendom hadden verkregen.
3.6.3.
In verband met het bezit van de strook voert [geïntimeerden] nader aan dat de achtertuin, inclusief de litigieuze strook, steeds omheind is geweest, aanvankelijk met coniferen en sinds 1995/1996 met houten schuttingen (waaraan nadien nooit wijzigingen zijn aangebracht).
3.6.4.
In verband met de goede trouw wijst [geïntimeerden] erop dat [(schoon)ouders] (evenals de andere desbetreffende bewoners aan de [straatnaam] ) 1991 in de veronderstelling verkeerden dat alle aanvankelijk zonder recht en sinds 1985/1986 op grond van een huurovereenkomst gebruikte grond in eigendom werd overgedragen. In dit verband beroept [geïntimeerden] zich op de bepaling in de akte van levering die erop neerkomt dat de kopers het gekochte feitelijk reeds in gebruik hadden aanvaard en dat zij dat gebruik als eigenaren konden voortzetten.
3.6.5.
Gelet op dit alles concludeert [geïntimeerden] dat zij (althans [(schoon)ouders] ) in december 2001, als bezitters te goeder trouw gedurende tien jaren, door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook.
3.7.1.
De Gemeente heeft weersproken dat in 2001 ten aanzien van de strook eigendomsverkrijging door verkrijgende verjaring heeft plaatsgevonden. De Gemeente erkent (in elk geval in hoger beroep, zie de mvg nr. 1-2) dat alle aanvankelijk illegaal in gebruik genomen grond in 1985/1986 is verhuurd aan (onder meer) [(schoon)ouders] en dat de verhuurde stroken grond in 1991 aan de woningeigenaren zijn verkocht (en geleverd). De Gemeente voert vervolgens aan dat in 1991 aan alle bewoners van de [straatnaam] waaraan grond zou worden geleverd ( [(schoon)ouders] daaronder begrepen) de grenzen van de te leveren percelen zijn aangewezen. De Gemeente beroept zich in dit verband op het (in r.o. 3.5.2. genoemde) metingsverslag van 12 juni 1991. Volgens de Gemeente hadden de desbetreffende eigenaren (waaronder [(schoon)ouders] ) op het moment van de aanwijzing niet méér grond in gebruik dan toen aan hen werd verhuurd en aan hen zou worden geleverd. De Gemeente onderbouwt dit standpunt door erop te wijzen dat, als in juni 1991 zou zijn gebleken dat de eigenaren (waaronder [(schoon)ouders] ) méér grond in gebruik hadden dan werd verhuurd en zou worden geleverd, de Gemeente hier werk van zou hebben gemaakt. Het gebruik van de strook door [(schoon)ouders] dateert daarom volgens de Gemeente van ná de aanwijzing in juni 1991.
3.7.2.
Gelet op de aanwijzing in juni 1991 kunnen [(schoon)ouders] volgens de Gemeente geen beroep doen op goede trouw. [(schoon)ouders] wisten vanaf dat moment welke grond aan hen zou worden geleverd en dat de strook daarvan geen deel zou uitmaken. [(schoon)ouders] hadden voorts door raadpleging van de openbare registers op de hoogte kunnen zijn van de juiste stand van zaken, te weten dat de gemeente eigenaar was van de strook. De Gemeente verwijst in dit laatste verband naar het bepaalde in artikel 3:23 BW. Toen [(schoon)ouders] de strook in of na juni 1991 niettemin in gebruik namen, wisten zij, althans konden zij weten, dat zij daarvan geen eigenaar waren.
3.8.
Centraal belang in verband met het beroep van [geïntimeerden] op verkrijgende verjaring komt naar het oordeel van het hof toe aan het antwoord op de vragen (1) of en zo ja, vanaf wanneer [(schoon)ouders] kunnen worden gezien als bezitters van de strook en (2), indien sprake is van bezit, of [(schoon)ouders] op het moment dat het bezit werd verkregen te goeder trouw waren.
3.9.1.
Waar het betreft het bezit van de strook komen de stellingen van [geïntimeerden] erop neer dat [(schoon)ouders] de strook , evenals de grond tussen de strook en de oorspronkelijke achtertuin, enige tijd zonder recht hebben gebruikt en dat zij al deze grond vervolgens, sinds 1985-1986, hebben gehuurd van de Gemeente. Vanaf dat moment hebben [(schoon)ouders] ook volgens de stellingen van [geïntimeerden] de strook dus gehouden voor de Gemeente. Partijen zijn het erover eens dat aan de huurovereenkomst een einde is gekomen op het moment van de levering in december 1991. Daarmee is een einde gekomen aan het houderschap van de strook door [(schoon)ouders] . Dat [(schoon)ouders] sinds december 1991 bezitters zijn geweest van de strook heeft [geïntimeerden] deugdelijk onderbouwd, door erop te wijzen dat [(schoon)ouders] de uit de periode van huur en verhuur daterende coniferen hebben gehandhaafd en dat zij na het einde van hun huurderschap het exclusieve gebruik van de strook ook overigens hebben voortgezet, terwijl zij zich vanaf dat moment, gelet op de situatie ter plaatse én de bepaling in de akte van levering inzake het feitelijk gebruik dat voortaan als eigenaar kon worden voortgezet, als eigenaren hebben beschouwd.
3.9.2.
De stellingen van [geïntimeerden] inzake het bezit van de strook door [(schoon)ouders] zijn door de Gemeente deugdelijk weersproken, door enerzijds te wijzen op het (in r.o. 3.5.2. genoemde) metingsverslag van 12 juni 1991 en de daaruit, volgens de Gemeente, volgende aanwijzing van de juiste grens aan (onder meer) [(schoon)ouders] en door er anderzijds op te wijzen dat uit de aanwijzing volgt dat [(schoon)ouders] de strook op dat moment nog niet in gebruik hadden. De Gemeente neemt daarbij tot uitgangspunt dat, als [(schoon)ouders] in juni 1991 de strook wel in gebruik zouden hebben gehad, de Gemeente daartegen zou zijn opgetreden, omdat dan sprake was geweest van illegaal (en door de voorgenomen levering van [perceelnummer 2] ook niet te legaliseren) gebruik van de desbetreffende grond. Partijen zijn het erover eens dat van een zodanig optreden van de Gemeente in 1991 geen sprake is geweest. In het verlengde hiervan ontkent de Gemeente ook dat de houten schuttingen waarop [geïntimeerde 2] zich beroept (zie r.o. 3.6.3.) relevant zijn. De schuttingen zijn volgens de Gemeente betrekkelijk nieuw en kunnen het beroep op verjaring daarom niet onderbouwen.
3.9.3.
Doorslaggevend belang komt aan de stellingen van de Gemeente echter niet toe, omdat uit het eerder genoemde metingsverslag, gelet op hetgeen partijen dienaangaande over en weer hebben gesteld, niet onomstotelijk volgt dat de aanwijzing aan [(schoon)ouders] in juni 1991 daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. De Gemeente heeft daartoe aangevoerd dat in het metingsverslag wordt vermeld dat ‘de aanwijzing is gedaan door een ambtenaar van voornoemde gemeente aan de toekomstige eigenaren’ en dat verderop in het metingsverslag van 12 juni 1991 onder het kopje ‘Aanwijs 3-6-91’ onder meer ‘Dhr. [geïntimeerde 2] ’ wordt genoemd.
[geïntimeerden] heeft evenwel gemotiveerd betwist dat haar rechtsvoorgangers bij de aanwijzing aanwezig zijn geweest, alsmede dat toen een grens is aangewezen die vóór de geluidswal was gesitueerd.
Evenmin is de Gemeente erin geslaagd om de stellingen van [geïntimeerden] inzake het in de periode van huur en verhuur aangevangen exclusieve feitelijke gebruik van de strook te weerleggen.
3.9.4.
Dit een en ander betekent dat het aan [geïntimeerden] is om haar stelling inzake het bezit van de strook sedert 1991 te bewijzen. [geïntimeerden] heeft aangeboden om dit bezit te bewijzen, zodat het hof haar daartoe in staat zal stellen op de wijze als nader aan te geven in het dictum.
3.9.5.
Als [geïntimeerden] er níet in slaagt om het bezit door [(schoon)ouders] sinds 1991 te bewijzen, dan kan van verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW geen sprake zijn. Zou [geïntimeerden] er wél in slagen om te bewijzen dat de strook in 1991 in bezit is genomen door [(schoon)ouders] , dan staat daarmee vast dat ook is voldaan aan het tweede vereiste voor de verkrijgende verjaring, te weten het onafgebroken bezit van de strook gedurende tien jaren. Tussen partijen staat namelijk vast dat de eerste sommatie tot ontruiming van de strook zijdens de Gemeente dateert van juni 2009, terwijl is gesteld noch gebleken dat in de tussentijd verandering is gekomen in het bezit van de strook.
3.10.1.
Hiervan uitgaande is het relevant of [(schoon)ouders] op het moment van de bezitsverkrijging, in december 1991, te goeder trouw waren. Het hof stelt in verband hiermee voorop dat, in gevolge het bepaalde in artikel 3:118 lid 2 BW, de aanwezigheid van deze goede trouw wordt verondersteld en dat het aan de Gemeente is om het tegendeel te bewijzen (anders dan de Gemeente lijkt te veronderstellen brengt het bepaalde in artikel 3:119 lid 2 BW hierin geen verandering). Van de Gemeente mag daarom worden verwacht dat zij haar stelling dat geen sprake is van goede trouw bij [(schoon)ouders] zowel feitelijk als juridisch deugdelijk onderbouwt.
3.10.2.
Centraal in de stellingen van de Gemeente ter betwisting van de goede trouw staat de aanwijzing in 1991. Als [geïntimeerden] erin slaagt om het bewijs van het bezit door [(schoon)ouders] sinds december 1991 te leveren, dan komt naar het voorshandse oordeel van het hof aan die aanwijzing geen verder belang toe. Het hof gaat er daarbij van uit dat [geïntimeerden] dat bezit mede zal bewijzen door te bewijzen dat (zoals door haar gesteld, zie de r.o. 3.6.1.-3.6.3.) de achtertuin bij haar woning zich vanaf het moment dat [(schoon)ouders] daar woonachtig waren steeds heeft uitgestrekt tot aan het begin van de geluidswal, dat de achtertuin langdurig is afgegrensd met coniferen en vervolgens met houten schuttingen en dat [(schoon)ouders] van die achtertuin dus steeds het exclusieve gebruik hebben gehad. Als dit komt vast te staan, dan volgt daaruit dat de litigieuze strook in juni 1991 (toen de aanwijzing zou hebben plaatsgehad) feitelijk werd gebruikt door [(schoon)ouders] . Het hof volgt de Gemeente in haar stelling dat een aanwijzing van de grens van het te leveren perceel conform de buitengrens van perceel [perceelnummer 2] dan tot problemen zou hebben geleid. Zoals eerder vastgesteld (zie r.o. 3.9.3.), zijn die problemen er niet geweest. In het midden kan blijven of dat het gevolg is van de omstandigheid dat de aanwijzing aan hen niet heeft plaatsgevonden (zoals [geïntimeerden] steeds heeft gesteld), of dat bij de aanwijzing de ‘verkeerde’ grens - namelijk conform de feitelijke buitengrens van de achtertuin(en) - is aangewezen (zoals [geïntimeerden] in hoger beroep aanvullend heeft gesteld en zoals ook zou kunnen volgen uit de door [geïntimeerden] in het geding gebrachte verklaring van [bewoner 2] , zie r.o. 3.6.1.).
3.10.3.
Ook het bepaalde in artikel 3:23 BW, waarop de gemeente aanvullend een beroep doet, vormt geen argument om aan te nemen dat [(schoon)ouders] op het moment van de levering van perceel [perceelnummer 2] niet te goeder trouw waren, toen zij meenden ook eigenaar te zijn geworden van de strook. Op zichzelf is het juist, zoals de Gemeente heeft aangevoerd, dat een beroep van een verkrijger van een registergoed op goede trouw in beginsel niet kan worden aanvaard indien dat beroep een beroep insluit op onbekendheid met feiten die door raadpleging van de openbare registers zouden zijn gekend. Bij raadpleging van de openbare registers zouden [(schoon)ouders] ten aanzien van perceel [perceelnummer 2] echter geen andere informatie hebben verkregen dan reeds uit de akte van levering bekend was. Ten aanzien van perceel [perceelnummer 3] zouden [(schoon)ouders] bij raadpleging van de openbare registers bekend zijn geworden met het eigenaarschap van de Gemeente. Deze wetenschap is in verband met de goede trouw van [(schoon)ouders] echter niet van doorslaggevend belang. Zoals [geïntimeerden] - op dit punt onweersproken - heeft gesteld, gingen [(schoon)ouders] er, op basis van het feitelijke gebruik van de achtertuin tot aan de geluidswal en op grond van de bepaling in de akte inzake de voortzetting van dat feitelijk gebruik als eigenaar, namelijk van uit dat zij door de verkoop en de levering in 1991 de eigendom hadden verkregen van hun volledige achtertuin. Daarvan uitgaande waren [(schoon)ouders] er niet op bedacht dat die achtertuin méér omvatte dan de percelen [perceelnummer 4] en [perceelnummer 2] . Feiten of omstandigheden op grond waarvan [bewoner 1] - gegeven het uitgangspunt van het feitelijke gebruik als achtertuin van alle grond tot aan de geluidswal sedert in elk geval 1985/1986 - hierop niettemin bedacht had moeten zijn, heeft de Gemeente niet aangevoerd. Het hof wijst er in dit verband op dat tussen partijen op zichzelf vaststaat dat het in 1991 de bedoeling van zowel [(schoon)ouders] als de Gemeente was om te leveren hetgeen tot op dat moment aan hen werd verhuurd en dat de verkoop/levering daarom in het feitelijke gebruik geen verandering zou brengen. Het is deze bedoeling waarop de stelling van [geïntimeerden] dat haar rechtsvoorgangers in 1991 hebben gekocht wat door hen feitelijk in gebruik was en dat de levering plaatsvond met het doel om het verschil tussen de kadastrale gegevens en de werkelijkheid op te heffen (zie de verklaring van [getuige] , overgelegd als onderdeel van productie 1 bij de cva), kennelijk betrekking heeft. Anders dan de Gemeente bij herhaling heeft gesteld, kan het hof hierin niet lezen dat [geïntimeerden] erkent dat [(schoon)ouders] tot het moment van de levering van perceel [perceelnummer 2] alleen dat perceel als huurders in gebruik hadden.
3.10.4.
Niet uitgesloten kan worden dat de raadpleging van de (niet tot de openbare registers behorende) kadastrale kaart [(schoon)ouders] had moeten doen twijfelen aan de eigendomsverhoudingen met betrekking tot hun achtertuin. Tussen partijen staat echter vast dat [(schoon)ouders] deze kaart niet hebben geraadpleegd. Gelet op hetgeen het hof onmiddellijk hiervoor heeft overwogen over de feitelijke situatie ter plaatste en over de gezamenlijke bedoeling van de partijen bij de overeenkomst van koop en verkoop was er voor [(schoon)ouders] geen reden om de kadastrale kaart te raadplegen. Het hof verwijst in dit verband naar de beslissing van de Hoge Raad van 20 februari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5543.
3.10.5.
Het voorgaande betekent dat het hof, voor het geval dat komt vast te staan dat de achtertuin van de woning van [geïntimeerden] zich vanaf 1985/1986 steeds heeft uitgestrekt tot aan de geluidswal en dat deze tuin steeds exclusief is gebruikt door [(schoon)ouders] , voorshands tot het oordeel komt dat [(schoon)ouders] in december 1991 te goeder trouw bezit hebben genomen van de strook, zodat zij in december 2001 door verkrijgende verjaring in de zin van artikel 3:99 BW de eigendom daarvan hebben verkregen.
3.11.
In afwachting van de resultaten van de bewijslevering zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.
4. Beslissing
laat [geïntimeerden] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [(schoon)ouders] sedert december 1991 het bezit hebben gehad van de strook;
bepaalt, voor het geval [geïntimeerden] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. W.J.J. Beurskens als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 24 mei 2016 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige( n ) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerden] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en G.A.M. Peper en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 mei 2016.
griffier rolraadsheer