De goede procesorde
Einde inhoudsopgave
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.4.1:4.3.4.1 Inleiding
De goede procesorde (BPP nr. IV) 2006/4.3.4.1
4.3.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. V.C.A. Lindijer, datum 08-11-2006
- Datum
08-11-2006
- Auteur
Mr. V.C.A. Lindijer
- JCDI
JCDI:ADS382281:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 22 januari 1999, NJ 1999, 715 (HJS).
Zie HR 24 mei 1991 (NOS/De Staat), NJ 1991, 675 (MS), waarover nader infra, nr. 163.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
152. Zoals verderop in deze paragraaf nog zal blijken, is op zichzelf niet uitgesloten dat in hoger beroep aan processueel gedrag in eerste aanleg in samenhang met een voorafgaand aan het geding aangenomen houding, de slotsom wordt verbonden dat een procespartij het recht heeft verloren om voor het eerst in hoger beroep een bepaald standpunt in te nemen.1 Ook zal nog blijken dat een aanvankelijk in de procedure ingenomen standpunt eraan kan bijdragen dat een later in dezelfde instantie aangevoerde nieuwe stelling, die tegengesteld is aan dat eerdere standpunt, wordt gepasseerd.2 Vraag is nu of gedrag voorafgaand aan het geding tot gevolg kan hebben dat de rechter in eerste aanleg al oordeelt dat een partij het recht heeft verloren om een bepaalde stelling te betrekken. Zoiets lijkt denkbaar in situaties, waarin een partij door haar gedragingen voorafgaand aan een procedure bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt zich niet op een bepaalde standpunt te zullen beroepen. Daarvan zal evenwel niet snel sprake zijn. Voorbeelden daarvan heb ik in de jurisprudentie ook niet aangetroffen. Wel blijkt uit het in het volgende nummer te bespreken arrest dat de proceshouding van een partij in eerder gevoerd geding in beginsel niet van invloed is op de mogelijkheid om in het geding tegen een andere partij al dan niet bepaalde standpunten in te nemen.