Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.5.3
5.5.3 Ontbinding van een kerkgenootschap
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633511:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een uitgebreide uiteenzetting van mogelijke analogische toepassing van de ontbindingsmogelijkheden van artikel 2:19, lid 1 BW op kerkgenootschappen Van Kooten 2017, p. 310-328. Ik beperk me hierna alleen tot de vrijwillige ontbinding door het kerkgenootschap zelf en de gerechtelijke ontbinding wegens strijd met openbare orde op grond van artikel 2:20 BW.
Asser/Rensen 2-III 2017/397.
Van Kooten 2014, p. 378, 379.
Van Kooten 2017, p. 312-313.
Van Kooten 2017, p. 312-313.
Van Kooten 2014, 379.
Van Kooten 2014, 379.
Van Kooten 2014, 380.
Artikel 2:20 BW bepaalt dat de rechter een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid in strijd is met de openbare orde verboden kan verklaren en ontbinden. Ook als het doel van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde kan de rechter de rechtspersoon ontbinden, maar de rechter kan de rechtspersoon eerst de gelegenheid bieden het doel zodanig te wijzen dat het niet meer in strijd is met de openbare orde.
Van Wijk e.a. 2013, p. 126.
Zie voor een opsomming van auteurs met die visie Van Kooten 2017, p. 337-342.
Van Kooten 2017, p. 342, 346- 348 en 356.
Santing-Wubs 2002, p. 55.
Van Kooten 2017, p. 358-360.
Kamerstukken II 2015/16, 34465, nrs. 1- 3 (Azmani) en Kamerstukken II 2003/04, 29757, nrs. 1-3 (Wilders & Eerdmans).
Van Wijk e.a. 2013, p. 126.
Van Kooten 2017, p. 346 en 355.
Openbare orde is volgens Santing-Wubs (2002, p. 55, 56) beperkter dan dwingend recht en moet opgevat worden als ‘ontwrichting van de samenleving’, zodat het verbieden en ontbinden van een rechtspersoon uitzonderlijke gevallen van misbruik van wettelijke vrijheden en bevoegdheden betreft.
Kamerstukken II 1985/86, 16635, nr. 7, p. 8, 9 (antwoord 24 en 25).
Kamerstukken II 1985/86, 16635, nr. 7, p. 8(antwoord 24 en 25).
Kamerstukken II 1985/86, 16635, nr. 7, p. 9(antwoord 24 en 25).
Een kerkelijke rechtspersoon kan worden ontbonden.1 Vrijwillige beëindiging kan voortvloeien uit eigen keuze van het kerkgenootschap. Het kerkgenootschap kan ook tot ontbinding van een zelfstandig onderdeel besluiten. Bij ontbinding van een kerkelijke rechtspersoon is overeenkomstige toepassing mogelijk van de algemene bepalingen in titel 2.1 BW, zoals de bepaling over ontbinding van een rechtspersoon in artikel 2:19 en de bepaling over benoeming van vereffenaars in 2:23 BW. Het statuut speelt bij ontbinding een cruciale rol; daarin kan worden geregeld hoe de ontbinding moet plaatsvinden en wat de gevolgen daarvan zijn.2 Zo moeten de bepalingen van het statuut over de ontbinding worden nageleefd, zoals een besluit van een daartoe bevoegd orgaan van het kerkgenootschap tot de ontbinding, waarbij een door het statuut voorgeschreven meerderheid en procedurevoorschriften in acht worden genomen. Veelal is dit het orgaan dat ook bevoegd is tot wijziging van het statuut.3 Ontbreekt een dergelijke regeling in het statuut dan moet volgens Van Kooten aansluiting worden gezocht bij besluitvormingsprocedures die wel in het statuut zijn geregeld voor vergelijkbare zwaarwichtige zaken, zoals de wijziging van het kerkelijke statuut.4 Bevat het statuut meerdere van dergelijke procedures, dan prevaleert gezien het verstrekkende karakter van het ontbindingsbesluit de procedure met de grootste procedurele waarborgen, aldus Van Kooten.5
Het besluit tot ontbinding van een kerkgenootschap zal naast de benoeming van vereffenaars veelal ook de bestemming van het liquidatiesaldo betreffen.6 Wanneer een dergelijke bepaling ontbreekt in het besluit, dan moeten de vereffenaars volgens Van Kooten bij het vaststellen van de bestemming van het batig saldo zoveel mogelijk aansluiten bij de oorspronkelijke bestemming.7
Bij ontbinding van een zelfstandig onderdeel bepaalt het kerkgenootschap wat er vervolgens gebeurt. Zo kan het kerkgenootschap beslissen dat het zelfstandig onderdeel wordt gefuseerd met een ander zelfstandig onderdeel. Bij ontbinding van het zelfstandig onderdeel wordt het statuut van het zelfstandig onderdeel dan wel van het kerkgenootschap gevolgd voor wat betreft de bestemming van het batig saldo.8
Over de vraag of een kerkgenootschap-rechtspersoon ook gedwongen – dat wil zeggen door de rechter – kan worden ontbonden wegens strijd met openbare orde op grond van artikel 2:20 BW,9 bestaat veel discussie, zoals blijkt uit WODC-onderzoek uit 2013.10 Het gaat dan om kerkgenootschappen die een bedreiging zouden vormen voor de (inter)nationale rechtsorde en de democratie. Artikel 2:2 lid 2 BW bepaalt dat de bepalingen van titel 2.1 van het BW (art. 2:1-2:25) in beginsel niet voor kerkgenootschappen gelden, maar dat analogische toepassing geoorloofd is voor zover die te verenigen is met hun statuut en met de aard van de onderlinge verhoudingen. Sommige auteurs zijn van mening dat gedwongen ontbinding van een kerkgenootschap nu al mogelijk is door de overeenkomstige toepassing van dit artikel op het kerkgenootschap.11 Van Kooten daarentegen vindt dat overeenkomstige toepassing niet voor de hand ligt omdat ontbinding door de rechter veelal onverenigbaar zal zijn met het statuut van het betreffende kerkgenootschap en de aard der onderlinge verhoudingen.12 Santing-Wubs pleit voor een rechtstreekse toepassing van artikel 2:20 BW op kerkgenootschappen om eventuele uitwassen tegen te gaan.13 Ook Van Kooten kiest voor een rechtstreekse toepasbaarheid van artikel 2:20 BW op kerkgenootschappen maar dan wel door dit expliciet in artikel 2:2 BW op te nemen. Daarvoor is een wetswijziging vereist.14
Op 2 mei 2016 heeft Kamerlid Azmani het slapende wetsvoorstel van Wilders en Eerdmans van 15 september 2004 uit de kast getrokken om in artikel 2:2, lid 2 BW op te nemen dat naast artikel 2:5 BW artikel 2:20 BW rechtstreeks van toepassing is op kerkgenootschappen.15 De Raad van State is anders dan Azmani van oordeel dat analogische toepassing van artikel 2:20 BW mogelijk is en dat dus het wetsvoorstel onnodig is.16 Vervolgens heeft de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie op 26 januari 2017 vragen gesteld aan de initiatiefnemer maar er zijn nog geen antwoorden.17
Tegenstanders van aanscherping van de regelgeving voor kerkgenootschappen op het gebied van ontbinding voeren als belangrijkste bezwaar aan de scheiding van kerk en staat en de vrijheid van godsdienst, op grond waarvan iedereen een kerkgenootschap mag oprichten, zo blijkt uit een WODC-onderzoek onder deskundigen in 2013.18 Gezien het beperkte aantal misstanden dat verband houdt met kerkgenootschappen, vinden zij een dergelijke beperking van de godsdienstvrijheid te ver voeren. Bovendien zouden in hun optiek ontbindingsmogelijkheden weinig effect sorteren in de praktijk tenzij er ook eisen gelden voor de oprichting van een kerkgenootschap.
De Grondwet en het EVRM bieden geen belemmering voor een civielrechtelijke ontbinding van kerkgenootschappen door de rechter, zolang de wettelijke ontbindingsregeling voldoet aan de eisen van de Grondwet en het EVRM.19 De ontbindingsregeling zou dan in een wet in formele zin moeten zijn vastgelegd en noodzakelijk moeten zijn in een democratische samenleving voor de in artikel 9 lid 2 EVRM genoemde doelcriteria: in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, de gezondheid of goede zeden of de voor bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Volgens de staatssecretaris van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur is de ontbinding van kerkgenootschappen wegens strijd met de openbare orde20 niet categorisch uitgesloten, maar moet van geval tot geval worden bezien in hoeverre de toepassing ervan zich verdraagt met de bijzondere aard van het kerkgenootschappen.21 De staatssecretaris beklemtoont daarbij wel dat de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging meebrengt dat “de rechter bij de beoordeling of een dergelijk genootschap in strijd is met de openbare orde en of het voor ontbinding in aanmerking komt, de grootst mogelijke terughoudendheid dient te betrachten met betrekking tot het geestesgoed van het genootschap”.22 Dit betekent volgens de staatssecretaris dat toetsing van het geestelijke doel van het genootschap uitgesloten is, maar dat ontbinding van een kerkgenootschap waarvan de werkzaamheden in strijd met de openbare orde zijn, wel denkbaar is, zoals wanneer dat genootschap als feitelijke werkzaamheid heeft het verspreiden van rassenhaat.23