De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.4.3:4.4.4.3 Het vertrouwensbeginsel
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.4.3
4.4.4.3 Het vertrouwensbeginsel
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS366028:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Hartkamp en Sieburgh 6-III, nr. 42.
Zie Dijk/Van der Ploeg, p. 74.
Zie par. 2.4.2.
HR 29 november 2002, NJ 2003, 455, JOR 2003/2 m.nt. Bartman (Berghuizer Papierfabriek) en HR 20 juni 2008, NJ 2009, 21, m.nt. Maeijer en Snijders, JOR 2008/260 m.nt. Borrius (NOM/Willemse).
HR 4 april 2014, NJ 2014, 286 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/290 m.nt. De Haan (Cancun).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De keerzijde van de uit de partijautonomie voortvloeiende inrichtingsvrijheid is dat, indien eenmaal met gebruikmaking van deze vrijheid is gekozen voor een bepaalde inrichting, de gekozen inrichting ook bindend is. Voor zover dit niet volgt uit de vrijheid van inrichting, volgt dit uit het vertrouwensbeginsel.1
Deze toepassing van het vertrouwensbeginsel vindt men terug in de – dwingendrechtelijke – regel dat een besluit dat in strijd is met de statuten nietig is en dat een besluit dat in strijd is met een reglement vernietigbaar.2 Tevens komt dit tot uitdrukking in het feit dat handelen in strijd met de statuten kan kwalificeren als wanbeleid3 en als (ernstig verwijtbaar) onbehoorlijk bestuur.4 Daarnaast kan het op oneigenlijke wijze wijzigen van de verhoudingen binnen de rechtspersoon eveneens kwalificeren als wanbeleid.5
Het vertrouwensbeginsel komt ook tot uitdrukking in art. 1 EP en de vrijheid van vereniging, zij het steeds met een specifieke focus. In hoofdstukken 5 en 6 zal daarop nader worden ingegaan.
Bij de toepassing van het vertrouwensbeginsel mag echter niet over het hoofd worden gezien dat justitiabelen zich bewust moeten zijn dat de in de wet en statuten vastgelegde rechten, plichten en bevoegdheden niet absoluut zijn. Ook de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW speelt een grote rol. De implicaties daarvan worden besproken par. 4.4.4.4 en 4.5.