Hoge Raad van 22 oktober 1952, B. Nr. 9293 De Hoge Raad laat in het arrest ook weten dat ze voorrang geeft aan dit beginsel, waardoor de foutenleer als een soort verlengstuk van de balanscontinuïteit kan worden gezien — en HR 16februari 1955, BNB 1955/107 ‘als zuiver bedrijfsvermogen bij het begin van het boekjaar heeft te gelden het zuiver bedrijfsvermogen bij het einde van het vorige boekjaar. ’ -en Hoge Raad van 13 maart 2009 — en Lubbers 1999
HR, 11-10-2024, nr. 21/05115
ECLI:NL:HR:2024:1421
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
11-10-2024
- Zaaknummer
21/05115
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑10‑2024
ECLI:NL:HR:2024:1421, Uitspraak, Hoge Raad, 11‑10‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2021:3227
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2024/1658
Sdu Nieuws Belastingzaken 2024/1162
V-N 2024/45.3 met annotatie van Redactie
NTFR 2024/1681 met annotatie van Mr. R.S. Bekker
NLF 2024/2390 met annotatie van Lisanne Rijff
Viditax (FutD) 2024101101
FutD 2024-2125
BNB 2025/12 met annotatie van G.T.K. MEUSSEN
FED 2025/26 met annotatie van G.G.M. Snoeks
Beroepschrift 11‑10‑2024
Cassatie
De uitspraak van het hof:
Essentie en samenvatting
Essentie
Hof Amsterdam oordeelt dat het in 2008 gekochte perceel grond niet zonder meer is aan te merken als verplicht ondernemingsvermogen. De kwalificatie van het perceel in de IB-aangiften 2008 — 2012 als privévermogen berust dan niet op een etiketteringsfout.
Samenvatting van de uitspraak van het gerechtshof:
- —
Hof Amsterdam oordeelt dat het in 2008 gekochte perceel grond niet zonder meer is aan te merken als verplicht ondernemingsvermogen.
- —
De kwalificatie van het perceel in de IB-aangiften 2008 – 2012 als privévermogen berust niet op een etiketteringsfout.
- —
X maakt ook niet aannemelijk dat er feiten en omstandigheden zijn op grond waarvan een zodanig nauw verband tussen de werkzaamheden en het perceel aannemelijk is te achten dat op grond daarvan moet worden geconcludeerd dat het perceel verplicht ondernemingsvermogen vormt.
- —
Toepassing van de foutenleer is niet aan de orde.
- —
Het gelijk is aan de inspecteur.
Essentiële vaststellingen door het Hof: zie rov 5.3.2.
- —
belanghebbende zich in 2008 is gaan bezig houden met de ontwikkeling van het door hem verworven perceel en dat
- —
die activiteiten — kort te omschrijven als het tot stand brengen van een gebouw op het perceel — kwalificeren als onderneming dan wel het verrichten van werkzaamheden in fiscale zin.
- —
voldaan aan de voor aanwezigheid van een bron van inkomen vereiste
Kort gezegd: het tot stand brengen van een gebouw op het perceel is een bron van inkomen
Essentiële foute oordeel van het hof
Hofs oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting van 3.8 dan wel 3.91.
Het nauw verband tussen de werkzaamheden en het tot stand brengen van een gebouw op het perceel is overduidelijk aanwezig en aannemelijk gemaakt door belanghebbende in de gedingstukken, deze werkzaamheden zijn immers de werkzaamheid zelf.
Dit is door belanghebbende reeds in de gedingstukken gesteld, aannemelijk gemaakt en vervolgens onbetwist gebleven. Dit is reeds rechtens komen vast te staan in de gedingstukken en zelfs eerder al met de aanslag van 2013. Hofs oordeel ontbreekt aan een motivering hoe het Hof toch tot haar oordeel komt ondanks de feiten en omstandigheden welke belanghebbende in de gedingstukken heeft aangedragen en aannemelijk heeft gemaakt.
Belanghebbende heeft met andere woorden en in het kort gesteld:
de werkzaamheden zijn de werkzaamheid, immers is het tot stand brengen van een gebouw op het perceel de bron van inkomen en daarmee zijn dus de werkzaamheden, het tot stand brengen van dit gebouw op het perceel, de bron van inkomen en derhalve dienen alle voordelen tot deze bron van inkomen te worden toegerekend.
Het Hof geeft daarnaast in rov 5.3.5.3. (in samenhang met rov 5.3.5.4.) blijk van een aantal (onjuiste) feiten welke niet door belanghebbende zijn gesteld of worden beweerd. Het lijkt erop dat het Hof zich in essentiële stellingen van belanghebbende heeft vergist, of het belang van dit essentiële onderscheid niet heeft beseft, dan wel deze essentiële stellingen niet heeft behandeld en niet in haar oordeel heeft betrokken en derhalve vertonen Hofs oordelen motiveringsgebreken en derhalve zijn Hofs gedachtegangen voor belanghebbende oncontroleerbaar en onaanvaardbaar.
Het doet belanghebbende voorkomen dat het Hof niet heeft beseft of over het hoofd gezien dat het belanghebbendes startende onroerend-goed ontwikkelingsbedrijf en niet zijn verzelfstandige onderaannemersbedrijf, is welke is gestart met haar eerste ontwikkelingsobject, met de wil, één onroerende goed object te ontwikkelen en te verkopen met het oog op een objectief voorzienbare winst. De wil en motief, als startende ontwikkelingsbedrijf, blijkt overduidelijk uit de feiten en omstandigheden in de gedingstukken. Met als ontwerp van dit te verkopen object, een kantoor aan woonhuis, wat daar als bestemmingsplan toegestaan was en reeds eerder succesvol was verkocht, ten behoeve van een optimale prijs en financiering ervan. De vorm van financieren heeft geleid tot de onjuiste aangiften, maar deze financiering doet echter niets af aan het voorgaande benoemde winstdoel. Immers is 3.8 en 3.94 hier helder over en ook de aangehaalde jurisprudentie in de gedingstukken zijn zonneklaar hierover. De vorm en de financiering doen namelijk niets af aan het winstmotief en de winstverwachting.
1.1. het standpunt van de belanghebbende,
1.1.1
Ten tijde van 2008 is belanghebbende zich bezig gaan houden met 3 ondernemingsactiviteiten gelijktijdig, waarvan de onderaannemings-activiteiten in 2008 zelfstandig zijn afgesplitst in een BV Mede daaruit blijkt belanghebbendes motief om zijn arbeid en kapitaal duurzaam dienstbaar te stellen aan het (startende) onroerend goed ontwikkelingsbedrijf als een zelfstandige activiteit. In die zin dat het zelfstandig is ten opzichte van de in de BV ondergebrachte onderaannemingsactiviteiten. Het hardnekkige onbegrip of onbesef over deze drie ondernemingsactiviteiten wordt hierna ook besproken onder grief 4
Dit onroerend goed ontwikkelingsbedrijf, zijnde een zelfstandige activiteit, is echter heel expliciet en op een niet mis te verstane wijze in de gedingstukken steeds weer benadrukt en aannemelijk gemaakt. Overvloedig zelfs, om te voorkomen dat belanghebbende enige bewijsrisico loopt. Zodat het niet als onvoldoende gemotiveerd kan worden betiteld en ook zodat er geen enkele ruimte bestaat om dit standpunt met een zuivere betwisting te kunnen ontzenuwen. Bullit-proof voor een onwillende lezer die obsessievelijk zoekt naar een nee, want-motivering.
Het betreft simpelweg gesteld:
Belanghebbendes startende onroerend-goed ontwikkelingsbedrijf is gestart met haar eerste object, met de wil, één onroerende goed object te ontwikkelen en te verkopen met het oog op een objectief voorzienbare winst. De wil en motief, als startende ontwikkelingsbedrijf, blijkt overduidelijk uit de feiten en omstandigheden in de gedingstukken.
Met als ontwerp van dit te verkopen object, een kantoor aan woonhuis, ten behoeve van een optimale prijs en financiering ervan. IB 3.8 en 3.94 en ook de aangehaalde jurisprudentie in de gedingstukken zijn zonneklaar hierover, de vorm en de financiering doen niets af aan het winstmotief en de winstverwachting.
1.1.2.
Verder dient nog benadrukt te worden dat de ondernemingsactiviteiten een duurzaam karakter nastreefde. Net zoals een softwarebedrijf met een eerste softwareproject start en daarna volgende softwareprojecten uitvoert, zo was dit project beoogd een eerste van een reeks ontwikkelingsobjecten te zijn. Helaas is er zwaar weer ontstaan en daardoor is het in 2014 tot een einde gekomen. Dit doet echter niet af aan het verband tussen de werkzaamheden en de onderneming, dan wel de werkzaamheid en daarmee dus niets af doet aan de grenzen der redelijkheid aangaande de vrijheid van het keuzevermogen in de jaren waarin de kosten ten behoeve van de werkzaamheden aan het perceel zijn gemaakt. De administratieve fouten (zoals de belastingaangiften) doen ook niet ter zake aangaande een juiste rechtsopvatting ten aanzien van het totaalwinstbeginsel en goed koopmansgebruik.
1.1.3
Juridisch vertaald wordt door belanghebbende het volgende gesteld:
- —
Gezien het nauw verband, welke vanzelfsprekend volgt uit het causaal verband, is er geen sprake van een vrije keuzevermogen en zijn de vermogensbestanddelen dan ook verplicht ondernemingsvermogen, dan wel verplicht werkzaamheidsvermogen.
Het onderhavige activum welke, immers in haar wezen zelf de werkzaamheid vormt, dient derhalve vanzelfsprekend tot het resultaatvermogen te worden gerekend. Hofs oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting aangaande de winst- en voordeelopvatting uit 3.8 en 3.94 en de toepassing van de gangbare rechtsspraak hieromtrent. Het ontbreken van een motivering van Hofs oordeel, ondanks het nauw verband zoals belanghebbende stelt en aannemelijk maakt in de gedingstukken maakt het oordeel onbegrijpelijk en onaanvaardbaar voor belanghebbende.
- —
op basis van goedkoopmansgebruik is de balans incorrect (geen opgemaakte balans is uiteraard ook incorrect)
- —
de inkomstenbelastingaangiften vanaf 2008 bevatten doorwerkende fouten, welke dusdanige fouten zijn waar de foutenleer op ziet.
- —
Zodra een fout ontdekt wordt, die de inspecteur niet meer kan herstellen middels de gewone herstelmethodes, dan ontstaat de verplichting deze fout in het oudste nog openstaande jaar te herstellen door middel van de foutenleer1..
- —
Heretikettering is uitsluitend relevant indien er sprake is van vrije keuzevermogen, waar in deze kwestie geen sprake van zal blijken te zijn, maar van verplicht ondernemingsvermogen. De aanslag 2013 duidt erop dat de inspecteur inzake de aangifte 2013 ook de mening heeft gedeeld dat (deels) er geen sprake is van vrije keuzevermogen.
1.1.4.
De onderhavige cassatie is volgens belanghebbende van substantieel belang en een interessante en wenselijke precedentwerking te verschaffen en derhalve is cassatie van groot belang voor de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.
1.2. het standpunt van de inspecteur,
1.2.1
Voor belanghebbende is het nog steeds onbegrijpelijk waarom de inspecteur het oneens is met de standpunten van belanghebbende, omdat motiveringen van de betwistingen ontbreken. De inspecteur en verweerder neemt geen, althans geen heldere en gemotiveerde standpunten in, want een stand-punt betekent dat er een punt moet worden gemaakt. Zuivere betwistingen in de vorm van nee, want ontbreken. Inspecteur stelt wel (of roept soms wat), of gewoon enkel een betwisting als een ontkenning, maar zonder voldoende inhoudelijke motivering. Er is namelijk geen nee, want- of ja, maar-betwisting. Van een onderliggende ratio en redenering vindt belanghebbende geen sporen. Ook wordt door verweerder in strijd met Rv 21 onwaarheden, dan wel onvolledigheden gebezigd.
De inspecteur heeft in ieder geval geen enkel standpunt, althans een gemotiveerd standpunt, met wettelijke grondslag, ingenomen ten aanzien van het nauw verband en heeft dit nauw verband ook niet betwist. Dus er is geen grondslag voor verweer tegenover het gedetailleerde met jurisprudentie uitvoerig beklede betoog. Derhalve is dit nauw verband reeds komen vast te staan.
de beslissing van het Hof..
Het gelijk is aan de inspecteur.
2. Feiten en Jurisprudentie
2.1. Feiten
Overzichtshalve wordt hieronder onder 2.1 tot en met 2.1.4. een aantal feiten uit de feiten benadrukt. Het overige van de gedingstukken dient hierbij echter wel te worden beschouwd als te zijn ingelast.
2.1.1. document van 197 pagina's Ie aanleg ingebracht
dit document is als gedingstuk ingebracht door belanghebbende op 31 januari 2020, zijnde 197 pagina's. Omdat online deze documenten online bij de rechtbank niet konden worden geüpload en zijn deze derhalve per memorystick (in tweevoud) aangetekend aan de rechtbank toegestuurd en bevestiging voor ontvangst van de aangetekende brief en telefonisch door de griffier bevestigd te hebben ontvangen in goede en leesbare orde.
Onder bestandsnaam: 2 1 Verzoek om aanvullende stukken fase — deel I.pdf (197 pagina's)
Om te voorkomen dat, om welke reden dan ook, uw Raad niet alle gedingstukken in haar bezit krijgt stuur ik overzichtshalve en volledigheidshalve de relevante gedingstukken nogmaals mee, als bijlage bij de cassatieberoep. Mogelijkerwijs is er immers door administratieve handelingen wat buiten gevallen, waar uiteraard belanghebbende niet (nogmaals) de dupe van mag worden in dit cassatieberoep. Verweerder blijkt namelijk ook stukken niet aan de rechtbank, dan wel het Hof, te hebben toegestuurd, zoals de betaalbewijzen, welke zich bevinden in dit document.
2.1.1.1
Betaalwijzen, pagina's 134 tot en met 174
2.1.1.2
Toelichting betaalbewijzen en facturen:
Bezwaar 2014 — Betaalbewijzen en totale ontwikkelkosten
Ten behoeve van het leesgemak geef ik hierbij een korte toelichting aangaande de bankafschriften. Uit de afschriften, blijkt steeds dat bedragen, meestal wekelijks, uit het bouwdepot op de betaalrekening zijn bijgestort waar vervolgens de leveranciers van het bouwproject zijn betaald. Volledigheidshalve ter uwer informatie: de Rabobank ging steeds pas na controle van de facturen over tot deze bijstortingen, met omschrijving: ‘[X] bouwfacturen’. Deze bedragen komen ook overeen met de subtotalen van de reeds in uw bezit zijnde kostenspecificatie ten bedrage van 291.000. Ik heb deze bijschrijvingen genomen als uitgangspunt, omdat dit veel overzichtelijker is. Deze wijze van het berekenen van de kosten is voldoende zorgvuldig, gezien de Rabobank pas overging tot bijstorting na controle van de facturen. Het staat het u uiteraard vrij om ook de individuele betalingen aan de leveranciers aan de hand van de individuele uitgaande bankmutaties te berekenen.
Ten behoeve van het overzicht herhaal ik hier nog even de chronologische fasen van het project.
In 2006 ben ik gestart met dit project en heb op 13 augustus 2006 een optie op de bouwkavel genomen. De kosten specificaties ten bedrage van 291.000 betreffen kosten over de periode van augustus 2006 tot en met mei 2010. Begin 2009 is er gestart met de bouwfase. De betaalde kosten van de voorbereidingsfase zijn kennelijk niet met deze betaalrekening betaald. Waaronder onder andere de betaling van de kavel aan de notaris is niet via deze betaalrekening gedaan, maar door de rabobank direct voldaan. Ter bewijs van de gemaakte kosten voorafgaand aan de bouwfase stuur ik u de facturen van de ontbrekende betaalbewijzen tot en met begin 2009, die uiteraard wel betaald zijn, gezien de grond is geleverd en een bouwvergunning is verstrekt. Mogelijk kan ik, indien u dat noodzakelijk acht, bij de Rabobank nog de bankmutaties hieromtrent opvragen.
2.1.1.3
Makelaar [A] en Architect
Pagina 27
Architect [B] is aangetrokken, een bouwvergunning is verleend, aannemer [C] is ingeschakeld en makelaar [A] zou de verkopende makelaar na realisatie zijn .
pagina 31
funda advertentie plaatsing
pagina 66
objectieve winstverwachting op basis van een (maximale) psychologische verkoopprijs
2.1.2. Citaten uit Bijlage 23 van de verweerder
Documentnummer: […] Ingediend op: 13-09-2019 18:59 bij de rechtbank. Dit document is digitaal als gedingstuk ingebracht door belanghebbende in le aanleg op 13 septemeber 2019, zijnde 69 pagina's.
2.1.2.1. pagina 1 (bijlage 23 van de verweerder)
Mijn betoog zal de volgende structuur volgen:
- —
er is geen keuzevermogen, want de vermogensbestanddelen zijn verplicht ondernemingsvermogen
- —
de inkomstenbelastingaangiften vanaf 2008 bevatten doorwerkende fouten, welke dusdanige fouten zijn waar de foutenleer 1 op ziet. Zodra een fout ontdekt wordt, die de inspecteur niet meer kan herstellen middels de gewone herstelmethodes, dan ontstaat de verplichting deze fout in het oudste nog openstaande jaar te herstellen door middel van de foutenleer 2.
- —
Heretikettering is uitsluitend relevant indien er sprake is van keuzevermogen, waar in deze kwestie geen sprake van zal blijken te zijn, maar van verplicht ondernemingsvermogen.
2.1.2.2. pagina 2 bijlage 23
Vooreerst wil ik de communicatie aangaande de verschillende ondernemingsactiviteiten nog even aanscherpen. Aan de hand van de met u gevoerd communicatie, uw 27 vragen en uw voorneming beslissing vermoed ik namelijk dat er verwarring is ontstaan ten aanzien van de ondernemingen en de ondernemingsactiviteiten. Derhalve zal ik ter helderheid vanaf nu de ondernemingen/ondernemingsactiviteiten onderscheiden in:
Onderneming Bouwen, Onderneming Schoonmaakbranche en Onderneming Ontwikkelen Onroerend Goed. In het kort respectievelijk als onderneming(B), onderneming(S) en onderneming(O).
2.1.2.3. pagina 3 tot en met 8
Verplicht ondernemingsvermogen. Geen keuzevermogen.
2.1.2.3.1
Alle vermogensbestanddelen welke betrekking hebben op de ontwikkeling- en bouwactiviteiten aangaande het pand aan de [a-straat] dienen als verplicht ondernemingsvermogen te worden beschouwd en derhalve vallen geen der vermogensbestanddelen onder het keuzevermogen. Blijken zal dat binnen de grenzen der redelijkheid er geen keuze kon worden gemaakt voor een etikettering als privévermogen. Immers zijn alle vermogensbestanddelen aangewend en dienstbaar geweest ten boeve van de onderneming(O) en is er verder geen enkel moment te duiden waarop een der vermogensbestanddelen dienstbaar is geweest of daadwerkelijk zou aangewend worden voor privédoeleinden. Het eventuele gebruik als eigen kantoor (onderneming S en/of B) en woonruimte zou slechts dienen tot het kostenvermindering tijdens het aanhouden van het pand in afwachting op een betere verkoopmoment en dientengevolge zouden de vermogensbestanddelen ook op deze wijze dienstbaar zijn geweest aan onderneming(O). Bovendien heeft er niet eens een feitelijk moment plaatsgevonden waarop is besloten daadwerkelijk tot een dusdanig privegebruik over te gaan
2.1.2.3.2
Samenvattend: Door het nauwe verband van alle vermogensbestanddelen met de onderneming (O) zou het de grenzen der redelijkheid overschrijden om een der vermogensbestanddelen te etiketteren als keuzevermogen. Het nauwe verband van de vermogensbestanddelen met de onderneming wordt in de rechtspraak met herhalend aangehaald als criterium voor verplicht ondernemingsvermogen. 2.1.2.3.3 Jurisprudentie en betoog belanghebbende in de gedingstukken aldaar HR, 13-07-2007, nr. 42 698 ECLI:NL:PHR:2007:AZ2817
3.7. De subjectieve wil moet sporen met de feitelijke aanwending. Verplicht tot het ondernemingsvermogen dienen te worden gerekend vermogensbestanddelen die in een zodanig nauw verband staan met de onderneming dat zij in redelijkheid niet anders dan als ondernemingsvermogen kunnen worden gekwalificeerd. Verplicht privé-vermogen vormen vermogensbestanddelen die geen enkele functie binnen de onderneming (kunnen) vervullen 4. De daadwerkelijke (of voorgenomen) aanwending is van belang voor de etikettering. Als een pand uitsluitend of nagenoeg uitsluitend in de onderneming van een belastingplichtige zal worden aangewend, is er sprake van verplicht ondernemingsvermogen.5
4 De financiering van een pand is bij de etikettering niet van belang. Vgl. de Fiscale Encyclopedie de Vakstudie, onderdeel Wet IB 2001, artikelsgewijs commentaar op artikel 3.8, aantekening 6.2A.
5 Zie HR 23 juni 1954, nr. 11860, BNB 1954/283, met noot Hellema; HR 30 oktober 1996, nr. 31450, BNB 1996/410 en HR 14 maart 2001, nr. 36108, BNB 2001/201, met noot Zwemmer..5
Dit is sterk vergelijkbaar met het litigieuze pand, namelijk mocht het verkopen met een bevredigende winst niet direct slagen dan wordt het pand aangehouden en in eigen gebruik genomen, totdat zich een geschikte gelegenheid tot verkoop aanbiedt. Het in eigen gebruik nemen voor privé en of onderneming (S en of B) was namelijk een voornemen, welke ten dienste staat van de onderneming(O) en daarbij een voorwaardelijke voornemen en daarmee een niet gemanifesteerde voornemen.
2.1.2.3.4
4.16
Het eventuele gebruik van kantoor (onderneming S en/of B) of woning voor privé gebruik van het litigieuze pand was louter in geval van een worstcase scenario ten gunste van het hele object ter winstgevendheid en laat onverlet dat sprake is van
4.17
….
De sfeer waarin het vermogensbestanddeel wordt verkregen is bepalend voor de vraag of een met de verkrijging van een vermogensbestanddeel behaald voor- of nadeel belast is of niet, ook als het desbetreffende vermogensbestanddeel geen duurzame functie in de onderneming gaat of kan gaan vervullen
4.18
….
Hierbij teken ik aan dat indien een vermogensbestanddeel is opgekomen in de ondernemingssfeer het niet kan worden overgebracht naar privé indien het wordt aangehouden in afwachting van een geschikte gelegenheid tot vervreemding…
Voetnoet 8 Vergelijk de problematiek van het aanhouden van ondernemingsvermogen voor verkoop op een geschikt
moment, na staking. Ook de opbrengsten van de verkoop na staking kwalificeren nog als ondernemingswinst. Zie de Fiscale Encyclopedie de Vakstudie, onderdeel Wet IB 2001, artikelsgewijs commentaar op artikel 3.8, aantekening 36.
Met mijn vastgoedontwikkelingsactiviteiten heb ik altijd uitsluitend een zakelijk doel voor ogen gehad. Dat blijkt ook uit mijn beslissingen, die ik hieronder beschrijf.
Omdat ik een kleine ontwikkelaar was, was ik verplicht om voorzichtig te werk te gaan om de waarde van mijn project te beschermen. Tijdens mijn studie economie had ik geleerd hoe dat moest: bescherm rendement en beperk het risico. Als zou blijken dat het project moeilijk te verkopen was, moest ik over een plan B beschikken, om een tegenvaller te kunnen verijdelen of de schade te beheersen. Plan B werkte als volgt: ik zou bij tegenvallende verkoop beslissen om zelf in het pand te gaan wonen en er kantoor te houden. Zo zou ik op mijn woon- en kantoorlasten bezuinigen. Bovenal zou ik zo tijd kopen, waarmee ik langer kon wachten tot er zich een gunstig moment van verkoop zou aandienen. Een eventuele voorwaardelijke beslissing daar zelf gaan wonen was dus louter een optie met een motivering ter vermindering van het financieel risico en ter financiële verbetering
Per saldo heeft het pand dus nooit iets anders kunnen zijn dan verplicht ondernemingsvermogen.
2.1.2.3.5
4.19.
…
Litigieuze pand waarbij de bovenverdiepingen mogelijk op een later tijdstip een functie gaat vervullen in het privé-vermogen van de ondernemer, waarop overigens niet de wil ten behoeve van een privedoel was gericht, maar ten dienste van de onderneming namelijk een betere verkoopprijs behalen door te kunnen wachten op een betere prijs. Beslissend is de feitelijke situatie ten tijde van de aankoop:
2.1.2.3.5
Gezien er geen persoonlijk belang is geweest in de privesfeer maar louter commerciële belangen van de onderneming(O). Bovendien zou verkopen uiteindelijk altijd het gevolg geweest ter vrijmaken van het vermogen. Immers het vermogen opgesloten houden in het object was sowieso geen optie, want dit vermogen zou nodig zijn voor nieuw te ontwikkelen objecten, ik was immers nog een startende vastgoedontwikkelaar met een beperkte leencapaciteit. De onderneming(O) had immers nog niet voldoende vermogen om zonder het verkopen van het pand door te kunnen ontwikkelen. Conclusie: de activiteiten, inspanningen en aanwending van de vermogensbestanddelen hebben van meet af aan betrekking gehad op de aankoop, het ontwikkelen en de wijze van het opdelen en een mogelijke beslissing tot eigen gebruik voor privé en of onderneming(S en of B) is nooit gemaakt. Derhalve komen alle activiteiten, inspanningen en aanwending van de vermogensbestanddelen voort uit de zakelijke overwegingen en derhalve zijn de vermogensbestanddelen uitsluitend dienstbaar geweest voor onderneming (O). Dientengevolge is er geen sprake van een keuzevermogen.
9
HR 14-08-1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8207 — HR 14 augustus 1985, nr. 22 960, BNB 1985/265. Op het beroep in cassatie van de staatssecretaris overweegt de Hoge Raad: In de feitelijke gang van zaken ligt besloten dat belanghebbende uitsluitend met het oog op de belangen van zijn onderneming tot de aankoop van de panden is overgegaan. Onder deze omstandigheden overschreed belanghebbende de grenzen der redelijkheid door het andere pand niet tot zijn ondernemingsvermogen te rekenen, maar tot zijn privevermogen.
2.1.2.3.6
betoog
Onlosmakend verband
Causaal verband
Alle vermogensbestanddelen uitsluitend aangewend en uitsluitend geweest voor de bron van inkomen
2.1.2.4. doorwerkende fouten, pagina 8:
2.1.2.4.1
Voetnoot 10 Dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000 5.2 KENMERKEN VAN EEN FOUTENLEER-FOUT Een fout is iedere rechtens onjuiste waardering, dat wil zeggen een waardering in strijd met de wet en de beginselen der wet en — voor zoveel het de jaarwinstbepaling betreft — in strijd met goed koopmansgebruik, op een winstbepalende balans, waarvan de onjuistheid eerst manifest wordt nadat die waardering als onderdeel van het eindvermogen van het vorige boekjaar onherroepelijk is komen vast te staan, gebruiken:…
…Een ‘fout’ in de zin van de foutenleer is het resultaat van een onjuiste toepassing in het verleden van voor de desbetreffende bron van inkomen geldende regels, die in het heden zichtbaar is in een voor de vaststelling van het genoten inkomen relevante grootheid, en die niet hersteld kan worden door bezwaar of navordering respectievelijk niet hersteld wordt door ambtshalve vermindering of vrijwillige betaling van belasting
2.1.2.4.2
Hoe het ook zij ten aanzien van de oorzaak van de fout blijkt het voor de foutenleer niet van belang te zijn, wat de aard of oorzaak van een doorlopende fout is, hoe deze ontstaan is en aan wie het verwijtbaar is. zie hiervoor:
ECLI_NL_PHR_2010_BK6071 In rov 9.6.‘…Of de fout is ontstaan bij het opmaken van de balans, het doen van aangifte of het vaststellen van de aanslag is derhalve niet relevant. Het begrip ‘fout’ is neutraal in die zin, dat verwijtbaarheid daarbij geen rol speelt… ’
Derhalve wacht ik niet langer op zijn opheldering omtrent de oorzaak van de fouten, omdat het verder niet relevant is voor het foutenleer vraagstuk en de wijze waarop de fout dient te worden gecorrigeerd. Deze fouten dienen dus middels de foutenleer te worden hersteld ongeacht de oorzaak.
2.1.2.4.3
De Hoge Raad stelt in ECLI_NL_PHR_2011_BR6326, voorheen UN BR6326, Parket bij de Hoge Raad, 10_03488
Rov 5.4. Behalve uit fouten veroorzaakt door na verloop van tijd opgetreden wijzigingen in de vermogensetikettering, kan de fout ook bestaan uit het van meet af aan onjuist etiketteren van het vermogensbestanddeel.
ECLI_NL_HR_2011_BR6326
Rov 3.3. De foutenleer strekt ertoe te voorkomen dat, ingeval het eindvermogen van het voorafgaande jaar niet naar de voorschriften van de wet en overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld, een stuk bedrijfswinst — in strijd met art.3.8 Wet IB 2001 — onbelast blijft hetzij dubbel wordt belast (vgl. onder meer HR 22 oktober 1952, nr. 11064, B. 9293, en HR 13 maart 2009, nr. 44072, UN BB5878, BNB 2009/130)
2.1.2.4.4
Uit de rechtspraak blijkt dat indien een vermogensbestanddeel vanaf het begin is aangemerkt als privévermogen, terwijl het vanaf het begin diende te worden aangemerkt als verplicht ondernemingsvermogen, dan zal vanaf het moment dat dit wordt ‘ontdekt’ het vermogensbestanddeel op de ondernemingsbalans moeten worden opgenomen en wel tegen de historische verkrijgingsprijs (en niet de waarde in het economische verkeer op het moment van het alsnog op de balans opnemen). Herstel van de fout vindt plaats in het oudst openstaande jaar
2.1.2.5. Foutenleer — Fout (herstellen) pagina 9:
2.1.2.5.1
HR, 13-07-2007, nr. 42 698
4.18
Indien het vermogensbestanddeel wordt aangehouden in afwachting van een geschikte gelegenheid tot vervreemding. In zo'n geval, dat wil zeggen nadat de belastingplichtige heeft besloten tot het aanhouden in afwachting van een geschikte gelegenheid tot verkoop heeft hij geen keuze meer om het vermogensbestanddeel tot zijn privé-vermogen te rekenen.
2.1.2.5.2
Derhalve zoals belastingplichtige aangaande litigieuze pand de mogelijkheid heeft gecreëerd, waarbij hij zelfs op een later tijdstip zou kunnen beslissen tot het aanhouden in afwachting van een geschikte gelegenheid tot verkoop en het pand nooit gereed is gekomen, hij uiteraard helemaal geen keuze meer heeft om het vermogensbestanddeel tot zijn privévermogen te rekenen. Dientengevolge hebben de vermogensbestanddelen nooit onder een keuzevermogen gevallen en daarmee is er sprake van een onjuiste vermogensbestanddeel in de aangiften 2008, welke fout doorwerkt tot in de aangifte 2013. Namelijk van meet af aan vielen de vermogensbestanddelen onder het verplicht ondernemingsvermogen En deze fout is er nog niet eerder ontdekt dan nu bij de oudst openstaande fiscaal jaar zijnde 2014
2.1.2.6. Conclusie Bezwaar
2.1.2.6.1
Mijn bezwaar luidt: Het voornemen van de inspecteur leidt tot: ‘Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001, doordat de inspecteur van oordeel is dat de beneden en of bovenwoning keuze privévermogen vormt en de belastingplichtige, behalve in bijzondere omstandigheden, de door hem gemaakte foute keuze niet kan herroepen, zulks ten onrechte. Nu art 3.8. helder en eenduidig aangeeft:’ Winst, winst uit een onderneming (winst) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming. Nu, volgens bovenstaand betoog, vaststaat, dat alle vermogensbestanddelen van dit pand… tot het verplichte ondernemingsvermogen behoorde ben ik derhalve op grond van de zogenoemde foutenleer gerechtigd de bovenwoning in het oudste openstaande jaar (2014) zonder fiscaalrechtelijke gevolgen ‘over te brengen’ naar het ondernemingsvermogen.
2.1.2.7. Appendix B. pagina 11:
2.1.2.7.1
Passages uit mijn schrijven ter beantwoording van uw 27 vragen.
Inleiding: Als eerste hierbij de context van het project, zodat u straks alle gebeurtenissen kunt plaatsen in een rode draad en hoe alles zo ingewikkeld is geworden, namelijk: de perikelen van een startende projectontwikkelaar. Het verschil tussen een bestaande goed lopende en een startende onderneming is het duidelijkst te illustreren met het volgende plaatje.
Causal Reasoning
Effectual Reasoning

We need to grow by x% and/or cut
costs by y%.
Plan with concrete steps.
In tegenstelling tot een goed geoliede projectontwikkelaar dient een startende projectontwikkelaar zich in allerlei bochten kronkelen om tot een resultaat te komen, zoals dit plaatje pakkend illustreert.
2.1.2.7.2
Hierna zal blijken dat bovenstaande figuur helder illustreert dat ook mijn situatie als startende projectontwikkelaar is verlopen als bovenstaande effectual reasoning. Ik heb namelijk ook steeds de op mijn weg tegenkomende obstakels met de nodige inventiviteit moeten oplossen. Ik zal trachten (deels wat ik me nog kan herinneren) u uit te leggen hoe mijn pad op het ontwikkelingsavontuur is verlopen en hoe dit heeft geleid tot de boekhoudposten in de adminstratie, zoals de vermogensposten van € 115.000 en € 230.000 respectievelijk zakelijk en persoonlijke, terwijl het feitelijk één ontwikkelingsvermogen betrof inzake één ontwikkelingsobject van € 345.000. De bedragen van 115.000 en 230.000 vinden hun oorsprong uit het feit dat op 31 december 2010 het saldo van de hypotheekrekening 345.000 bedroeg, immers is 1/3 * 345.000 = 115.000 en 2/3 * 345.000 = 230.000 (zie bijlage:‘ 20101231 Betaalde rente 2010 tbv kantoor en woning resp een en twee derde’), waarvan het saldo vanaf dat moment ongewijzigd is gebleven, zie bijlage: ‘20101231 Saldo € 345.000 — RaboHypotheek rekening’.
2.1.2.7.3
Motivering, context, omstandigheden en verklaring negatief behaalde resultaat project … Bovendien geef ik voorafgaand ook nog, mede ten bewijsvoering van activiteiten van zakelijke aard, een opsomming van activiteiten/werkzaamheden uit mijn levensloop en hoe ik tot het plan tot het ondernemen van onroerend-goedontwikkeling te komen. Als 16 jarige…
Wat uiteraard een te begrijpen beslissing was maar voor mij nogal een obstakel ten aanzien van het ontwikkelen van onroerend. Ik gaf niet op, want ik was inmiddels al bezig en zag wel mogelijkheden en sprak met andere partijen. Ook had ik naast wat eigen middelen…
verkocht met een flinke winst ten behoeve van het vrijmaken van de overwaarde opdat alle mogelijke financiële middelen liquide waren tbv het ontwikkelen…
2.1.2.7.3
Bouwsector en onroerend goed ontwikkelingssector
…Toen de gevolgen van de geldcrisis 2e helft 2009 zich dus vertaalde in een financiële terugval in mijn betontimmer-onderaannemingsbedrijf…
… Hij heeft gekozen voor een kort en bondige uitleg. In eerste instantie heb ik u dus niet willen overspoelen met teveel informatie, omdat deze hele kwestie eigenlijk heel veel aspecten en verwevenheden kent en dacht dat het dan veel te ingewikkeld zou worden, maar ik kan aan uw vragen nu ook wel zien dat u op dit moment inderdaad te weinig informatie tot uw beschikking heeft. Ik hoop dat het na deze communicatie en de antwoorden op uw vragen en de bijlagen wel duidelijk zal zijn en uw onduidelijkheid aangaande de vermogens is opgelost…
2.1.2.7.4
Mocht u nog meer onderbouwd zien, dan heb ik nog veel meer documenten. Zo kan ik u mededelen dat, naast de in 2008 inmiddels gekochte kavel en waarop de bouwvergunning was verleend, waarvan de bouw vervolgens in 2009 is gestart, in de 2e helft van 2008 ook bezig met het verkrijgen van een ander pand ter ontwikkeling, door dit pand te renoveren om vervolgens te verkopen. Maar ik ga het nu houden bij het beantwoorden van uw vragen.
2.1.2.7.5
2.1.2.8
beantwoording van de 27 vragen.
Ik zal steeds mijn antwoord geven, ten behoeve van uw en mijn eigen
overzichtelijkheid, met de volgende structuur:
- a)
kort antwoord
- b)
toelichting op kort antwoord a)
- c)
verwijzing naar een eventuele bijlage met de naam van de bijlage: ‘… ’
- d)
eventuele url-link
2.1.2.8.1
- 2.
Wat was bij aanvang van het project in 2006 uw intentie van gebruik?
- a)
Ontwikkelen, bouwen en dan verkopen, zoals hierboven in de inleiding toegelicht
- b)
Het ontwikkelen van deze kavel was het eerste object voor mijn startende ontwikkelingsbedrijf.
2.1.2.8.2
- 14.
Vanaf welk moment heeft u de intentie gehad (een deel van) het project aan te merken als eigen woning?
- a)
De opdeling, kantoorruimte aan huis en eigen woning, diende voornamelijk als verbetering van de economisch doelstelling. Namelijk ten behoeve van het verkrijgen van een financiering (met ook een gunstigere financieringsrente) en om naast plan A (verkopen van het ontwikkelde object) ook een plan B te hebben
- b)
Als achtergrond van deze strategie. Ik ben academisch geschoold in financiële economisch management. Doorgaans leggen (ondernemende) mensen de nadruk op het behalen van rendement. Maar het reduceren van het risico (scenario's management) is van een gelijk belang ter waarde creatie. Netto contante waardering is en goede samenvatting van: rendement en risico…
Het opdelen in kantoorruimte en privéwoning, gaf zowel makkelijker toegang tot een financiering en lagere rente…
…Zoals reeds eerder gesteld, is een particuliere financiering veel makkelijker te verkrijgen dan een zakelijk krediet voor een startende projectontwikkelaar en ook tegen een lagere rente. En ook plan B als reductie van een eventueel ongewenste scenario. Namelijk in geval de verkoop langer zou duren dan verwacht dan is dit object gewoon aan te houden tot er een gunstige verkoopprijs kan worden bedongen. Dus door het risico te verminderen zou het zelfs een bijdrage tot een beter te behalen verkoopresultaat kunnen leiden…
Conclusie: het aanmerken van (een deel) van de woning als privéwoning had meer formele betekenis in verband met de financiering (een zakelijke financiering als startende ontwikkelaar had ik nooit rond gekregen). De doelstelling was dus: kavel kopen, ontwikkelen, bouwen, verkopen.
2.1.2.8.3
vraag 22
- 22.
Vanaf 2013 heeft u (een deel van) het project aangemerkt als ondernemingsvermogen. Wat is volgens u de reden dat er vanaf dat moment sprake is van ondernemingsvermogen? Met andere woorden: welke omstandigheid heeft zich voorgedaan om (een deel van) het project aan te merken als ondernemingsvermogen?
- a)
Gezien de accountant… met vakantie is…kan ik het nu niet navragen en is mijzelf niet helemaal duidelijk waarom dit deel niet eerder (expliciet) als ondernemingsvermogen is aangemerkt, maar wel komt reeds eerder in de aangiften het kantoor terug met het genoemde bedrag van € 115.000
- b)
Zoals ik zelf kan zien, zie ik de waarde van het kantoor op de begane grond met het bedrag van 115.000 ook al eerder terug in de belastingadminstratie. Ik vermoed, dat gezien mijn onroerend goed ontwikkelingsplannen en de financieringsmotieven zoals eerder beschreven, de accountant het niet eerder als ondernemingsvermogen heeft aangemerkt, omdat we er bij aanvang van het project in 2008/2009 natuurlijk vanuit gingen dat het volgens plan zou verlopen. De financieringsconstructie zoals [D] had bedacht om de financiering rond te krijgen waren vanuit dit perspectief dus formaliteiten en waren niet de uitgangspunt, maar de feitelijke plannen, namelijk onroerend goed ontwikkelen. Maar gezien de niet verwachte situatie die inmiddels ontstaan was diende er vroeg of laat vermogen te worden
afgeboekt. Ik moet dit dus nog wel bij mijn accountant verifiëren, die is dus echter… met vakantie, maar ik kan u nu alvast het volgende communiceren: Want zoals ik kan zien en derhalve afleiden is dat op 28 april 2015, ten tijde van de aangifte 2013, inmiddels reeds bekend was dat het vermogen van de kantoorruimte diende te worden afgeboekt…Deze omstandigheden en de formele financieringen is naar mijn mening de reden waarom toen het verlies is genomen op het formeel geboekte kantoorruimte.
2.1.2.8.4
- 25.
Vanaf 2014 heeft u (een deel van) het project aangemerkt als resultaat uit overige werkzaamheden. Wat is volgens u de reden dat er vanaf dat moment sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden? Met andere woorden: welke omstandigheid heeft zich voorgedaan om (een deel van) het project eerst aan te merken als ondernemingsvermogen en vervolgens als resultaat uit overige werkzaamheden?
- a)
Deze vraag maakt deels een verkeerde veronderstelling of zienswijze. Immers wordt er geen deel eerst aangemerkt als ondernemingsvermogen en daarna als resultaat uit overige werkzaamheden. Dit blijkt ook niet de aangiften. Wellicht heeft u er inmiddels nu een andere zienswijze op na het bestuderen van de nieuwe informatie.
- b)
Het object bestaat uit twee delen, 1/3 deel is de begane grond, wat het ondernemingsvermogen is. 2/3 deel is privévermogen, zijnde de verdiepingen, zoals in de bouwvergunning is aangeduid met 1+, 2+ en 3+. Dit deel is dus niet ondernemingsvermogen en is ook nooit als ondernemingsvermogen aangeduid. Gezien het commerciële ontwikkelingsmotief is het mijns inziens één object, één project met als financieringsconstructie twee financieringen.
Appendix C
2.1.2.9. Chronologische volgorde ongevallen en voorvallen
2.1.2.9.1
Sindsdien hebben zich een groot aantal ongelukkige gebeurtenissen plaatsgevonden, waaruit nieuwe klachten zijn ontstaan. Deze benoem ik kort hieronder.
2009 .wordt ik bedreigd en fysiek mishandeld
2010 … een auto-ongeval …Ben inmiddels onbekwaam nog zakelijkeactiviteiten tot succes te brengen
begin 2010… alle klachten, stress en geldzorgen veroorzaken een burn-out. Ik kan
nagenoeg niets meer en ben bezig met overdracht van het bedrijf.
juni 2010 heb ik een ongeval met zware hersenschudding…maak ik me hierover de grootste zorgen of dat nog wel goed komt.
2.1.3
Citaten le aanleg uit bijlage 2.2 (202 pagina's)
dit document is als gedingstuk ingebracht door belanghebbende op 31 januari 2020, zijnde 202 paginas. Omdat online deze documenten niet te versturen waren, zijn deze per memorystick (in tweevoud) aangetekend aan de rechtbank toegestuurd en bevestiging voor ontvangst van de aangetekende briefen telefonisch door de griffier bevestigd te hebben ontvangen in goede en leesbare orde.
Bestand ook aan rechtbank gestuurd op memorystick op 31 januari 2020:
Filenaam: 2 2 verzoek om aanvullende stukken fase — deel 2
2.1.3.1
Pagina 95 van 202 […]
Ontroerendgoed
[…], 3 mei 2005 LOSSE NOTITIES
Notitie van ervaringen:
- •
Kadaster; cruciale informatie!
- •
Huizenveiling Amsterdam
- •
Zoeken naar ontroerend goed in Amsterdam
- •
Rendementsberekening en financiële criteria voor projectstart
- •
Inleiding Risiko-analyse
- •
Aanpak van activiteiten komende twee jaar
- •
Alternatieve activiteit; optimaliseren van de verhuurwaarde
2.1.3.2
Pagina 120/202
Dank voor je bericht. We zullen proberen morgen de plattegrond op funda.nl aan te melden, in de hoop dat deze ook duidelijker zichtbaar wordt. We houden je hiervan op de hoogte.
2.1.3.3
Pagina 197/202
Saldo 31-12-2010 345.000
2.1.3.4
Pagina 202/202
…, ik had vandaag nog een map gevonden, met bestanden, inzake mijn projectontwikkelingsactiviteiten toentertijd. Zie 7 toegevoegde bijlagen. Het zijn excel bestanden met allerlei informatie aangaande bouwkavels. Hieruit blijkt dat er naast de optie op de kavel in rotterdam, ook met een zeer groot aantal gemeente email contact is geweest aangaande bouwkavels. In de kolommen M tot en met W staan diverse notities van de status en informatie aangaande de bouwkavels. Deze aanzienlijke inspanningen duiden overduidelijk op de zakelijkheid van het willen ontwikkelen van bouwkavels. Ik ben namelijk van mening dat er geen enkele particulier op een soortgelijke wijze inspanningen verricht om een kavel voor eigen gebruik te bemachtigen.
2.1.4
Citaten uit file: 3 Voorgenomen Beslissing […] Fase op memorystick welke gestuurd is naar Rechtbank op 31 januari 2020
2.1.4.3
pagina 6 van 69
Bij het bezwaar aangaande 2014 heb ik echter niet voorzien dat het een moeilijke en complexe zaak zou worden en heb ik geen rekening gehouden aangaande inkomstenbelasting aangifte 2013. Aangaande het verlies in 2013 was overigens reeds eerder door een collega van de belastingdienst dit onderzocht en goed bevonden, mogelijk kunt u dat terugvinden. Maar ik zal het bij deze ook aan u uitleggen. En hoe door samenloop van omstandigheden de werkelijkheid anders is dan u op dit moment kunt begrijpen. Dit is overigens een mooi en duidelijk voorbeeld van hoe iets anders kan lijken dan het feitelijk is. Ik zal u het uitleggen aan de hand van een tijdlijn.
2.2.
Citaten wat verweerder stelt
Volgt nog
5
citaten Hof uitspraak r.o.v.
4. Het oordeel van de rechtbank
Foutenleer/Etikettering
22.
Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de foutenleer toegepast moet worden hetgeen ertoe leidt dat het verlies als
winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden moet worden aangemerkt. Eiser heeft zich op het
standpunt gesteldn dat sprake is van verplicht ondernemingsvermogen. Verweerder betwist dat en heeft gesteld dat nimmer
sprake is geweest van een onderneming en dus ook niet van verplicht ondernemingsvermogen. Aangezien de rechtbank
reeds tot het oordeel is gekomen dat geen sprake is van een bron van inkomen wordt het navolgende ten overvloede
overwogen.
23.
Voor constatering van een fout in de zin van de foutenleer is vereist dat bij de vaststelling van het eindvermogen van het
vorige boekjaar bepaaldelijk een fout is gemaakt in die zin dat dit vermogen in enig opzicht niet aan de hand van de ten tijde
van de vaststelling daarvan aan de belastingplichtige ten dienste staande gegevens, naar de voorschriften van de wet én
overeenkomstig goed koopmansgebruik is vastgesteld (vgl. Hoge Raad 22 oktober 1952, nr. 11064, B. 9293 en Hoge Raad
4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:673).
24.
Bij de beantwoording van de vraag of en in hoeverre een pand deel uitmaakt van het ondernemingsvermogen van een
belastingplichtige, is in het algemeen beslissend de wil van die belastingplichtige, zoals die in zijn boekhouding of op andere
wijze tot uitdrukking is gekomen, tenzij daardoor de grenzen der redelijkheid zouden zijn overschreden (vgl. Hoge Raad 20
juni 1962, ECLI:NL:HR:1962:AX8064 en Hoge Raad 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:477).De foutenleer kan niet worden
toegepast indien een vermogensbestanddeel weliswaar onjuist is geëtiketteerd, maar het vermogensbestanddeel niet langer
tot het ondernemingsvermogen behoort.
25.
De foutenleer had gelet hierop ook in het geval wel een bron van inkomen zou kunnen worden aangewezen niet
toegepast kunnen worden. Vermogensetikettering vindt plaats op het moment van aanschaf. In het jaar van aanschaf van
de grond heeft eiser het object als privévermogen (box 3) aangemerkt. Dat stond eiser ook vrij. Herziening van die keuze is
slechts geoorloofd indien bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in deze
zaak geen sprake van. Er zijn geen gewijzigde omstandigheden die aanleiding geven of hebben kunnen geven om die
keuze te herzien.
26.
Heretikettering is verplicht als de aard, de functie of het gebruik van het vermogensbestanddeel is gewijzigd en het niet
redelijk is om het vermogensbestanddeel tot dezelfde sfeer te blijven rekenen. Daarvan is in onderhavige zaak geen sprake.
De aard, de functie of het gebruik van het vermogensbestanddeel is immers niet gewijzigd.
5. Beoordeling van het geschil door het Hof
5.1.2.
Volgens belanghebbende was het perceel in 2008 verplicht ondernemings- dan wel werkzaamheidsvermogen. Dat het
perceel in de namens hem voor de jaren 2008 – 2012 gedane aangiften IB/PVV als keuzevermogen is aangemerkt en tot de
grondslag van de vermogensrendementsheffing is gerekend acht belanghebbende onjuist. Door het nauwe verband tussen
het perceel en de ondernemingsactiviteiten dan wel de werkzaamheden zouden de grenzen der redelijkheid worden
overschreden, indien het perceel niet als verplicht ondernemings- dan wel werkzaamheidsvermogen zou worden
aangemerkt.
5.1.3.
Volgens belanghebbende is het niet tot het verplicht ondernemings- dan wel
werkzaamheidsvermogen rekenen van het
perceel een fout waarop de foutenleer van toepassing is en dient die fout met toepassing van de foutenleer te worden
hersteld.
5.1.4.
De inspecteur heeft volgens belanghebbende onzorgvuldig gehandeld door de uitspraak op bezwaar niet dan wel
onvoldoende te motiveren. Bovendien heeft belanghebbende volgens hem erop mogen vertrouwen dat de aanwezigheid
van een objectieve winstverwachting door de inspecteur was aanvaard, althans dat daarvan door belanghebbende naar het
inzicht van de inspecteur voldoende bewijs was overgelegd.
5.1.5.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende zijn standpunt als volgt nader toegelicht: Ik beschikte over specifieke kennis omdat ik een economische achtergrond heb. Vanwege mijn aannemersbedrijf had ik praktische ervaring met het renoveren van onroerend goed. Op de vraag van het Hof wanneer dit aannemersbedrijf is omgezet in een besloten vennootschap, antwoord ik dat dat is gebeurd in augustus 2008. Door dat bedrijf kon ik optimaal gebruikmaken van resources. Op het moment dat ik geen opdracht had voor de timmerlieden die voor mij werkten, kon ik de timmerlieden inzetten voor de bouw van het pand op het perceel in [plaats] .(…)De aangifte is toen door mijn accountant ingediend. Hij heeft zich gebaseerd op de kredietovereenkomst die ik had gesloten met de Rabobank. Deze lening had een verhouding 2/3 privé en 1/3 zakelijk. Deze verhouding heeft de accountant gevolgd in de aangifte. Het Hof houdt mij voor dat als er in 2008 sprake is van een onderneming, dat men dan zou verwachten dat er voor het jaar 2008 jaarstukken, een balans en een winst- en verliesrekening zijn. Op de vraag van het Hof waar deze stukken in het dossier te vinden zijn, antwoord ik dat dat inderdaad mag worden verwacht, maar dat die stukken er niet zijn.
(…)
De voorzitter verwijst naar bijlage 19 van het verweerschrift in eerste aanleg. De voorzitter merkt op dat ik daar heb geschreven dat de onroerende zaak bestaat uit twee delen; de begane grond, zijnde 1/3 gedeelte als ondernemingsvermogen en de verdiepingen, zijnde 2/3 gedeelte als privévermogen. De voorzitter merkt op dat dat in tegenspraak lijkt te zijn met hetgeen ik zojuist heb verklaard, namelijk dat de onroerende zaak in zijn geheel als ondernemingsvermogen had moeten worden aangemerkt. De voorzitter vraagt mij hoe deze twee verklaringen zich tot elkaar verhouden. Ik antwoord dat de onroerende zaak als woning met een kantoor een betere verkoopprijs zou hebben dan dat het in zijn geheel een kantoor zou zijn. Dat is hoe ik de financiering heb rond gekregen bij de Rabobank. Dit is ook gevolgd door de accountant in de aangiften, maar die aangiften zijn dus niet goed gedaan.’
5.2.1.
De inspecteur heeft zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. Bovendien heeft volgens de inspecteur op
belanghebbende de bewijslast gerust de feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op grond waarvan de voor de
jaren 2008 – 2012 ingediende aangiften onjuist zijn (onder verwijzing naar HR 11 november 1964, ECLI:NL:HR:1964:AX7205, BNB 1965/25).
5.2.2.
Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur onder meer nog het volgende verklaard: Het Hof houdt mij voor dat voor het jaar 2013 een verlies in aanmerking is genomen in de aangifte IB/PVV en dat de aanslag — na onderzoek in de aanslagfase — conform de aangifte is opgelegd. Het Hof vraagt mij of ik iets kan zeggen over het onderzoek in de aanslagfase voor het jaar 2013. Het Hof wijst mij erop dat uit de stukken blijkt dat op 8 april 2018 een onderzoek navorderingsaanslag 2013 is gedaan. Ik antwoord dat ik niet weet waar dat vandaan komt. Er is uiteindelijk besloten om geen navorderingsaanslag voor het jaar 2013 op te leggen.’
5.3.1.
Vaststaat dat belanghebbende op 25 september 2008 eigenaar is geworden van een stuk grond aan [adres] te [plaats] en dat hij daarop een pand is gaan bouwen. Daarvoor zijn leningen afgesloten op eigen naam en op naam van [naam onderaannemersbedrijf], de naam van een destijds — via een besloten vennootschap van belanghebbende — door hem gedreven aannemingsbedrijf. De bouwwerkzaamheden werden (deels) verricht door bouwvakkers die voor belanghebbendes BV werkten (zie onder 5.1.5). Vaststaat voorts dat belanghebbende over kennis en ervaring beschikte als het gaat om het verrichten van bouwactiviteiten en dat hij zich daarin onder meer liet bijstaan door een broer die eveneens over ervaring op dat gebied beschikte
5.3.2.
Het Hof zal er hierna — voor zover nodig veronderstellenderwijs — vanuit gaan dat belanghebbende zich in 2008 is gaan bezig houden met de ontwikkeling van het door hem verworven perceel en dat die activiteiten — kort te omschrijven als het tot stand brengen van een gebouw op het perceel — kwalificeren als onderneming dan wel het verrichten van werkzaamheden in fiscale zin. Beoordeeld naar het tijdstip, althans de periode van het begin van deze activiteiten, is naar het oordeel van het Hof ook, dat wil zeggen naast de daarvoor geldende voorwaarden waarvan de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat daaraan is voldaan (uitspraak rechtbank r.o. 18 en 20), voldaan aan de voor aanwezigheid van een bron van inkomen vereiste objectieve voordeelsverwachting.
5.3.3.
Zo al ervan uit zou moeten worden gegaan dat er in 2014 geen bron van inkomen meer zou zijn, dan volgt daar niet zonder
meer uit dat er dan in dat jaar geen nagekomen voordeel (negatief dan wel positief) uit onderneming of uit werkzaamheden
zou kunnen zijn. In dit opzicht wijkt het oordeel van het Hof derhalve af van de uitspraak van de rechtbank (r.o. 21, slot).
5.3.4.
In de aangiften IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 is het perceel tot de grondslag voor de vermogensrendementsheffing (box 3) gerekend.
5.3.5.
1. Uit de kwalificatie van de activiteiten van belanghebbende als bron van inkomen volgt naar het oordeel van het Hof echter niet zonder meer dat het door hem in privé verworven perceel als verplicht ondernemingsvermogen dient te worden aangemerkt en dat de kwalificatie van het perceel in de aangiften IB/PVV 2008–2012 als privévermogen op een etiketteringsfout zou berusten. Nu belanghebbende in afwijking van de door hem voor de jaren 2008 tot en met 2012 ingediende aangiften IB/PVV stelt dat het perceel als verplicht ondernemingsvermogen moet worden aangemerkt, rust de bewijslast van deze stelling op hem.
5.3.5.2.
Feiten en omstandigheden op grond waarvan een zodanig nauw verband tussen de werkzaamheden en het perceel aannemelijk is te achten dat op grond daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat het perceel als verplicht ondernemings- dan wel werkzaamheidsvermogen zou moeten worden aangemerkt, zijn naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt.
5.3.53.
De enkele omstandigheid dat een aannemer bouwactiviteiten verricht met betrekking tot een hem in privé behorend perceel, houdt niet zonder meer in dat dat perceel dan als ondernemingsvermogen moet worden beschouwd. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het pand een functie in de onderneming van belanghebbende zou gaan vervullen, anders dan (deels) als een voor de verkoop bestemd object.
53.5.4.
Aan de door belanghebbende gestelde kwalificatie van het perceel als verplicht ondernemingsvermogen draagt ook niet bij dat (een deel van) het (te ontwikkelen) gebouw als eigen woning is bestemd (zie onder 2.8), ook al zou dat bestemmingsvoornemen (mede) zijn gebaseerd op het verkrijgen van een financiering van het project. Voorts vindt de stelling van belanghebbende ook geen steun in het antwoord van belanghebbende op vraag 22 in de onder 2.8 aangehaalde e-mail.
53.5.5
Ter zake van de etikettering van het perceel concludeert het Hof dat geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan het perceel — in plaats van als keuzevermogen — als verplicht ondernemingsvermogen zou moeten worden aangemerkt.ln het bijzonder zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan met het als privé-vermogen aanmerken van het perceel de bij de vermogensetikettering in aanmerking te nemen grenzen der redelijkheid zijn overschreden.
5.5.
Ten overvloede overweegt het Hof dat zo er al gronden zouden zijn om in het onderhavige jaar een verlies uit hoofde van de door belanghebbende gestelde ondernemingsactiviteit in aanmerking te nemen, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit verlies de door hem gestelde omvang van € 166.000 zou hebben (vgl. onderdeel 6 uitspraak rechtbank). Indien wordt uitgegaan van de informatie die de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende in een e-mail van 24 januari 2019 heeft verstrekt (zie onder 2.6), dan zou l/3e deel van het perceel bij heretikettering als ondernemingsvermogen zijn te kwalificeren. Dit komt overeen met het antwoord van belanghebbende op vraag 23 in zijn e-mail van 7 maart 2019 (zie onder 2.8). Gegeven het verlies op dit l/3e gedeelte dat reeds in het jaar 2013 (definitief) in aanmerking is genomen (€ 95.000), zou immers volgens de berekening van die gemachtigde in 2014 nog slechts € 6.000 als (extra) verlies in aanmerking kunnen worden genomen.
5.6.1.
De klacht van belanghebbende dat de inspecteur niet zorgvuldig zou hebben gehandeld verwerpt het Hof. De zes pagina's tellende uitspraak op het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2014 bevat een uitvoerige motivering voor de ongegrondverklaring van het bezwaar. Voorts is aan deze uitspraak een uitvoerig feitenonderzoek vooraf gegaan, zoals onder meer blijkt uit de hiervoor vanaf 2.2 opgenomen feiten. De inspecteur is naar het oordeel van het Hof juist zorgvuldig te werk gegaan.
5.6.2.
De stelling van belanghebbende dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel zou hebben geschonden mist de daarvoor vereiste feitelijke onderbouwing. Bovendien zou de stelling dat de inspecteur zich zou hebben vastgelegd op de aanwezigheid van een objectieve winstverwachting casu quo een bron van inkomen hem niet kunnen baten, omdat die kwalificatie, zoals ook hiervoor is geoordeeld, niet zou inhouden dat het perceel als verplicht ondernemingsvermogen zou moeten worden beschouwd.
3. De cassatiemiddelen, zijnde 8 grieven:
Grief 1
Ten onrechte oordeelt het hof in rov 5.3.5.2, dat niet aannemelijk is gemaakt, dat feiten en omstandigheden op grond waarvan een zodanig nauw verband tussen de werkzaamheden en het perceel aannemelijk is te achten dat op grond daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat het perceel als verplicht ondernemings- dan wel werkzaamheidsvermogen zou moeten worden aangemerkt.
5.3.5.2.
Feiten en omstandigheden op grond waarvan een zodanig nauw verband tussen de werkzaamheden en het perceel aannemelijk is te achten dat op grond daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat het perceel als verplicht ondernemings- dan wel werkzaamheidsvermogen zou moeten worden aangemerkt, zijn naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt.
Deze feiten en omstandigheden zijn er wel degelijk echter ten onrechte door het Hof over het hoofd gezien, althans miskend en niet betrokken in haar oordeel.
Het Hofs oordeel geeft in rechtsoverweging 5.3.5.2. blijk van een onjuiste rechtsopvatting inzake 3.4 dan wel 3.91 en een verkeerde rechtsopvatting ten aanzien van het overschrijden van de grenzen der redelijkheid om het vermogen tot het privévermogen te mogen rekenen. Gezien de feiten en omstandigheden welke door belanghebbende in de gedingstukken zijn gesteld en aannemelijk zijn gemaakt en middels de door belanghebbende aangehaalde verwijzingen naar relevante jurisprudentie aangaande zijn stellingen kan het Hof met de juiste rechtsopvatting onmogelijk tot dit oordeel zijn gekomen.
Bovendien heeft het Hof nagelaten te motiveren, waarom het door belanghebbende geleverde geleverde bewijs in de gedingstukken dat het niet toerekenen van de vermogensbestanddelen tot het ondernemingsvermogen de grenzen der redelijkheid overschrijdend is, of anders gezegd dat het toerekenen van de vermogensbestanddelen tot het privévermogen de grenzen der redelijkheid overschrijdend is en derhalve geeft het Hof eveneens onvoldoende inzicht in zijn gedachtegang.
Toelichting:
Essentieel is te benadrukken en in beschouwing te nemen, wat reeds uitvoerig in de gedingstukken is gesteld en het belang ervan gemotiveerd dat ten tijde van 2008 belanghebbende gelijktijdig zich bezig is gaan houden met 3 ondernemingsactiviteiten, waarvan de onderaannemingsactiviteiten in 2008 zelfstandig zijn afgesplitst in een BV. Mede daaruit blijkt belanghebbendes motief om zijn arbeid en kapitaal duurzaam dienstbaar te stellen aan het (startende) onroerend goed ontwikkelingsbedrijf als een zelfstandige activiteit. In die zin dat het zelfstandig is ten opzichte van de in de BV ondergebrachte onderaannemingsactiviteiten. Het hardnekkige onbegrip of onbesef over deze 3 ondernemingsactiviteiten wordt hierna besproken onder grief 4. Bij het bestuderen van de feiten en omstandigheden dient deze stelling, welke blijkt uit de feiten en gedingstukken, dat de winst dan wel voordelen voor rekening komen voor onderneming (O) komen en niet voor rekening van de onderneming (B)
IB 3.4 in samenhang met 3.91 dan wel art 3.94 in samenhang met 3.91, laat geen enkele ruimte voor een andere conclusie dan dat alle vermogensbestanddelen welke rechtstreeks, volledig en uitsluitend zijn aangewend voor de onderneming dan wel werkzaamheid tot het ondernemingsvermogen behoren en kunnen derhalve ook niet tot het privevermogen worden toegerekend.
Belanghebbende heeft middels onderstaande diverse feiten en omstandigheden in de gedingstukken aangetoond waarmee reeds de aannemelijkheid van een zodanig nauw verband is aangetoond. Uit de gedingstukken blijkt namelijk dat een zodanig nauw verband tussen de werkzaamheden en het tot stand brengen van het gebouw op het perceel bestaat en evident is. Deze werkzaamheden zijn immers de werkzaamheid, de bron van inkomen, zelf.
In bijlage 23 van verweerder in le aanleg onder pagina's 2 tot en met 8 en in het bijzonder hierbij een opsomming van de verwijzingen naar deze gedingstukken (zoals in afdeling 2 bij de feiten van dit beroepschrift staan opgenomen)
2.1.2.3.1
2.1.2.3.4
2.1.2.7.2
2.1.2.7.4
2.1.2.8.1
2.1.2.8.2
2.1.2.8.3
2.1.2.8.4 onder b) Gezien het commerciële ontwikkelingsmotief is het één object, één project met als financieringsconstructie twee financieringen.
2.1.3.4
Deze feiten aangaande het nauw verband en verplicht ondernemingsvermogen bevinden zich allen in de bijlage 23 van de gedingstukken bij het eerste aanleg op (check de benaming) pagina's 2 tot en met 8. Alle overige gedingstukken dienen hierbij te worden geacht te zijn ingelast. Zie ook het betoogde bij grief 6 inzake het nauw verband
Belanghebbende heeft dus reeds in de gedingstukken, en wel in de bezwaarfase, uitvoerig en onmiskenbaar het nauw verband en verplicht ondernemingsvermogen expliciet aangetoond, althans aannemelijk gemaakt. De keuze, ten aanzien van de vermogens welke uitsluitend en rechtstreeks zijn aangewend voor de bron van inkomen van belanghebbende, het ontwikkelen van een gebouw op het perceel, was immers niet binnen de grenzen der redelijkheid te etiketteren als privévermogen en berust derhalve op een fout, een foutenleerfout.
Uit het bovenstaande blijkt de essentiële stelling, welke door het Hof met haar oordeel ook heeft miskend, dat door belanghebbende is gesteld dat het de startende onroerend goed ontwikkelingsbedrijf van belanghebbende is welke het ontwikkelen van een gebouw op het perceel verricht en derhalve geheel voor diens rekening komt en dus ook de beoogde en objectief te verwachten winst volledig voor rekening komt voor het startende ontwikkelingsbedrijf. Deze feiten aangaande het nauw verband zijn niet betwist, zie voor meer hierover bij grief 6, en zijn derhalve reeds vast komen te staan.
Overduidelijk is dat het onderhavige activum, welke immers in wezen zelf de werkzaamheid vormt, zodanig nauw verbonden is met de bron van inkomen en derhalve vanzelfsprekend tot het resultaatvermogen dient te worden gerekend en onbegrijpelijk is dat het Hof tot een andere andere gevolgtrekking kan komen dan het nauw verband bestaat. Immers, nooit is enige vermogensbestanddeel dienstbaar geweest voor de privédoeleinden, vergelijk GHSGR:2010:B01253 rov 6.2.1 2,
Het hof heeft het door belanghebbende aangeleverde bewijs, miskend en ook niet in haar oordeel betrokken welk duidt op een kennelijke vergissing dan wel het onbehandeld laten van essentiële stellingen.
Tenslotte is het opmerkelijk dat het Hof ook niet heeft onderkend, althans niet in haar oordeel heeft betrokken de feiten en omstandigheden omtrent de aanslag 2013, welke is opgelegd conform de aangifte, waarin het vermogen wel is gewijzigd naar werkzaamheidsvermogen (zie toelichting in grief 6) en erop duidt dat:
- —
Alle vermogensbestanddelen zijn op basis van het onderzoek van de 2 inspecteurs geheel aangewend voor het perceel (aanslagen 2013 en 2014) door deze totale kosten te accepteren als vermogens welke uitsluitend zijn aangewend voor het tot stand brengen van het gebouw op het perceel.
- —
Voor 1/3 deel is erkend dat etikettering als privévermogen onjuist is gebleken.
- —
Dat heretikketering niet de grondslag is geweest voor de wijziging, geeft een erkenning dat het verplicht werkzaamheidsvermogen betreft.
- —
het tot stand brengen van een gebouw op het perceel is volgens het Hof te kwalificeren als onderneming dan wel het verrichten van werkzaamheden in fiscale zin.
Conclusie:
Voor zover deze oordelen ervan uitgaan dat het bouwen van het gebouw op het perceel, welke volgens het Hof, voor zover nodig veronderstellenderwijs, een bron van inkomen is. En dat de vermogens welke uitsluitend dienstbaar zijn gesteld voor deze bron van inkomen en bovendien het nauw verband, zoals in deze kwestie op basis van de stellingen van belanghebbende, welke hij heeft bekleed met feiten en omstandigheden, tot gevolg heeft dat het Hof oordeelt dat op grond daarvan niet een zodanig nauw verband tussen de werkzaamheden en het perceel aannemelijk is te achten dat zou moeten worden geconcludeerd dat het perceel als verplicht ondernemings- dan wel werkzaamheidsvermogen zou moeten worden aangemerkt, berusten zij op een onjuiste rechtsopvatting {(Vergelijk de reeds in de gedingstukken genoemde jurisprudentie en in het bijzonder in 2.1.2.3.3, en verwijzing daar naar HR, 13-07-2007, nr. 42 698 ECLI:NL:PHR:2007:AZ2817 3.7. en 4.17 … En ook onder 2.1.2.3.5 en de verwijzing naar HR 14-08-1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8207). Op basis van deze feiten kan het Hofs oordeel niet dragen en dient het vonnis te worden vernietigd
Indien het Hof wel van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, is het onbegrijpelijk gebleven hoe het Hof, gezien de feiten en omstandigheden, tot dit oordeel heeft kunnen komen. Het Hof heeft het door belanghebbende aangeleverde bewijs waarin het nauw verband reeds aannemelijk is gemaakt miskend en niet betrokken in haar oordeel. Het Hof heeft niet gemotiveerd, hoe gezien de feiten en omstandigheden en een niet gemengde aanwending van het activum als in deze casus niet leidt tot een zodanig verband dat hieruit een verplicht ondernemingsvermogen ontstaat. Deze werkzaamheden zijn immers de werkzaamheid, de bron van inkomen, zelf. Gezien het Hof tot een ander oordeel is gekomen en het ontbreekt aan een motivering voor dat oordeel en derhalve is het voor belanghebbende onbegrijpelijk gebleven en onaanvaardbaar hoe het Hof tot dit oordeel heeft kunnen komen. Derhalve dient dit arrest te worden vernietigd.
Grief 2
5.3.5.1.
Uit de kwalificatie van de activiteiten van belanghebbende als bron van inkomen volgt naar het oordeel van het Hof echter niet zonder meer dat het door hem in privé verworven perceel als verplicht ondernemingsvermogen dient te worden aangemerkt en dat de kwalificatie van het perceel in de aangiften IB/PVV 2008–2012 als privévermogen op een etiketteringsfout zou berusten. Nu belanghebbende in afwijking van de door hem voor de jaren 2008 tot en met 2012 ingediende aangiften IB/PVV stelt dat het perceel als verplicht ondernemingsvermogen moet worden aangemerkt, rustsdesbewijslastsvan deze stelling op hem.
Dit oordeel van het hof is onjuist in rov. 5.3.5.1. (in samenhang met rov. 5.2.2., 5.3.2. en 5.3.5.2) en geeft blijk van onjuiste rechtsopvattingen aangaande de grenzen aan haar vrijheid inzake bewijslastverdeling,sgezien de gangbare rechtsopvatting aangaande een rechtvaardige bewijsverdeling gezien de feiten en omstandigheden welke blijken uit de gedingstukken. Als het Hof wel een juiste rechtsopvatting aangaande bewijslastverdeling heeft toegepast dan is dit oordeel zonder nadere toelichting wat Hofs gedachtegang is geweest bij dit oordeel om (aanvullende) bewijslast bij belanghebbende te leggen niet begrijpelijk en onaanvaardbaar tegen het licht gehouden van de door belanghebbende aangevoerde stellingen, feiten en omstandigheden. Immers heeft het Hof niet gemotiveerd hoe zij tot dit oordeel heeft kunnen komen tot deze bewijslastverdeling, gezien de feiten en omstandigheden, het nalaten van verweerder tot het gemotiveerd betwisten van het nauw verband en de vergevorderde rechtsproces en dan pas in dit arrest met het oordeel ten aanzien van deze bewijslastverdeling, waarbij het voor belanghebbende onbegrijpelijk is dat geen enkele stelplicht en betwistlast wordt toegekend aan verweerder. Het is onbegrijpelijk dat het bewijsrisico geheel, steeds en nog steeds aan belanghebbende blijft toekomen.
Toelichting:
Uit de gedingstukken is door belanghebbende gesteld en uitvoerig bewijs geleverd en aannemelijk gemaakt dat de vermogensbestanddelen volledig zijn aangewend voor de bron van inkomen (zie grief 1)szijnde de ontwikkelingsvan een gebouw op het perceel, en dat derhalve een zodanig nauw verband bestaat, en waarom er sprake is van een verplicht ondernemingsvermogen. Daarmee heeft belanghebbende reeds voldaan aan de op belanghebbendes rustende bewijslast. Meerdere argumenten en jurisprudentie zijn door belanghebbende aangevoerd waarmee het nauw verband (meer dan) aannemelijk heeft gemaakt en door verweerder wordt nagelaten de argumenten gemotiveerd te betwisten en daarmee is het nauw verband reeds komen vast te staan. Hoewel Rv 149 lid 1 en art Rv 24 wellicht niet (geheel) toepassing treft in deze kwestie, althans mogelijk wordt gesteld dat dit niet van toepassing is in een bestuursrechtelijk geschil, dient er wel steeds een mate van onpartijdigheid en een mate van waarheidsvinding (vergelijk Ratio vrije bewijsleer: materiële waarheidsvinding? Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? 3 4) zijn te herkennen in het proces en mag zeker niet leiden tot een omkerende werking naar onwaarheidsvinding. Hoe het ook zij, de rechter dient onpartijdig te zijn. Met Hofs oordeel komt het bewijsrisico ten onrechte voor rekening van belanghebbende terwijl verweerder het betreffende nauw verband niet heeft betwist. Derhalve wordt verweerder beloont voor het niet betwisten van het zodanig nauw verband. Het nauw verband waarmee geen sprake is van vrije keuzevermogen omdat het de grenzen der redelijk zou overstijgen. De bewijslevering van belanghebbende ten aanzien van de juistheid van dit nauw verband en de juistheid dat het perceel, mede het gegeven dat er een bron van inkomen is, en daardoor als verplicht ondernemingsvermogen dient te worden beschouwd is dus noch in eerste aanleg noch in het hoger beroep betwist, althans onvoldoende gemotiveerd en is derhalve reeds komen vast te staan. Verweerder stelt immers louter dat nimmer sprake is geweest van een onderneming en daarmee dus ook niet van verplicht ondernemingsvermogen, maar betwist niet het zodanig nauw verband als door belanghebbende wordt gesteld en aannemelijk is gemaakt.3.4.
Gezien een gemotiveerde betwisting van verweerder of inspecteur ontbreekt is daarmee het nauw verband reeds komen vast te staan, immers door het nalaten van het voldoende gemotiveerd betwisten door verweerder van het door belanghebbende gestelde en aangetoonde nauw verband, dient het bewijsrisico voor rekening te komen van verweerder. Volledigheidshalve, wie door eigen schuld of toedoen bewijsnood veroorzaakt, draagt het bewijsrisico. Zie ook Monografieën bewijslast in belastingzaken, Kluwer: bewijsrisico; wie door eigen schuld of toedoen bewijsnood veroorzaakt, draagt het bewijsrisico.
Meer volledigheidshalve, voor zover het Hof zich op het standpunt mocht hebben gesteld dat er toch eerder door verweerder een betwisting van dit feit is gesteld, betekent een eventuele simpele betwisting ervan, niet perse een voldoende betwisting is. Aan de hand van het arrest van de HR 12 mei 1989 NJ 1989/596 Dolmans/Wouters 5. blijkt namelijk dat tegenover gedetailleerde stellingen van de ene partij met een simpele ontkenning van de juistheid daarvan als onvoldoende betwisting kunnen worden aangemerkt (vergelijk ook ECLI:NL:PHR:2020:4536.). Nu belanghebbende in de gedingstukken geen aanknopingspunt kan vinden voor een oordeel van het Hof ten aanzien van een betwisting, danwel een voldoende betwisting ten aanzien van het nauw verband, acht ik de bestreden uitspraak van het Hof niet naar behoren gemotiveerd, zodat het vonnis onvoldoende inzicht geeft in de gedachtegang van het Hof.
Conclusie:
Het Hofs oordeel geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de grenzen aan haar vrijheid inzake bewijslastverdeling. Voor zover het Hof van een juiste rechtsopvatting is uitgegean is dit oordeel zonder nadere toelichting wat Hofs gedachtegang is geweest bij het oordeel om (aanvullende) bewijslast bij belanghebbende te leggen niet begrijpelijk en onaanvaardbaar in het licht van de door belanghebbende van aangevoerde stellingen, feiten en omstandigheden. Derhalve dient op grond van deze klachten het vonnis van het Hof te worden vernietigd.
Grief 3:
Het oordeel van het hof is onjuist (in rov. 5.3.5.1. in samenhang met rov. 5.2.2., 5.3.2. en 5.3.5.2) en geeft blijk van onjuiste rechtsopvatting aangaande het aan belanghebbendes toekomende recht op hoor en wederhoor. Indien het oordeel berust op een juiste rechtsopvatting blijft dit oordeel zonder motivering, in het licht van de gedingstukken, de feiten en omstandigheden en de stellingen van belanghebbende voor belanghebbende onbegrijpelijk en onaanvaardbaar.
Toelichting:
Belanghebbende heeft immers redelijkerwijs niet kunnen voorzien, dat hij met zijn grondige bewijslevering welke blijkt uit de gedingstukken en welke onbetwist zijn gebleven ten aanzien van het nauw verband, in deze bewijsnood zou kunnen komen verkeren, welke overigens geheel niet aan hem is te wijten maar aan de nalatigheid van verweerder en inspecteur, zie grief 2. Ook motiveert het hof niet hoe het Hof tot dit oordeel komt wat voor belanghebbende echter wel verstrekkende gevolgen heeft en hem in een onmogelijke bewijsnood verkerende positie heeft gebracht. Ónmogelijk kan het Hof gegeven de opvattingen inzake het verkrijgen van een eerlijk en niet vooringenomen oordeel, waarbinnen belanghebbende een redelijke en billijke gelegenheid wordt geboden om zich te verdedigen. En dus een stem wordt toegekend tot het horen en wederhoren.
Het zou een uitermate ongewenste en oneerlijke situatie creëren als door het niet betwisten door verweerder en op een later moment bij het Hof het betwisten (op deze wijze) wordt gedaan door het Hof, waarop dan niet langer nog een recht op wederhoor openstaat. Dus het onbetwist laten door verweerder doet belanghebbende geraken in een bewijsnood. Dat heeft wat belanghebbende betreft toch echt alle schijn tegen van een onpartijdigheid van het Hof.
Voor zover Hofs rechtsopvatting over Hofs bevoegdheid ten aanzien van (aanvullend) bewijs van belanghebbende te mogen verlangen niet onjuist is, hoewel belanghebbende dat reeds heeft geleverd, dan brengt het Hof met deze wijze van toepassen van materiele bewijsrecht, danwel waarheidsvinding belanghebbende in een oneerlijke rechtstrijd. Immers is belanghebbende door, de wijze waarop deze rechtsprocedure verloopt, het recht op hoor en wederhoor ontnomen. Door de wijze waarop het proces nu is verlopen en het oordeel van het Hof tot stand is gekomen is het voor belanghebbende namelijk onmogelijk geworden zich redelijkerwijs te verdedigen. Dit is een verrassingsaanval van het Hof en kan onmogelijk gegeven de feiten en omstandigheden voor rekening komen van belanghebbende. Verweerder laat na (voldoende gemotiveerd) te betwisten en het Hof doet dit in principe voor de verweerder middels dit oordeel en dientengevolge komt dit volledig als een verrassing en voor rekening van belanghebbende. Het bewijsrisico dient voor rekening te komen voor verweerder, immers; wie door eigen schuld of toedoen bewijsnood veroorzaakt, draagt het bewijsrisico.
Het Hofs oordeel geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van het recht op hoor en wederhoor. En indien dit oordeel berust op een juiste rechtsopvatting dan is dit oordeel zonder nadere toelichting wat Hofs gedachtegang is geweest bij het oordeel om belanghebbende geen mogelijkheid te gunnen om hierover zich uit te laten onbegrijpelijk en onaanvaardbaar in het licht van de door belanghebbende van aangevoerde stellingen, feiten en omstandigheden. Derhalve dient op grond van deze klachten het vonnis van het Hof te worden vernietigd.
Grief 4
5.3.53.
De enkele omstandigheid dat een aannemer bouwactiviteiten verricht met betrekking tot een hem in privé behorend perceel, houdt niet zonder meer in dat dat perceel dan als ondernemingsvermogen moet worden beschouwd. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het pand een functie in de onderneming van belanghebbende zou gaan vervullen, anders dan (deels) als een voor de verkoop bestemd object.
Het Hof geeft in rov 5.3.53. (in samenhang met rov 53.5.4.) blijk van een aantal (onjuiste) feiten welke niet door belanghebbende zijn gesteld of worden beweerd en derhalve is er sprake van een motiveringsgebrek.
Toelichting
Zie ook het betoogde in grieven 1, 2 en 3.
Door belanghebbende wordt namelijk niet beweerd dat de enkele omstandigheid dat een aannemer bouwactiviteiten verricht met betrekking tot een hem in privé behorend perceel zonder meer inhoudt dat dat perceel dan ondernemingsvermogen moet worden beschouwd,
Ook stelt belanghebbende niet dat het pand een functie in de onderneming van belanghebbende zou gaan vervullen. Daarnaast is ook niet door belanghebbende gesteld dat deze bron van inkomen en derhalve de winst voor rekening komt van de (onder)aannemer, welke overigens zelfstandig is overgegaan naar de BV. Door belanghebbende is juist expliciet gesteld dat deze activiteiten door Onderneming (O) werden uitgevoerd (zie de verwijzingen naar de feiten bij grief 1) en derhalve voor diens rekening komen.
Ook is expliciet aangegeven dat niet de wil bestond het pand een functie in de onderneming te laten vervullen, anders dan een volledig voor de verkoop bestemd object.
Het Hof heeft in rov 5.3.2., veronderstellenderwijs, vastgesteld dat het ontwikkelen van het gebouw op het perceel een bron van inkomen is. En derhalve dienen deze voor rekening te komen voor de onderneming (O) zoals is gesteld en beargumenteerd in gedingstuk bijlage 23 pagina 2 tot en met 8
Hoogstvermoedelijk is dit een vergissing van het Hof, of over het hoofd gezien, immers is uitvoerig besproken en uitgelegd dat de onderneming bouwen, het onderaannemersbedrijf welke in de BV is overgebracht, andere ondernemingsactiviteiten betreft dan de onderneming (O) en daar gaat deze kwestie over. Dit duidt op een onjuiste vaststelling door het Hof van de feiten welke in de gedingstukken zijn komen vast te staan en derhalve is dit middel een klacht tegen de begrijpelijkheid van dit feitelijk oordeel, gezien het Hof niet motiveert dat de feiten zoals belanghebbende ze stelt onjuist zijn.
Het hele object, woning met kantoor aan huis, werd gebouwd om te verkopen en dat was dus een commerciële functie in de onderneming (O) en diende niet een andere functie in een onderneming dan voor de verkoop. Dat het mogelijkerwijs, in geval van afwachten van een betere verkoopprijs, zou worden aangehouden, doet hier niet aan af. Dit is grondig aangetoond en uitgelegd met een veelheid van verwijzingen naar jurisprudentie zoals in de feiten waar grief 1 naar verwijst. Derhalve kan het classificeren van privévermogen in het geheel niet juist zijn, want alle vermogens zijn uitsluitend aangewend voor de bron van inkomen en dus was er geen vrije keuze, zie het besprokene hiervoor en bij grief 6.
Verweerder heeft overigens niet betwist dat er meerdere activiteiten zijn en of dat er geen verschil is in de hoedanigheid van de verschillende ondernemingen. Verweerder heeft louter gesteld dat er geen bron van inkomen is. Het Hof heeft ten onrechte feiten als feiten vastgesteld, terwijl uit de stukken blijkt dat werd gemotiveerd dat die feiten juist niet zo lagen als het Hof nu vaststelt.
Toelichting kennelijke vergissing.
Hardnekkigheid verwarring 3 ondernemingsactiviteiten
De verwarring welke ontstaan is en echter hardnekkig blijft terugkeren betreft de verwarring over de essentiële stelling van belanghebbende ten aanzien van de 3 ondernemingen/werkzaamheden welke alle 3 een bron van inkomen zijn. Er zijn namelijk drie ondernemingsactiviteiten:
- —
onderneming onroerend goed ontwikkelen.
- —
onderneming schoonmaakwerkzaamheden,
- —
onderneming onderaannemings-activiteiten (welke in 2008 vanuit de eenmanszaak verzelfstandigd is naar een BV)
Belanghebbende heeft expliciet gesteld en zeer grondig gemotiveerd, dat dit onderscheid tussen deze drie ondernemingen/ondernemingsactiviteiten dient te worden gemaakt:
Zie hiervoor en in het bijzonder 2.1.2.2 (pagina 2 bijlage 23 verweerder)…Vooreerst wil ik de communicatie aangaande de verschillende ondernemingsactiviteiten nog even aanscherpen. Aan de hand van de met u gevoerd communicatie, uw 27 vragen en uw voorneming beslissing vermoed ik namelijk dat er verwarring is ontstaan ten aanzien van de ondernemingen en de ondernemingsactiviteiten. Derhalve zal ik ter helderheid vanaf nu de ondernemingen/ondernemingsactiviteiten onderscheiden in:
Onderneming Bouwen, Onderneming Schoonmaakbranche en Onderneming Ontwikkelen Onroerend Goed.
In het kort respectievelijk als onderneming(B), onderneming(S) en onderneming(O).
Het doet belanghebbende voorkomen dat het Hof dit onderscheid tussen de drie ondernemingsactiviteiten OOK niet heeft gemaakt en ook is er, in tegenstelling tot Hofs stelling, geen sprake van tegenspraak (zie rov Hof 5.1.5).
Het lijkt erop dat het Hof zich dus in deze essentiële stellingen van belanghebbende heeft vergist, of het belang van dit essentiële onderscheid niet heeft beseft, dan wel deze essentiële stellingen niet heeft behandeld en niet in haar oordeel heeft betrokken en derhalve vertonen Hofs oordelen motiveringsgebreken en derhalve zijn Hofs gedachtegangen voor belanghebbende oncontroleerbaar dan wel onaanvaardbaar.
1.1.5.
Op basis van de gedingstukken en in het bijzonder onder andere de volgende feiten uit de gedingstukken (zie de verwijzingen bij grief 1, waaronder andere 2.1.2.2., 2.1.2.3.1, 2.1.2.3.2., 2.1.2.7.4. en 2.1.2.8.2.) is namelijk gebleken dat door belanghebbende uitvoerig en veelvuldige is gesteld en grondig onderbouwd, dat de onderneming (O), de Onderneming Ontwikkelen Onroerend Goed, de hoedanigheid is waarin de verrichte activiteiten ten aanzien van het ontwikkelen van het gebouw op het object zijn uitgevoerd en derhalve ook voor rekening komt van onderneming (O), welke fiscaal gezien door het Hof wordt gesteld als een bron van inkomen. Volledigheidshalve is ook aangetoond dat onderneming (O) beoogde verschillende projecten te ontwikkelen (2.1.3.4 en 2.1.3.1) welke overduidelijk de activiteiten van een betontimmer-onderaannemingsbedrijf (zie 2.1.2.7.3) overstijgen die aan een gebouw op het onderhavige perceel bouwt. Hiermee is bovendien het duurzaam karakter aangetoond van de activiteiten van onderneming (O)
Wet van Murphy
Ten slotte samenvattende over de verwarringen en het blijven voortduren ervan. Ten tijde van het ontwikkelen en bouwen in de jaren op en rond 2008, was er wat betreft de vermogensbestanddelen sprake van verplicht ondernemingsvermogen en dat is ten onrechte in de aangifte onjuist geëtiketteerd. Onjuist gezien er geen vrije keuze is om het als privévermogen te etiketteren, dat is wat door belanghebbende wordt gesteld.
Als een fout wordt gemaakt, zoals de vermogensetikettering in de aangifte in 2008, en de fout wordt niet meteen ontdekt en de fout vervolgens na enkele jaren voortduren tot en met 2012. Daarna volgt er communicatie over de verwarringen welke het gevolg zijn van die fout, dan neemt daarmee wellicht de verwarring zelfs toe. Eén fout kan dan leiden tot meerdere mogelijke interpretaties en als daar weer over wordt toegelicht dan leidt dat, zoals het in dit geschil schijnt, tot nog meer (potentiële) misverstanden. Tenzij je start met het beschouwen vanuit de juiste context en waar de initiële fout is opgetreden.
Zoals blijkt uit de 27 vragen van inspecteur, welke een mate van verwarring inhouden en onjuiste veronderstellingen dragen, welke zijn ontstaan door de onjuiste etikettering en derhalve gebaseerd zijn op onjuiste perspectieven. Vervolgens leidt dit, door de beantwoording van de 27 vragen, zoals het schijnt, tot nog meer verwarring. Tenzij het perspectief wordt gecorrigeerd naar de feitelijke en juiste achtergrond blijft het geschil (totale gedingstukken) onduidelijk en worden onjuiste conclusies getrokken. Een (foute) conclusie betekent impliciet een exclusie en dan is er uiteraard geen waarheidsvinding meer mogelijk.
Conclusie:
Hofs overwegingen in rov 53.5.3. (in samenhang met rov 53.5.4.) geven blijk van een aantal (onjuiste) feiten welke niet door belanghebbende zijn gesteld of worden beweerd en derhalve is er sprake van een motiveringsgebrek. Derhalve is het door het niet behandelen van essentiële stellingen, dan wel een kennelijke vergissing begaan, voor belanghebbende zonder een motivering van deze rechtsoverweging onbegrijpelijk en onaanvaardbaar gebleven. Ook vertonen de stellingen in deze rechtsoverweging een inconsistentie met wat belanghebbende in de gedingstukken stelt. En aan deze door het Hof onjuiste, dan wel andere feiten ontbreekt het derhalve aan Hofs motivering.
Grief 5
53.5.4.
Aan de door belanghebbende gestelde kwalificatie van het perceel als verplicht ondernemingsvermogen draagt ook niet bij dat (een deel van) het (te ontwikkelen) gebouw als eigen woning is bestemd (zie onder 2.8), ook al zou dat bestemmingsvoornemen (mede) zijn gebaseerd op het verkrijgen van een financiering van het project. Voorts vindt de stelling van belanghebbende ook geen steun in het antwoord van belanghebbende op vraag 22 in de onder 2.8 aangehaalde e-mail.
Het Hof geeft in rov 53.5.4. (in samenhang met rov 5.3.53.) blijk van een aantal (onjuiste) feiten welke niet door belanghebbende zijn gesteld of worden beweerd en derhalve is er sprake van een motiveringsgebrek.
Toelichting
Alvorens toe te lichten wat het antwoord op vraag 22, welke in de context van de overige vragen van de inspecteur dient te worden beschouwd, precies inhoudt, dient zorgvuldigheids- en volledigheidshalve in acht te worden genomen dat volgens HR ECLI_NL_PHR_2010_BK6071 In rov 9.6 (zie 2.1.2.4.2) het begrip fout neutraal is en de oorzaak, de verwijtbaarheid van wie en of dat de fout is ontstaan bij het doen van aangifte niet relevant is voor de fout en het wel of niet toepassen van de foutenleer als correctie ervan. De vraag is en dient dus te blijven, gezien de bron van inkomen vaststaat: is er op basis van de feiten en omstandigheden sprake van het nauw verband tussen de vermogensbestanddelen en de bron van inkomen. Zie hiervoor grief 1, 2, 3 en 4
Wat betreft het antwoord van belanghebbende op de vraag 22 van inspecteur: zonder navraag bij de accountant te hebben kunnen doen in verband met diens vakantie, heeft belanghebbende een poging gedaan een verklaring te geven.
Vraag 22 en het bijbehorende antwoord dient uiteraard in de gehele context van de gedingstukken te worden beschouwd, zoals reeds bij grief 1, 2 en 3 aan bod is gekomen en niet vanuit de fout redenen, maar vanuit de initiële wens en winstbeoging. Ten aanzien van het resultaat van het le te ontwikkelen onroerend goed object voor startende onderneming (O) was in principe de bedoeling geweest om het resultaat vast te stellen bij verkoop en gereedkomen van het object op basis van het bijhouden van alle (historische) kosten welke gemaakt zijn ten behoeve van het project. Kortom door na realisatie en verkoop het winstsaldo te berekenen.
Zie ook hierboven bij goedkoopmansgebruik. Er was namelijk niet verwacht dat het project meerdere jaren zou omvatten en dat het anders zou lopen dan verwacht en dat is de oorzaak, dat er geen balans was opgemaakt. In tweede helft van 2008 was ook al met [A] gestart met het plaatsen op Funda (zie 2.1. 3.2 en 2.1.13) en toen was nog het vermoeden dat verkoop mogelijkerwijs zelfs' zou kunnen plaatsvinden tijdens het bouwen of vrij snel na realisatie van het gebouw.
Samenvattende: door de omstandigheden waardoor belanghebbende de regie niet meer onder controle heeft kunnen houden is er niet meer toegekomen aan het opmaken van de balans. Het plan was immers om op basis van de verwachting van het project, de resultaatrekening na realisatie op te maken, middels een totaaloverzicht van de plussen en de minnen. Echter doordat het anders verliep was dit plan inmiddels achterhaald en inmiddels diende ook de aangiften te worden ingediend. En doordat belanghebbende zelf om zijn gezondheids- en persoonlijke omstandigheden (zie 2.1.2.9 Chronologische volgorde ongevallen en voorvallen) fysiek en emotioneel niet hiervoor beschikbaar was, heeft de accountant de onjuiste aangiften gedaan welke gebaseerd zijn op de financiering-gegevens, welke niet in overeenstemming zijn met goed koopmansgebruik beginselen en onjuist zijn gezien de rechtsopvattingen ten aanzien van 3.8, dan wel 3.94. En daarmee is de onderhavige niet vrije keuzevermogen problematiek gestart.
Conclusie:
Het Hof geeft in rov 5.3.5.4. (in samenhang met rov 5.3.5.3.) blijk van een aantal (onjuiste) feiten welke niet door belanghebbende zijn gesteld of worden beweerd en derhalve is er sprake van een motiveringsgebrek.
Grief 6
5.3.5.5.
Ter zake van de etikettering van het perceel concludeert het Hof dat geen feiten en/of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan het perceel — in plaats van als keuzevermogen — als verplicht ondernemingsvermogen zou moeten worden aangemerkt. In het bijzonder zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan met het als privé-vermogen aanmerken van het perceel de bij de vermogensetikettering in aanmerking te nemen grenzen der redelijkheid zijn overschreden.
5.2.2.
Ter zitting van het Hof heeft de inspecteur onder meer nog het volgende verklaard: ‘Het Hof houdt mij voor dat voor het jaar 2013 een verlies in aanmerking is genomen in de aangifte IB/PVV en dat de aanslag — na onderzoek in de aanslagfase — conform de aangifte is opgelegd. Het Hof vraagt mij of ik iets kan zeggen over het onderzoek in de aanslagfase voor het jaar 2013. Het Hof wijst mij erop dat uit de stukken blijkt dat op 8 april 2018 een onderzoek navorderingsaanslag 2013 is gedaan. Ik antwoord dat ik niet weet waar dat vandaan komt. Er is uiteindelijk besloten om geen navorderingsaanslag voor het jaar 2013 op te leggen.’
Het oordeel van het hof is onjuist in rov. 5.3.5.5 (mede in samenhang met de rov 5.2.2 en de grieven 1 tot en met 5 en verwijzingen naar de feiten in deze grieven) en geeft blijk van een onjuiste toepassing ten aanzien van de rechtsopvattingen in zake 3.8 dan wel 3.94. Aansluitend bij de feiten en omstandigheden welke blijken uit de gedingstukken, waaronder in het bijzonder welke in de grieven 1 tot en met 5 naar is verwezen, bestaat het merkwaardige feit dat de aanslag van 2013 conform aangifte is opgelegd. Dit is dusdanig opmerkelijk dat het Hof dit in haar oordeel en motivering had dienen te betrekken. Dit licht ik hieronder toe:
Het Hof maakt namelijk een onjuiste gevolgtrekking op basis van de feiten welke zijn komen vast te staan, immers laat het Hof na om de aanslag 2013 en de gevolgtrekkingen hieruit te betrekken in haar oordeel. De aanslag van 2013 is namelijk conform aangifte opgelegd en bovendien is door inspecteur afgezien tot een navorderingsaanslag voor hetjaar 2013. Dit in samenhang gezien met de feiten waar in de grieven 1 tot en met 5 naar is verwezen had het Hof onmogelijk, gezien de rechtsopvatting van 3.8 dan wel 3.94 en het zodanig nauw verband tussen de werkzaamheden en het perceel, tot haar oordeel kunnen komen dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan met het als privé-vermogen aanmerken van het perceel de bij de vermogensetikettering in aanmerking te nemen grenzen der redelijkheid zijn overschreden. Immers heeft belanghebbende uitermate aannemelijk gemaakt dat deze feiten en omstandigheden een zodanig nauw verband aannemelijk maken en daarnaast blijkt ook uit deze aanslag minstens voldoende dat deze inspecteur voldoende feiten en omstandigheden heeft gezien om het privévermogen te doen wijzigen naar werkzaamheidsvermogen.
Onderstaande nadere toelichting zal tonen hoe de feiten welke zijn komen vast te staan op basis van de aanslag 2013 blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting van het Hof en dat het Hof bij een juiste rechtsopvatting onmogelijk tot haar oordeel had kunnen komen.
De aanslag 2013 welke na onderzoek is opgelegd conform de aangifte toont of maakt het volgende uiterst aannemelijk: minstens is zoveel komen vast te staan dat er wel degelijk feiten en omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan het perceel — in plaats van als privévermogen — (deels) als verplicht werkzaamheidsvermogen diende te worden aangemerkt.
Immers blijkt uit de gedingstukken inzake de aanslag 2013, dat een aantal standpunten hieruit zijn voortgekomen en rechtens zijn komen vast te staan, zoals de wijziging van het privévermogen naar werkzaamheidsvermogen. Vervolgens is dit bevestigd door de inspecteur inzake de aangifte 2014, althans dat is wat belanghebbende hiervan denkt te kunnen afleiden, immers het duidt erop dat de inspecteur, middels na aangekondigd navorderingsonderzoek, zich met de zienswijze van de inspecteurs van de aanslag 2013 ten aanzien van deze vermogenswijziging heeft kunnen verenigen. Hoe het ook zij, rechtens is vast komen te staan dat de inspecteur van de aanslag 2013, na onderzoek, het gerechtigd heeft bevonden om de vermogensbestanddelen te wijzigen naar werkzaamheidsvermogen.
Daarnaast is het volgende komen vast te staan.
Ook het nauw verband van de totale kosten aan het object is reeds bij de aanslag 2013 komen vast te staan, middels de aangifte, na een onderzoek met navraag bij belastingplichtige, waarbij ook het overzicht van de kosten door deze inspecteur met betrekking tot de aanslag 2013 is opgevraagd, welke vervolgens is opgelegd conform de aangifte. Ik licht deze conclusie toe.
Daarmee is namelijk in ieder geval zoveel vast komen te staan dat de behandelende inspecteur van de aangifte van 2013 het verband van de vermogensbestanddelen van € 345.000 (zie voor de herkomst van dit bedrag in 2.1.3.3 en in samenhang met 2.1.2.7.2) tussen de uitgevoerde werkzaamheden zodanig nauw heeft geacht dat al deze kosten dienen te worden beschouwd als aangewend voor het object voor het totale aangewende vermogen. En vervolgens heeft deze inspecteur dit toegepast in een verhouding van 1/3.
Dientengevolge is met die aanslag in ieder geval vast komen te staan dat de waardering van de voor het object aangewende vermogensbestanddelen door de inspecteur van de aangifte 2013 is gebaseerd op een grondslag die hetzelfde is, dan wel zeer gelijke overeenkomsten vertoont met de grondslag welke belanghebbende hanteert.
Namelijk: deze betreft alle historische kosten welke gemaakt zijn voor het bouwen van het gebouw op het perceel. Het bedrag van € 345.000 komt namelijk uit de Rabobank bankrekening en de kosten (bouwfacturen) zijn allen voldaan na controle van de accountmanager van de Rabobank uit het Rabobank bouwdepot bankrekening. Deze betalingsbewijzen zijn vervolgens ook door de inspecteur van onderhavige aangifte 2014 opgevraagd bij belanghebbende, ter onderbouwing van het door de belanghebbende aangegeven verlies, en zijn door belanghebbende ook aan inspecteur toe doen komen. Dit bewijs is tot op heden onbetwist gebleven en derhalve rechtens komen vast te staan.
Hoe het ook zij, hieruit blijkt in ieder geval wel dat het vermogen van € 345.000 (dit is het bedrag wat uit de bankgegevens blijkt) verdeelt over het 1/3 deel en dus de rest, zijnde 2/3 deel, is geaccepteerd te zijn aangewend ten behoeve van het object.
Bovendien en aanvullenderwijs, is ook komen vast te staan dat door de inspecteur van de aanslag 2013 reeds in ieder geval voor 1/3 deel van dat vermogen het zodanig nauw verband werd geacht te bestaan, dat daardoor de inspecteur het privevermogen heeft gewijzigd conform aangifte naar werkzaamheidsvermogen. Dat is geen detail die in een oordeel ongemotiveerd kan worden weggelaten.
De onderzoekende inspecteur welke de aanslag 2013 heeft opgelegd moet in ieder geval een grondslag hebben gehad de aangifte te volgen en er is derhalve volgens deze inspecteur een of andere reden geweest het vermogen te wijzigen naar werkzaamheidsvermogen. Dit duidt op dat daarmee de stelling dat er sprake is van een onjuiste etikettering door deze inspecteur is geaccepteerd. Dit is oftewel gedaan op basis van een heretikettering of op basis van het bestaan van een niet vrije keuzevermogen. Dit klopt natuurlijk ook gezien de activiteiten volledig gerelateerd zijn aan het bouwen en conform belanghebbende in de gedingstukken heeft gesteld en blijkt uit de feiten en omstandigheden, zie grieven 1 tot en met 5. Van een herettiketering lijkt geen enkele sprake en dit wordt ook niet gesteld. Immers is met de gedingstukken vast komen te staan dat er geen omstandigheden en feiten zijn, welke een heretikettering rechtvaardigen, en hiermee dient te worden afgeleid dat de inspecteur van de aangifte 2013 kennelijk een andere grondslag heeft gevonden om de hoedanigheid van die vermogensbestanddelen te doen wijzigen naar een werkzaamheidsvermogen en dus niet in lijn van de prive-etikettering vanaf 2008. Er was immers geen bestemmingswijziging welke een herettiketering kon dragen en dus kennelijk is, althans aannemelijkerwijs, dat daarmee in de aanslagfase is erkend dat het verplicht werkzaamheidsvermogen was.
Als heretikettering niet de grondslag was dan is daarmee aangetoond dat het vermogen geen vrije keuze vermogen was maar verplicht werkzaamheidsvermogen, immers was er anders geen grondslag geweest voor de wijziging. Dat dient dus te zijn geconcludeerd, zoals ook door belanghebbende wordt gesteld, namelijk op basis van het nauw verband van de vermogensbestanddelen en de activiteit, zijnde het ontwikkelen van een gebouw op het perceel, zijnde een bron van inkomen. Althans op zijn minst is het hiermee gebleken dat er wel feiten en/of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan het perceel — in plaats van als keuzevermogen — als verplicht ondernemingsvermogen, dan wel werzaamheidsvermogen zou moeten worden aangemerkt. In het bijzonder zijn er dus wel feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan met het als privé-vermogen aanmerken van het perceel de bij de vermogensetikettering in aanmerking te nemen grenzen der redelijkheid zijn overschreden.
Hoe het ook zij: het erkennen van het verlies in 2013, na onderzoek, duidt erop dat er sowieso in 2013 sprake was van een op dat moment zijnde onjuiste ettikettering. Dit alleen al maakt dat het aannemelijk is dat ettiketering onjuist is, althans heeft de inspecteur van het onderzoek aanslag 2013 dit kennelijk aannemelijk geacht en het Hof laat na dit in haar oordeel te betrekken.
Tenslotte is het de moeite waard om op te merken dat de inspecteur heeft afgezien van het opleggen van een navorderingsaanslag over het jaar 2013, nadat zij een onderzoek hierover heeft verricht, althans dat had aangekondigd. Wellicht is de inspecteur van de onderhavige zaak hierop gestuit in haar aangekondigde onderzoek navorderingsaanslag. En heeft de inspecteur dat dan weer niet medegedeeld en ook niet in de gedingstukken vermeld, wat erop duidt niet in overeenstemming te zijn met Rv 21 en al zeker niet in lijn met behoorlijk bestuur. Dit bekrachtigt, althans duidt op, een instemmen van de behandelende inspecteur van de aangifte 2014 ten aanzien van het verplicht werkzaamheidsvermogen op basis van de bevindingen van het onderzoek in de aanslagfase 2013 door de inspecteur inzake het jaar 2013. Ook hieruit lijkt het wederom aannemelijk dat er in het jaar 2013 geen sprake was van een heretikettering en wel van een verplicht werkzaamheidsvermogen.
Concluderenderwijs:
- —
Alle vermogensbestanddelen zijn op basis van het onderzoek van de 2 inspecteurs geheel aangewend voor het perceel (aanslagen 2013 en 2014) door deze totale kosten te accepteren als vermogens welke uitsluitend zijn aangewend voor het tot stand brengen van het gebouw op het perceel.
- —
Voor 1/3 deel is erkend dat etikettering als privévermogen onjuist is gebleken.
- —
Dat heretikketering niet de grondslag is geweest voor de wijziging, geeft een erkenning dat het verplicht werkzaamheidsvermogen betreft.
- —
het tot stand brengen van een gebouw op het perceel is volgens het Hof te kwalificeren als onderneming dan wel het verrichten van werkzaamheden in fiscale zin.
Is er dan nog een gerede twijfel ten aanzien van het overige 2/3 deel van dat vermogen wat zodanig nauw verband houdt en gezien het bovenstaande, de gedingstukken en behandelde in de grieven 1 tot en met 5?
Het antwoord is simpel en de logische gevolgtrekking op basis van alle feiten en omstandigheden welke in de gedingstukken in beschouwing genomen dient te zijn dient te zijn:
Ter zake van de etikettering van het perceel zijn er voldoende feiten en/of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan het perceel — in plaats van als keuzevermogen — als verplicht ondernemingsvermogen dient te worden aangemerkt. In het bijzonder zijn er voldoende feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan met het als privé-vermogen aanmerken van het perceel de bij de vermogensetikettering in aanmerking te nemen grenzen der redelijkheid zijn overschreden.
Voor zover deze oordelen ervan uitgaan dat het bouwen van het gebouw op het perceel, welke volgens het Hof, voor zover nodig veronderstellenderwijs, een bron van inkomen is. En dat de vermogens welke uitsluitend dienstbaar zijn gesteld voor deze bron van inkomen en bovendien het nauw verband, zoals in deze kwestie op basis van de stellingen van belanghebbende, welke hij heeft bekleed met feiten en omstandigheden, tot gevolg heeft dat het Hof oordeelt dat het als privévermogen aanmerken van het perceel de bij de vermogensetikettering in aanmerking te nemen grenzen der redelijkheid niet zijn overschreden, berusten zij op een onjuiste rechtsopvatting (Vergelijk de reeds in de gedingstukken genoemde jurisprudentie en in het bijzonder in 2.1.2.3.3, en verwijzing daar naar HR, 13-07-2007, nr. 42 698 ECLI:NL:PHR:2007:AZ2817 3.7. en 4.17 …. En ook onder 2.1.2.3.5 en verwijzing naar HR 14-08-1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8207 en de in de grieven 1 tot en met 5 verwijzingen naar de gedingstukken?
Indien het Hof wel van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, heeft het nagelaten te vermelden welke feiten en omstandigheden, gezien de gedingstukken en behandelde in de grieven 1 tot en met 5, hoe het Hof tot dit oordeel heeft kunnen komen. Aldus heeft het Hof zijn uitspraak onvoldoende gemotiveerd en geeft het Hof eveneens onvoldoende inzicht in haar gedachtegang. Derhalve kan Hofs gevolgtrekking, dat er geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan met het als privé-vermogen aanmerken van het perceel de bij de vermogensetikettering in aanmerking te nemen grenzen der redelijkheid zijn overschreden, niet juist zijn. Het Hof heeft ook niet gemotiveerd wat haar gedachtegang is geweest om welke feiten en omstandigheden als grond voor een wijziging van privevermogen naar werkzaamheidsvermogen wel zou gelden voor het jaar 2013, maar dat deze feiten en omstandigheden dan niet zouden gelden voor het jaar 2014. Hierdoor is het oordeel van het Hof voor belanghebbende onbegrijpelijk, onaanvaardbaar en onhoudbaar.
Grief 7
5.5.
Ten overvloede overweegt het Hof dat zo er al gronden zouden zijn om in het onderhavige jaar een verlies uit hoofde van de door belanghebbende gestelde ondernemingsactiviteit in aanmerking te nemen, belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit verlies de door hem gestelde omvang van € 166.000 zou hebben (vgl. onderdeel 6 uitspraak rechtbank). Indien wordt uitgegaan van de informatie die de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende in een e-mail van 24 januari 2019 heeft verstrekt (zie onder 2.6), dan zou l/3e deel van het perceel bij heretikettering als ondernemingsvermogen zijn te kwalificeren. Dit komt overeen met het antwoord van belanghebbende op vraag 23 in zijn e-mail van 7 maart 2019 (zie onder 2.8). Gegeven het verlies op dit l/3e gedeelte dat reeds in het jaar 2013 (definitief) in aanmerking is genomen (€ 95.000), zou immers volgens de berekening van die gemachtigde in 2014 nog slechts € 6.000 als (extra) verlies in aanmerking kunnen worden genomen.
Dit oordeel in samenhang met de rechtsoverwegingen 5.3.5.2 en 5.3.5.3. is onjuist en hangt samen van de reeds genoemde kennelijke vergissingen of onbehandeld laten van essentiële stellingen en gezien het genoemde in de grieven hiervoor behoeft het derhalve geen verdere toelichting.
Grief 8
5.6.1.
De klacht van belanghebbende dat de inspecteur niet zorgvuldig zou hebben gehandeld verwerpt het Hof. De zes pagina's tellende uitspraak op het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2014 bevat een uitvoerige motivering voor de ongegrondverklaring van het bezwaar. Voorts is aan deze uitspraak een uitvoerig feitenonderzoek vooraf gegaan, zoals onder meer blijkt uit de hiervoor vanaf2.2 opgenomen feiten. De inspecteur is naar het oordeel van het Hofjuist zorgvuldig te werk gegaan.
Gezien gisteren is gebleken dat de site van de Hofe Raad op 31 januari in onderhoud verkeerd, wordt het bereopschrift vandaag op 30 januari ingediend. De planning was om er op 31 januari nog verder op te stellen. Om te voorkomen dat de site niet functioneert en derhalve te laat wordt ingediend wordt nu deze ingediend en derhalve is deze grief nog niet compleet. Mogelijkerwijs gebeurd deze aanvulling nog op 31 januari als de site blijkt te werken.
Voor nu derhalve alvast de volgende klacht over dit oordeel.
Hofs oordeel in rov 5.6.1 gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting, gezien bij toepassing van de juiste rechtsopvatting aangaande de regels van behoorlijk bestuur en de rechtspraak hierover kan redelijkerwijs het Hof niet tot dit oordeel zijn gekomen, immers dient de inspecteur stellingen en feiten in een bezwaarschrift inhoudelijk en zorgvuldig, althans voldoende gemotiveerd te behandelen en met rede te beargumenteren. En al zeker zonder vooringenomenheid en niet ergens naar toe redenerende.
Ook ontbreekt Hofs oordeel aan een te volgen motivering. Het is het niet het aantal pagina's of welke activiteiten de inspecteur heeft gedaan, zoals een feitenonderzoek, maar of de inspecteur ingaat op een de essentiële stellingen van belanghebbende, wat de inspecteur heeft nagelaten en onvoldoende betwist. Bovendien stelt verweerder dat belanghebbende niet meer stelt dan 1 argument ten aanzien van het objectieve winstverwachting, terwijl belanghebbende een lijst van argumenten van objectiviteit opsomt over de objectieve winstverwachting, welke op deze punten geen enkel nee, want argument tegemoet ziet van verweerder. Ondanks stelt verweerder dat deze argumenten ontbreken, terwijl dat feitelijk objectief onjuist is. Dat kan uitsluitend een bewuste dan wel een onbewuste uitlating zijn. Bewust zou in strijd zijn met vooringenomenheid en onder andere ook vanuit de filosofie welke ten grondslag licht aan Rv 21, welke grondslag ook geldt voor bestuursrechtelijke geschillen, bovendien onacceptabel. Als het onbewust is dan is het kwestie van onzorgvuldigheid. Idem met de inspecteur welke argumenten aangaande de vorm van de bron van inkomen opnoemt, terwijl belanghebbende wijst op 3.8 dat dit artikel geen vormvereisten geeft aangaande de voordelen en daar wordt inhoudelijk niet met rede op in gegaan, dus niet voldoende gemotiveerd. Hofs oordeel in 5.6.1. is een inductieve redenering welke niet de feiten overweegt maar haar oordeel afleidt op kenmerken, zonder de feiten te beoordelen en daardoor ontbreekt het aan een te respecteren aanvaardbare motivering.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑10‑2024
zie voor het belang hiervan GHSGR:2010:B01253 rov 6.2.1…Voorts kan van belang zijn het antwoord op de vraag of de onroerende zaak ten tijde van de koop of daarna op enigerlei wijze dienstbaar is geweest aan of geschikt is voor de beroepsuitoefening van belanghebbende.
Bestuursrechtelijk bewijsrecht: wetgever of rechter? Boom Juridische uitgevers Den Haag 2009 Pagina 32: 2.2.3 Ratio vrije bewijsleer: materiële waarheidsvinding?
Tot op heden zijn in de Algemene wet bestuursrecht (nog) geen regels van materieel bewijsrecht opgenomen in het gerechtelijk proces bij de bestuursrechter. Dit in tegenstelling tot het civiele recht en het strafrecht, waar dergelijke bewijsregels wel wettelijk zijn verankerd. Er lijkt een taak voor de wetgever te zijn weggelegd. Immers, is het materiële bewijsstelsel zonder vastomlijnde regels geen stuurloos schip?
Een betwisting dient altijd gemotiveerd dient te zijn wil zij door de rechter serieus genomen worden. Gedetailleerde stellingen en aangedragen feiten van de belanghebbenden kunnen door verweerder niet met een simpele ontkenning de juistheid daarvan betwisten.
Tegenover gedetailleerde stellingen van de ene partij bijvoorbeeld zal een simpele ontkenning van de juistheid daarvan een onvoldoende betwisting zijn. ECLI:NL:PHR:2020:453 zie randnummer 3.7 en Zie (losbl.) Burgerlijke Rechtsvordering bij art. 149, p. 26–30 (suppl. 279, dec. 2001)…Vgl:ECLI:NL:PHR:2020: zie randnummer 3.7 en 3.3.3.7… om toegelaten te kunnen worden tot tegenbewijs is het nodig dat de betwisting van de wederpartij, zeker in hoger beroep, voldoende concreet is. Of dat het geval is, hangt echter ook af van hetgeen in de procedure al is gewisseld…… 3.3 De rechter mag dus in beginsel alleen diefeiten aan zijn oordeel ten grondslag leggen die door partijen zijn gesteld en die zijn komen vast te staan hetzij vanwege onvoldoende betwisting daarvan door de wederpartij hetzij door bewijslevering van de partij op wie de bewijslast rust. Terwijl art. 149 lid 1 Rv de feitelijke grondslag van de rechterlijke beslissing als onderwerp heeft, ziet art. 150 Rv op de vraag wie tot bewijslevering kan worden toegelaten. Anders gezegd: op wie rust de stelplicht en de bewijslast?
Uitspraak 11‑10‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/05115
Datum 11 oktober 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 28 oktober 2021, nr. 20/005281., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 19/4703) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2014 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Belanghebbende heeft in 2008 een perceel grond gekocht met de bedoeling daarop een pand te (laten) bouwen. Het pand zou voor twee derde deel bestaan uit woonruimte en voor een derde deel uit kantoorruimte. Voor de aankoop van de grond en de bouw van het pand heeft belanghebbende bij een bank geldleningen afgesloten voor een bedrag van in totaal € 437.000 (hierna tezamen: de geldleningen). In 2009 is een aanvang gemaakt met de bouw van het pand op het perceel grond (hierna worden perceel en pand, al of niet in aanbouw, tezamen ook aangeduid als: de onroerende zaak).
2.1.2
Vanaf april 2010 kon belanghebbende niet langer voldoen aan zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van de geldleningen. Daarom heeft de bank op 3 november 2010 de geldleningen opgezegd. De onroerende zaak is in 2014 geveild voor een bedrag van € 42.000.
2.1.3
In verband met de hiervoor beschreven ontwikkelingen rond de onroerende zaak heeft belanghebbende in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2014 een negatief buitengewoon resultaat van € 4.799 als winst uit onderneming vermeld en een negatief resultaat uit overige werkzaamheden van € 166.000. Bij het vaststellen van de aanslag in de IB/PVV voor dat jaar heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de onroerende zaak moet worden aangemerkt als privévermogen van belanghebbende. Om die reden heeft hij de hiervoor genoemde bedragen niet in aftrek toegelaten.
2.2.1
Het Hof heeft vooropgesteld dat het “voor zover nodig veronderstellenderwijs” ervan zal uitgaan dat belanghebbende zich in 2008 is gaan bezighouden met de ontwikkeling van het perceel grond en dat die activiteiten – kort te omschrijven als het tot stand brengen van een gebouw op dat perceel – kwalificeren als onderneming dan wel het verrichten van werkzaamheden in fiscale zin. Beoordeeld naar het tijdstip, althans de periode, van het begin van deze activiteiten, is naar het oordeel van het Hof voldaan aan de vereisten voor het bestaan van een bron van inkomen.
2.2.2
Vervolgens heeft het Hof geoordeeld dat uit de kwalificatie van de activiteiten van belanghebbende als bron van inkomen niet zonder meer volgt dat het door hem in privé verworven perceel grond als verplicht ondernemingsvermogen dient te worden aangemerkt en dat de kwalificatie van het perceel in de aangiften voor de IB/PVV voor de jaren 2008 tot en met 2012 als privévermogen op een etiketteringsfout zou berusten. Nu belanghebbende in afwijking van de door hem voor de jaren 2008 tot en met 2012 ingediende aangiften voor de IB/PVV stelt dat het perceel als verplicht ondernemingsvermogen moet worden aangemerkt, rust de bewijslast van deze stelling op hem. Feiten en omstandigheden op grond waarvan een zodanig nauw verband tussen de werkzaamheden en het perceel aannemelijk is te achten dat op grond daarvan zou moeten worden geconcludeerd dat het perceel – in plaats van als keuzevermogen – als verplicht ondernemings- dan wel werkzaamheidsvermogen zou moeten worden aangemerkt, zijn naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt.
2.3.1
De middelen 1, 4, 5 en 6 richten zich onder meer tegen het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel dat het perceel grond in de jaren 2008 tot en met 2012 niet is aan te merken als verplicht ondernemings- dan wel werkzaamheidsvermogen.
2.3.2
Tot het verplichte ondernemings- of werkzaamheidsvermogen behoren vermogensbestanddelen die in een zodanig nauw verband staan met de onderneming dan wel de werkzaamheid dat zij in redelijkheid niet anders dan als ondernemingsvermogen onderscheidenlijk werkzaamheidsvermogen kunnen worden aangemerkt.
2.3.3
Het Hof is “voor zover nodig veronderstellenderwijs” ervan uitgegaan dat de onderhavige activiteiten van belanghebbende – die uitsluitend bestonden uit de ontwikkeling van het perceel grond door daarop een woon-/werkpand te (laten) bouwen, met de intentie de onroerende zaak vervolgens met winst te verkopen – vanaf 2008 moeten worden aangemerkt als een onderneming dan wel als een werkzaamheid in de zin van artikel 3:91 Wet IB 2001.Bij dat uitgangspunt heeft te gelden dat het perceel grond volledig dienstbaar is aan de door belanghebbende gedreven onderneming dan wel de door hem uitgeoefende werkzaamheid. Die omstandigheid brengt mee dat de grenzen der redelijkheid zouden worden overschreden indien dit vermogensbestanddeel tot het privévermogen zou worden gerekend. Gegeven het door het Hof gebezigde uitgangspunt kan het perceel grond dus niet anders dan als ondernemingsvermogen dan wel werkzaamheidsvermogen worden aangemerkt.Het hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordeel van het Hof dat het perceel grond als keuzevermogen moet worden aangemerkt, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De middelen 1, 4, 5 en 6 slagen in zoverre.
2.4
De middelen 2 en 3, die betogen dat het Hof de bewijslast onjuist heeft verdeeld respectievelijk dat het Hof belanghebbende ten onrechte niet de gelegenheid heeft gegeven voor nadere bewijslevering, en middel 8, dat zich richt tegen het door het Hof gegeven oordeel over het zorgvuldigheidsbeginsel, kunnen niet leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De overige klachten van de middelen 1, 4, 5 en 6, en middel 7, behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen. Opmerking verdient dat het verwijzingshof alsnog de vraag zal moeten beantwoorden of de hiervoor in 2.3.3 bedoelde activiteiten van belanghebbende zijn aan te merken als een onderneming dan wel een werkzaamheid.
3. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 134 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 11‑10‑2024