Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/4.5.3
4.5.3 Het enquêterecht
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS386110:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik beperk me in deze paragraaf tot de concernenquête voor vakbonden. Zie over de concernenquête voor aandeelhouders de beschikking van de Hoge Raad inzake Landis. Hoge Raad 4 februari 2005, NJ 2005, 127,JOR 2005/58 (Landis); P.G.F.A. Geerts, De concernenquête na HR4 februari 2005 (Landis), Ondernemingsrecht, 2006,145.
Ondernemingskamer 16 april 1987, NJ 1988,183 (Stolk).
SER-advies 1989/21, p. 12-13. De SER beperkte zich daarbij tot twee concrete situaties. Kort gezegd had de SER voor ogen: (i) de situatie dat de leden van de vakbond in dienst zijn van een personeels-BV, maar feitelijk werkzaamheden verrichten bij een werkmaatschappij en (ii) de situatie dat de vakbond een enquête wenst te entameren bij de moedervennootschap.
(Ondernemingskamer 17 maart 1994, NJ 1995, 408 (Janssen Pers). Volgens IJsselmuiden gaat de (Ondernemingskamer in deze zaak wel veel verder dan de voorbeelden die in de wetsgeschiedenis zijn genoemd TVVS 1994-6.
(Ondernemingskamer 18 mei 2004, ARO 2004, 74, JOR 2004/195 (Esteves).
Zo ook de Minister van Justitie in het wetsvoorstel tot aanpassing van het enquêterecht: Kamerstukken II 2010-2011, 32887, nr. 3, p. 9.
P.G.F.A. Geerts, Enkele formele aspecten van het enquêterecht, Deventer: Kluwer 2004, p. 120-121.
SER-advies 08/01, p. 56.
Toelichting bij het wetsvoorstel aanpassing enquêterecht, p. 9.
Vakorganisaties hebben de bevoegdheid een enquête te entameren bij een vennootschap in wier onderneming zij leden hebben. In concernverhoudingen kan het wenselijk zijn dat het enquêteonderzoek zich ook uitstrekt over andere groepsmaatschappijen, zoals die van de moedervennootschap die feitelijk het beleid bepaalt, of die van een zustervennootschap voor wie de werknemers in dienst van een personeels-BV feitelijk werken. Nu de wet voor het enquêterecht van vakorganisaties aanknoopt bij de lidmaatschapsverhouding van de werknemers, is het niet altijd mogelijk een enquêteverzoek te gelasten bij alle groepsmaatschappijen.1 Het beleid van de moedervennootschap als aandeelhouder kan onderdeel uitmaken van het enquêteonderzoek bij de dochter. De Ondernemingskamer kan ook besluiten dat de onderzoekers de boeken, bescheiden en gegevensdragers van nauw verbonden rechtspersonen kunnen inzien (art. 2:351 BW). Beide mogelijkheden leiden er echter niet toe dat de moedervennootschap (of andere groepsmaatschappij) als een zelfstandig subject van het onderzoek wordt aangemerkt en dat ten aanzien van deze vennootschap voorzieningen kunnen worden getroffen.
Aanvankelijk achtte de Ondernemingskamer een dergelijke ‘doorbraak van de enquêtebevoegdheid’ niet mogelijk.2 Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de SER in 1989 geadviseerd het enquêterecht uit te breiden in concernsituaties,3 wat niet heeft geleid tot een aanpassing van de wet. De minister heeft bij de parlementaire behandeling van de wijziging van het enquêterecht in 1994 wel enige aandacht besteed aan dit probleem.
Hij overweegt:
“Naar het mij voorkomt zou een interpretatie van de wet in deze zin, dat onder omstandigheden onder rechtspersoon mede mag worden begrepen de rechtspersoon die als moedermaatschappij het beleid en de gang van zaken in de rechtspersoon waar de leden van de een enquête verzoekende vakorganisatie werkzaam zijn, geheel of in de belangrijke mate bepaalt, volkomen beantwoorden aan de bedoeling die de wetgever met het enquêterecht voor ogen heeft gehad. Een dergelijke interpretatie komt niet in strijd met de letter van de wet en kan in ieder geval worden beschouwd overeen te stemmen met de geest waarin de opstellers hebben gewerkt.”4
Naar aanleiding van deze passage in de wetsgeschiedenis is vervolgens jurisprudentie ontstaan. Hierin werd de vakbond wel ontvankelijk geacht ten aanzien van groepsvennootschappen van de vennootschap in wier onderneming zij leden heeft. Zo oordeelde de Ondernemingskamer in Janssen Pers dat een vakbond ontvankelijk is in een enquêteprocedure ten aanzien van vier rechtspersonen die als het ware één onderneming vormden, waarvoor ook een gemeenschappelijke or was ingesteld.5 Uit de zaak-YVC volgt dat tevens van belang is dat de holding (of andere concernvennootschap) beslissende invloed uitoefent. In die zaak was een concernenquête naar het oordeel van de Ondernemingskamer gerechtvaardigd, omdat zij constateerde dat het hier de vakbonden waren die mogelijk wanbeleid aan de kaak wilden stellen. Dit wanbeleid ging volgens hen over het beëindigen van de ondernemingsactiviteiten waarop de holding beslissende invloed had. Uit de beschikking inzake Esteves volgt vervolgens dat het onderzoek zich in een dergelijk geval alleen uitstrekt over het beleid van de holding, voorzover dat beleid en de gang van zaken verband houden met de beschuldiging door de vakbonden van wanbeleid bij de dochtervennootschap (i.c. ook het beëindigen van de productieactiviteiten).6 De positionering van de holding gaf daarbij mede aanleiding voor gegronde redenen om te twijfelen aan juist beleid (en later wanbeleid).
Naar aanleiding van deze jurisprudentie wordt in het algemeen aangenomen dat een vakbond met leden bij de dochtervennootschap een zelfstandig enquêterecht bij de moedervennootschap heeft indien: (i) de moeder overheersende zeggenschap heeft en (ii) die moeder met die overheersende zeggenschap verder gaat in de beleidsbepaling dan een zuiver aandeelhouder.7 Geerts voegt hieraan toe dat sprake moet zijn van gegronde redenen om te twijfelen aan juist beleid bij de vennootschap tot wie het enquêteverzoek zich richt. Bij de moedermaatschappij moet dus aan de norm van art. 2:350 BW worden voldaan.8 In 2008 heeft de SER wederom voorgesteld het in de jurisprudentie van de Ondernemingskamer ontwikkelde concernenquêterecht in de wet te verankeren voor vakorganisaties die leden hebben die werkzaam zijn bij de dochtervennootschap en minstens 25% van het aantal werknemers binnen het gehele concern in Nederland werkzaam is.9 Dit is niet overgenomen bij de herziening van het enquêterecht per 1 januari 2013. Naar de mening van de minister verhouden de vereisten die de SER aan een concernenquête stelt zich niet tot de beginselen van territorialiteit en legitimiteit. Uit de toelichting bij het wetsvoorstel leid ik af dat de minister een concernenquête rechtvaardig acht indien de besluiten op het niveau van de moedermaatschappij gevolgen hebben voor de dochtervennootschap. Daarnaast moet sprake zijn van enige relevante representatie van de vakorganisatie in het concern(deel) waarop het enquêteverzoek betrekking heeft.10
Een interessante vraag is of de or van een dochtervennootschap een – aan hem bij ondernemingsovereenkomst toegekend – enquêterecht ook kan uitoefenen jegens de moedervennootschap die feitelijk het beleid bepaalt. Uit de zaak-Smit Transformatoren volgt in ieder geval dat het onderzoek zich over het beleid van de moedervennootschap kan uitstrekken voor zover zij als aandeelhouder het beleid van de dochter heeft bepaald. Of de or ook ontvankelijk is wanneer hij een zelfstandig enquêteverzoek jegens de moedervennootschap doet, betwijfel ik. Het gaat hier immers niet om een wettelijk enquêterecht. Het gaat mijns inziens te ver dat het bestuur van de dochtervennootschap bij ondernemingsovereenkomst het enquêterecht kan toekennen ten aanzien van andere concernmaatschappijen.