De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/2.5.3:2.5.3 Vertegenwoordiging en bestuur
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/2.5.3
2.5.3 Vertegenwoordiging en bestuur
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS388258:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Stengel 2009, p. 150. Bij de GbR geldt de hoofdregel dat de vennoten gezamenlijk vertegenwoordigingsbevoegd zijn.
Windbichler 2009, p. 141.
Windbichler 2009, p. 144.
Stengel 2009, p. 143; Schmidt 2011, § 126, aant. 6.
Stengel 2009, p. 150.
Windbichler 2009, p. 129.
§ 709, 714 BGB en 114 HGB; Stengel 2009, p. 146-147 en 157.
Toen de Rechtsfähigkeit van de GbR nog niet was erkend, werd aangenomen dat de GbR zelf niet aansprakelijk was voor schulden. Zie Stengel 2009, p. 144.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Iedere vennoot in de OHG is afzonderlijk vertegenwoordigingsbevoegd, tenzij hij in de vennootschapsovereenkomst van vertegenwoordiging is uitgesloten (§ 125 Abs. 1 HGB).1 In de vennootschapsovereenkomst kan ook bepaald worden dat alle of meer vennoten slechts gezamenlijk vertegenwoordigingsbevoegd zijn (Gesamtvertretung, § 125 Abs. 2 HGB) en/of dat een afzonderlijke vennoot alleen tezamen met een Prokurist de vennootschap kan vertegenwoordigen (§ 125 Abs. 3 HGB).2 Dergelijke regelingen moeten, om werking jegens derden te hebben, in het handelsregister worden ingeschreven. Wie vertegenwoordigingsbevoegd is, al dan niet gezamenlijk met anderen, is dat in beginsel onbeperkt: hij kan onder andere gerechtelijke en buitengerechtelijke rechtshandelingen verrichten en volmachten verlenen en weer intrekken (§ 126 Abs. 1 en 2 HGB).3 Beperkingen tot bijvoorbeeld een bepaald bedrag of bepaalde handelingen hebben geen werking jegens derden en ook het doel van de OHG beperkt de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet (m.a.w.: de omvang van de vertegenwoordigingsbevoegdheid kan niet met werking jegens derden ingeperkt worden).4 Wél kunnen de vennoten die gezamenlijk vertegenwoordigingsbevoegd zijn een of meer onder hen volmacht verlenen om bepaalde rechtshandelingen te verrichten (§ 125 Abs. 2 HGB). Hiervoor gelden de gewone regels van volmacht; de volmacht kan bijvoorbeeld beperkt zijn tot een bepaalde handeling en bij overtreding van de volmacht is de OHG niet gebonden, behoudens onder andere de gewekte schijn van volmacht.
Iedere vennoot is bestuursbevoegd en –verplicht ten aanzien van alle handelingen die de normale bedrijfsvoering met zich brengt, tenzij het bestuur in de vennootschapsovereenkomst aan één of enkele van de vennoten is opgedragen (§ 114 en 116 HGB).5 Als meer vennoten bestuursbevoegd zijn, dan zijn zij dit allen zelfstandig, tenzij de vennootschapsovereenkomst bepaalt dat zij dit slechts gezamenlijk zijn. Zijn de vennoten afzonderlijk bestuursbevoegd, maar een besturende vennoot spreekt een door een andere besturende vennoot voorgenomen handeling tegen, dan moet van die handeling worden afgezien (§ 115 HGB). Een vennoot heeft, onder het motto ‘Niemand kan rechter zijn in eigen zaak’, geen stemrecht bij besluiten over het afnemen van zijn eigen vertegenwoordigingsbevoegdheid of zijn bestuursmacht.6 Bij tegenstrijdig belang tussen vennoot en vennootschap geldt ten aanzien van de vennoot een stemverbod (§ 712 Abs. 1, 715 en 737 BGB). Het bestuur, of in elk geval de uitoefening van beslissende invloed, mag niet aan derden opgedragen worden (het dwingende principe van Selbstorganschaft).7 De bestuursbevoegdheid kan wel aan derden gedelegeerd worden, maar niet met uitsluiting van bestuursbevoegdheid van de vennoten. De achtergrond van de regel van Selbstorganschaft is de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten voor de verbintenissen van de OHG.8 In de Nederlandse personenvennootschapswetgeving is overigens geen rekening gehouden met derdenbestuurders, terwijl het wel mogelijk is dat het bestuur van een VOF aan uitsluitend derden wordt opgedragen. Men kan zich afvragen of de wet voor een dergelijk geval zou moeten voorzien in een vetorecht zoals dat is neergelegd in art. 7A:1676 BW. Tegen een vetorecht pleit de contractsvrijheid van vennoten: vennoten zijn vrij om te regelen hoe ver de bestuurs- en vertegenwoordigingsbevoegdheid reiken.