Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/8.9
8.9 Conclusie
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS457698:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het parlement liep daarmee in het geval van het EFSM en de EFSF vooruit op een suppletoire begroting. Dit was niet het geval bij het ESM, omdat de behandeling van de goedkeuringswet bij het ESM-verdrag werd samengevoegd met die van de incidentele suppletoire begroting die vanwege het ESM werd ingediend. In zoverre ging het bij het EFSM en de EFSF niet om het bij wet mede vaststellen van begrotingen door het parlement, zoals in dit proefschrift het formele budgetrecht is gedefinieerd. Vanwege bovengenoemde redenen biedt de parlementaire behandeling van deze stappen van Europese integratie mijns inziens desalniettemin aanknopingspunten voor een formele interpretatie van het budgetrecht.
In dit hoofdstuk is ingegaan op de Europese steunmaatregelen die naar aanleiding van de crisis zijn genomen en op de parlementaire behandeling daarvan. Verder is aandacht besteed aan enkele juridische geschilpunten hierover, zoals de verenigbaarheid van deze maatregelen met de no bail out-clausule van artikel 125 VWEU en de rechtmatigheid van ECB-besluiten die tijdens de eurocrisis zijn genomen.
Uit het voorgaande blijkt dat de regering en de Staten-Generaal aan het budgetrecht een meer formele interpretatie hebben gegeven met betrekking tot de in dit hoofdstuk besproken Europese maatregelen. Zowel bij de tijdelijke Europese noodfondsen bestaande uit het EFSM en de EFSF als bij het permanente ESM had het parlement slechts op één moment de mogelijkheid om (ook alle eventuele toekomstige) overheidsuitgaven in dat kader af te keuren, namelijk bij de besluitvorming over deze fondsen.1 De inzet van de noodfondsen zou weliswaar aan het parlement worden voorgelegd, zoals voor het ESM ten aanzien van de Tweede Kamer in het informatieprotocol was geregeld, maar de Kamers hebben met de goedkeuring van de fondsen de zeggenschap over concrete overheidsuitgaven op dit terrein uit handen gegeven. Zij hebben geen instemmingsrecht bij individuele steunverzoeken en hebben daardoor geen zeggenschap over de landen waaraan hulp wordt verleend, de bedragen waarmee dat gebeurt en de voorwaarden waaronder die steun vorm krijgt. Regering en Staten-Generaal kozen daarmee mijns inziens ook ten aanzien van deze stappen van Europese integratie voor een formele benadering van het budgetrecht.