De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.5:VI.5 Synthese
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.5
VI.5 Synthese
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373746:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aldus Van Solinge in zijn noot onder Rb. Rotterdam 10 mei 2001, JOR 2001/144 (Van der Weijde/ ES1).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De belangrijkste reden waarom er in de praktijk zo weinig gebruik wordt gemaakt van de uitstoting of uittreding, is de lange duur van de procedure. De wettelijke geschillenregeling kent een ingewikkelde dagvaardingsprocedure. Aanpassing en vereenvoudiging van de procedurele regels zijn dus noodzakelijk om de geschillen-regeling adequaat te laten functioneren.
De wettelijke geschillenregeling is 'in procesrechtelijk opzicht een raar beestje'.1 De regeling is van dwingend recht, maar een eigen regeling in de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst gaat voor. Dit subsidiaire karakter komt in art. 2:337 BW en art. 337 Flex-BV prominent naar voren. De eigen regeling mag materiële en formele afwijkingen van de wettelijke regeling behelzen. Lid 2 van art. 337 FlexBV is mijns inziens overbodig, maar noemt bij wijze van helpende hand niet-uitputtend op drie processuele afwijkingsmogelijkheden.
De geschillenregeling is een dagvaardingsprocedure. Samen met veel schrijvers in de literatuur pleit ik echter voor een verzoekschriftprocedure. Deze procedure is met voldoende waarborgen omkleed. Voor een goed functionerende geschillenregeling is een spoedige verkrijging van een oplossing en een uitspraak geboden. De verzoekschriftprocedure past beter bij dit doel dan een dagvaardingsprocedure. De verzoekschriftprocedure heeft daarnaast een aantal belangrijke voordelen. De positie van de vennootschap is niet langer onduidelijk, omdat de wet haar eenvoudig als belanghebbende kan aanmerken. Ingewikkelde voegings- en tussenkomstvraagstukken blijven achterwege. Ook de incidentele vorderingen tot oproeping in vrijwaring of voeging van nog niet in het geding verschenen aandeelhouders, zijn van de baan. De verzoekende aandeelhouder dient in zijn verzoekschrift de namen en adressen van alle aandeelhouders en de vennootschap te vermelden. Zij zijn vervolgens allen belanghebbenden en hebben de kans hun eigen positie in de procedure te kiezen.
Vereenvoudiging is mijns inziens onvermijdelijk als de procedure een dagvaardingsprocedure blijft. De procedure vindt nu nog plaats in twee feitelijke instanties. Ook op dit punt sluit ik me aan bij het gros van de schrijvers die menen dat één feitelijke instantie in verband met de gewenste snelle uitweg voldoende is. Ik pleit er voor de wettelijke geschillenregeling in eerste en enige instantie onder te brengen bij de OK. Dit geldt overigens zowel voor de situatie waarin zij een verzoekschrift-procedure wordt, als het geval waarin de wetgever vasthoudt aan de dagvaardingsprocedure.
De geschillenregeling bestaat uit twee fases. De eerste fase eindigt met een vonnis waarin de rechter tot toewijzing van de vordering besluit. De tweede uitspraak bevat — na het uitbrengen van een deskundigenbericht — het bevel tot overdracht tegen de daarin genoemde prijs. De twee vonnissen dienen onherroepelijk te zijn, uitvoerbaarverklaring bij voorraad is niet toegestaan. Dit volgt uit art. 2:339 lid 1 BW (jo. art. 2:343 lid 1 BW voor de uittreding) voor het eerste vonnis, en uit art. 2:341 lid 1 (of 2:343 lid 3) BW voor het tweede. Het vereiste van onherroepelijkheid van de twee uitspraken leidt mijns inziens tot onnodige vertraging. Ik wijs op het succes van de Belgische regeling, waarin uitvoerbaarverklaring bij voorraad toegestaan is. Mijn conclusie luidt dat uitvoerbaarheid bij voorraad ook in de Nederlandse geschillenregeling mogelijk moet zijn. Ik stel voor niet alleen de eis van onherroepelijkheid te schrappen, maar tevens hoger beroep van het eerste vonnis eerst toe te staan bij het tweede eindvonnis. De wijzigingen in het wetsvoorstel Flex-BV sluiten hierbij aan. Art. 339 lid 1 Wv Flex-BV bepaalt dat tussentijds hoger beroep in beginsel is uitgesloten. De uitspraken zijn allen uitvoerbaar bij voorraad. De gevolgen van een vernietigd vonnis waaraan reeds gehoor was gegeven, zijn opgenomen in art. 341a (jo. 343b Wv Flex-BV voor de uittreding).
De vonnissen van de geschillenregeling leiden tot een dubbele veroordeling. De eisende aandeelhouder in een uitstotingsprocedure krijgt ex art. 2:340 lid 2 BW het bevel de aandelen te nemen en te betalen. Het vonnis in de uittredingsprocedure houdt op grond van de laatste zin van art. 2:343 lid 1 BW voor de eisende aandeelhouder het bevel tot levering in. Ik acht het omwille van de duidelijkheid wenselijk dat deze bevelen expliciet in het dictum staan. De dubbele veroordeling luidt in het wetsvoorstel Flex-BV overigens voor de uitstoting (art. 340 lid 4 FlexBV) en de uittreding (art. 343 lid 5 Flex-BV) niet identiek. De tekst van laatstgenoemd artikel laat minder ruimte voor interpretatie. Art. 340 lid 4 Flex-BV dient mijns dus herschreven te worden in de zin van art. 343 lid 5 Wv Flex-BV.
Uit de praktijk blijkt dat de aparte regels van de geschillenregeling eerder voor verwarring en verkeerde proceshandelingen zorgen, dan voor verduidelijking en versnelling. Ik pleit er voor de bepalingen die afwijken van de commune burgerlijk procesrechtregels — voor het overgrote deel opgenomen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering — te schrappen, indien zij niet leiden tot een versnelling van de procedure.
Ik wijs ten eerste op de overbodige regeling van art. 2:336 lid 4 BW (jo. art. 2:343 lid 1 BW voor de uittreding). De mogelijkheid een schikking te beproeven, heeft de rechter reeds op grond van algemeen burgerlijk procesrechtelijke regels, zie art. 131 jo. 87 Rv. Ik betoog dan ook dat art. 2:336 lid 4 BW moet worden geschrapt. De tweede regeling betreft de schorsing van het stemrecht, opgenomen in art. 2:339 lid 2 BW (jo. art. 2:343 lid 1 BW voor de uittreding). Met het treffen van een onmiddellijke voorziening ex art. 223 Rv kan hetzelfde resultaat bereikt worden. De wetgever komt in het wetsvoorstel Flex-BV tot dezelfde conclusie. Art. 338 lid 3 Wv Flex-BV bevat een verwijzing naar art. 223 Rv. De schorsing van het stemrecht van art. 2:336 lid 4 BW kan eveneens worden geschrapt. De overbodige procedure van art. 2:341 lid 7 BW (en art. 2:343 lid 9 BW voor de uittreding) vervolledigt de te schrappen trits. Deze extra bepaling over geschillen bij de uitvoering van de regeling kan eerder aanleiding tot meer strijd geven. De overdracht en de betaling van de aandelen kunnen bovendien eenvoudiger. Ik verwijs naar de synthese in § V.S.
Het her en der opnemen van speciale procesrechtelijke regels verdient niet de schoonheidsprijs. Ik vind het groeperen van de speciale incidentele vorderingen (zoals die van art. 2:343 lid 2 BW) in één artikel nuttig. De positie van de vennootschap kan ook in dit artikel onderdak vinden. Zij is 'een derde met een belang'. Ik wijs erop dat de vennootschap in het wetsvoorstel Flex-BV een 'gewone partij' is, indien de uittredingsvordering tegen haar is ingesteld. Ook is de gedwongen tussenkomst van de niet-gedagvaarde aandeelhouder ex art. 343 lid 2 Flex-BV niet langer een incidentele vordering.
Een bijzonder incident betreft het geven van rechterlijke toestemming voor de vervreemding van de aandelen ingevolge art. 2:338 lid 1 BW (jo. art. 2:343 lid 1 BW voor de uittreding). In dit artikel is eveneens het verbod tot het vestigen van een vruchtgebruik of pandrecht opgenomen, tenzij de gedaagde aandeelhouder permissie verkrijgt. Ik betoog dat dit verbod te ruim is geformuleerd. Slechts indien met het vestigen van de beperkte rechten het stemrecht per direct overgaat, is toestemming vereist.
Het is bovendien overzichtelijker indien de bepalingen uit art. 997a Rv in de afdeling van de wettelijke geschillenregeling in boek 2 BW staan. Verplaatsing is geboden. Tot slot merk ik op dat de toevoeging van het woord 'uitsluitend' in art. 336 lid 3 Flex-BV leidt tot verwarring. Het woord kan mijns inziens (weer) worden verwijderd.
Wat is nu de slotsom van dit hoofdstuk? Het wetsvoorstel Flex-BV brengt volgens mij helaas niet de noodzakelijke verbeteringen ter versnelling van de procedure. Mijn belangrijkste bezwaar is dat de geschillenregeling niet als een verzoekschrift-procedure met de OK als eerste en enige feitelijke instantie is vormgegeven. Ook een aantal procesrechtelijke voetangels en klemmen is ten onrechte niet uit de weg geruimd. Het motief voor de summiere aanpassingen — het wetsvoorstel richt zich in de eerste plaats op de aanpassing van het BV-recht — zorgt voor deze 'gemiste kans'. Ik betreur dit.