Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.2.3
2.3 De begrippen ‘declaratief’ en ‘translatief’
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948160:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 611; Parl. Gesch. Boek 3 BW (TM), p. 618; Parl. Gesch. Boek 3 BW (L.v.Vr. II Inv.), p. 1299; Parl. Gesch. Boek 3 BW (L.v.Antw. II Inv.). p. 1299; Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 7, p. 3-4 en Kamerstukken II 1982/83, 17 779, nr. 8, p. 14.
Zie Sikkema, Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018, p. 18-19; Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel 1996, p. 65-67; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 308-309 en Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties – Overdracht 2019/290. Zie ook de vragen uit het voorlopig verslag van de Vaste Commissie voor Justitie in het kader van de behandeling van de vaststelling en invoering van de Titels 7.7 (Opdracht) en 7.15 (Vaststellingsovereenkomst) van het nieuwe Burgerlijk Wetboek waar de Commissie stelt dat de naar haar mening soms wat verwarrende discussie over het rechtskarakter van de verdeling in belangrijke mate is te wijten aan het telkens op verschillende wijzen inhoud geven aan de termen ‘translatief’ en ‘declaratief’, en dat de discussie hierover bij de vaststellingsovereenkomst kan worden voorkomen door een duidelijk standpunt van de minister met betrekking tot de inhoud van deze begrippen. Zie Kamerstukken II 1990/91, 17 779, nr. 7, p. 4. De minister voelde daar echter niet voor, omdat het geen wettelijke termen betreft, maar slechts termen die in de literatuur zijn gebezigd en waarvan ‘de omlijning moeilijk anders dan aan de wetenschap overgelaten kan worden’. Zie Kamerstukken II 1991/92, 17 779, nr. 8, p. 14.
In navolging van Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties – Overdracht 2019/290.
Zie in die zin A.S. Hartkamp, Compendium van het vermogensrecht voor de rechtspraktijk 2005/148 en Jac. Hijma & M.M. Olthof, Compendium van het Nederlands vermogensrecht 2017/204. Zie daartegen ook Heyman, Bartels & Tweehuysen, Vastgoedtransacties – Overdracht 2019/290.
215. Bij de duiding van het rechtskarakter en de werking van de verdeling worden in de literatuur regelmatig de begrippen ‘declaratief’ en ‘translatief’ gebruikt. Deze begrippen komen ook in de parlementaire geschiedenis voor.1 Het lastige van deze begrippen is dat deze niet altijd op dezelfde wijze worden gebruikt, en dat hieronder niet altijd hetzelfde wordt verstaan.2 Volgens mij is het gebruik van deze begrippen alleen zinvol en voldoende onderscheidend wanneer men met de declaratievewerking van de verdeling bedoelt dat de verdeling per saldo als een verkrijging uit handen van de gemeenschappelijke rechtsvoorganger van de deelgenoten moet worden beschouwd, en voor wat betreft haar verkrijgingstitel dus niet als een verkrijging krachtens een zelfstandige titel, en men met de translatieve werking van de verdeling bedoelt dat de verkrijging krachtens verdeling als een verkrijging uit handen van de gezamenlijke deelgenoten moet worden beschouwd, en dus als een verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’.3 In het vervolg van dit hoofdstuk zullen deze termen dan ook op die manier worden gebruikt. Daarmee wordt dus niet de opvatting gevolgd dat reeds het enkele leveringsvereiste van artikel 3:186 lid 1 BW ertoe zou leiden dat de verdeling translatief van aard is.4 Dat leveringsvereiste kan immers ook uitsluitend dienen om aan de declaratieve verkrijging krachtens verdeling voldoende publiciteit te geven. Dat voor de overgang van het aan ieder van de deelgenoten toegedeelde een levering is vereist, hoeft dus nog niet te betekenen dat de verkrijging krachtens verdeling als een overdracht uit handen van de gezamenlijke deelgenoten kwalificeert en dus ‘translatief’ van aard is.