Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen
Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/9.5:9.5 Beantwoording van de hoofdvraag
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/9.5
9.5 Beantwoording van de hoofdvraag
Documentgegevens:
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS611857:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van de analyse van het ETS in onderdelen I, II en III kan de hoofdvraag worden beantwoord. De centrale vragen van dit onderzoek waren:
Op welke wijze wordt het ETS in Nederland geïmplementeerd en hoe functioneren de toewijzing en de handel in broeikasgasemissierechten in het Nederlandse omgevingsrecht?
Op welke wijze wordt in het kader van de verlening van omgevingsvergunningen voor milieuactiviteiten (inrichtingen), de coördinatie tussen het ETS en de Richtlijn IE toegepast?
Doen zich bij de implementatie of de toepassing van het ETS - mede bezien in relatie tot de Richtlijn IE - knelpunten voor waardoor Nederland de Europese doelstelling op het gebied van het tegengaan van broeikasgasemissies onvoldoende realiseert, dan wel beter zou kunnen realiseren, en zo ja, welke oplossingen zijn denkbaar?
Onderdelen 1) en 2) zijn daarbij in onderdelen II en III uitgewerkt. Onderdeel 3) moet worden beantwoord aan de hand van de conclusies van onderdelen I, II en III.
Uit de analyse in onderdeel I volgt dat er geen (noemenswaardige) knelpunten van de Richtlijn ETS in het licht van het internationaal recht en het VEU en VwEU bestaan. Derhalve wordt in dit onderzoek aangenomen dat de Richtlijn ETS in zoverre rechtsgeldig is. Dit is relevant, immers daar waar het ETS zelf in strijd zou zijn met hoger recht, zou een strijdigheid van de Nederlandse implementatie met het ETS in zoverre geen zelfstandige betekenis meer hebben.
Uit onderdelen II en III blijkt dat Nederland zowel in wetgeving (formeel) als in de uitvoering (materieel) op onderdelen in strijd handelt met de Richtlijn ETS en de daarbij behorende uitvoerregelingen van de Commissie. Veel van deze knelpunten kunnen met een richtlijnconforme interpretatie voor de uitvoeringspraktijk worden opgelost (al blijft er dan formeel wel een verplichting bestaan de Richtlijn alsnog correct te implementeren). Enkele onderdelen zijn evenwel niet richtlijnconform te interpreteren en bovendien hebben enkele onderdelen al geleid tot materiële gebreken in de uitvoering van het ETS in Nederland. Deze materiële gebreken hangen met name samen met het verschil tussen de begrippen ‘inrichting’ en ‘installatie’ en de wijze waarop het begrip ‘broeikasgasinstallatie’ bij een opdeling van een inrichting ten behoeve van een kosteloze toewijzing wordt uitgelegd. In mindere mate speelt het verschil tussen deze begrippen ook een rol bij de monitoring van emissies. Immers, uit het feit dat bij een opdeling van een inrichting in broeikasgasinstallaties emitterende eenheden die buiten de BKG’s vallen bij BKG’s moeten worden ondergebracht, volgt dat buiten het ETS vallende emitterende eenheden onterecht bij het ETS worden betrokken. Zowel bij de monitoring op het niveau van de inrichting, als bij monitoring op het niveau van de BKG in geval van een opsplitsing, worden daardoor mogelijk activiteiten en emissies tot het ETS gerekend die hier niet onder horen te vallen. Hierdoor worden mogelijk onterecht emissierechten toegekend. Deze uitvoering werkt derhalve in het nadeel van buitenlandse installaties. Tevens leidt dit tot een hogere administratieve last voor de Nederlandse inrichtingen, nu mogelijk meer activiteiten moeten worden gemonitord. De toewijzingsbesluiten die ten gevolge van de materiële gebreken in strijd met het EU-recht zijn genomen en formele rechtskracht hebben, zijn niet meer terug te draaien.