Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/36.6
36.6 Een kniesoor….?
mr. dr. A. Klap, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. A. Klap
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dan had de Afdeling natuurlijk niet tot haar uitspraak kunnen komen, maar ik denk dat er voldoende zaken zijn die zich hadden geleend voor de relativerende overwegingen inzake bijzondere omstandigheden.
Zie hierover uitgebreider mijn noot bij de uitspraak in Gst. 2017/37.
Hoe zo’n toetsing ‘van’ beleidsregels er uit dient te zien, heb ik beschreven in ‘Rechterlijke toetsing van en aan beleidsregels’, JBplus 2002/2, p. 20-23. Deze toetsing is m.i. vergelijkbaar met de exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften, zoals die door Widdershoven wordt voorgestaan in ABRvS 22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3557.
Het probleem dat daarmee gepaard gaat, is dat elke afwijking van een beleidsregel een precedent is dat weer tot nieuw beleid leidt. Beleid dat in de meeste gevallen niet kenbaar is (want niet bekendgemaakt) en in strijd met de beleidsregel.
Een indicatie daarvoor zijn de vele uitspraken, waarin de rechter concludeert dat een bestuursorgaan ten onrechte van zijn beleidsregel is afgeweken, omdat er van bijzondere omstandigheden geen sprake is. Vaak blijkt dan dat het beleid gedateerd of onvoldoende uitgewerkt of doordacht is. Zie bijv. ABRvS 19 mei 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO9703; ABRvS 30 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU6350 en ABRvS 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1283.
Zie ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3950 en ABRvS 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1421.
Ondanks alle waardering voor bovenstaande uitspraak heb ik toch enkele kritische kanttekeningen: de uitspraak focust naar mijn oordeel te veel op wat ik ‘toetsing aan de achterdeur’ noem. Gekeken wordt of van de beleidsregel moet worden afgeweken op grond van bijzondere omstandigheden. Dat betekent dat al vaststaat dat 1) de beleidsregel van toepassing is, en 2) deze ook rechtmatig is. Maar is dat eigenlijk wel reëel getoetst? Gelet op de casus die aan de uitspraak ten grondslag ligt, waag ik dat te betwijfelen.
Wat betreft het eerste punt denk ik dat de beleidsregel, die gericht is op het voorkomen van drugshandel en het tegengaan van overlast daarvan, niet van toepassing was op de situatie die ter discussie stond. Weliswaar ging het om de vondst van een aanzienlijke hoeveelheid XTC-pillen in een schuur bij een woning, maar het stond vast dat deze pillen daar niet door de bewoonster waren neergelegd, maar door haar ex-partner die er korte tijd had verbleven. Omdat van drugshandel of overlast geen sprake was, lijkt de beleidsregel ten onrechte te zijn toegepast. De burgemeester had de sluiting van de woning daarom moeten motiveren zonder verwijzing naar de beleidsregel, en ik denk dat dit tot een ander besluit zou hebben geleid.1 Ook de toetsing van de beleidsregels komt niet echt uit de verf. De rechter in eerste aanleg spreekt slechts van ‘niet onredelijke’ beleidsregels en de Afdeling wijdt er helemaal geen woorden aan. Toch is het m.i. discutabel of de beleidsregels wel met de tekst en strekking van artikel 13b van de Opiumwet in overeenstemming zijn.2
Wat ik mis bij de exceptieve toetsing van beleidsregels (en niet alleen in bovenstaande uitspraak), is een reële beoordeling van de vraag of een beleidsregel van toepassing is en of deze rechtmatig3 is. En dat leidt ertoe dat te vaak gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid, terwijl de beleidsregel zelf ofwel niet van toepassing is ofwel niet deugdelijk is vastgesteld. De vraag of een beleidsregel van toepassing is, is nodig om de reikwijdte ervan in beeld te krijgen. Beleidsregels zijn immers in veel gevallen onaf, in de zin dat ze nog in- of aanvulling en interpretatie behoeven. Het is dus allerminst vanzelfsprekend dat een beleidsregel in alle gevallen kan worden toegepast. En toetsing van de beleidsregel zelf is niet alleen nodig om te voorkomen dat te pas en te onpas geprobeerd wordt van beleidsregels af te wijken,4 maar ook om de kwaliteit van beleidsregels te verhogen. Dat laatste is geen overbodige exercitie. Er zijn beleidsregels waarover goed is nagedacht en die de praktijk structureren en ondersteunen, maar ook beleidsregels die gedateerd zijn of bij nader inzien niet helemaal doordacht.5 Zulke beleidsregels behoren door het bestuursorgaan te worden herzien. Rechterlijke toetsing kan eraan bijdragen dat fouten of tekortkomingen aan het licht komen, zoals ook blijkt uit enkele uitspraken over boetebeleidsregels.6 Deze beleidsregels dienen vervolgens te worden aangepast.