Gst. 2016/19
De doorzendplicht van artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur is niet aan de orde indien een verzoeker blijft vragen om stukken die, zoals meermalen aangegeven, elders aanwezig zijn, procesgedrag.
RvS 18-11-2015, ECLI:NL:RVS:2015:3556, m.nt. C.N. van der Sluis
- Instantie
Raad van State
- Datum
18 november 2015
- Magistraten
Mr. C.J. Borman
- Zaaknummer
201500717/1/A3
- Noot
C.N. van der Sluis
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS922791:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
- Brondocumenten
ECLI:NL:RVS:2015:3556, Uitspraak, Raad van State, 18‑11‑2015
- Wetingang
(Art. 4 WOB 1992)
Essentie
De doorzendplicht van artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur is niet aan de orde indien een verzoeker blijft vragen om stukken die, zoals meermalen aangegeven, elders aanwezig zijn, procesgedrag.
Samenvatting
Ten tijde van het besluit van 26 maart 2014 wist de CVOM dat het niet alle stukken over de aan [wederpartij] opgelegde verkeersboete in zijn bezit had. Op de CVOM rustte daarom in beginsel de plicht om het verzoek alsnog, voor zover dat zag op de niet bij hem berustende en niet op de websites staande stukken, door te zenden naar het bestuursorgaan waar ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.