Procestaal: Duits.
HvJ EU, 30-10-2025, nr. C-143/23
ECLI:EU:C:2025:837
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
30-10-2025
- Magistraten
I. Jarukaitis, N. Jääskinen, R. Frendo
- Zaaknummer
C-143/23
- Conclusie
D. Spielmann
- Roepnaam
Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:837, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 30‑10‑2025
ECLI:EU:C:2025:271, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 10‑04‑2025
Uitspraak 30‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Kredietovereenkomst voor de aankoop van een motorvoertuig — Richtlijn 2008/48/EG — Artikel 10, lid 2, onder l) — Eisen met betrekking tot de informatie die in de overeenkomst moet worden vermeld — Verplichting om de vertragingsrentevoet nauwkeurig aan te geven — Artikel 14, lid 1 — Herroepingsrecht — Begin van de herroepingstermijn ingeval de vertragingsrentevoet niet is vermeld — Misbruik van het herroepingsrecht — Gevolgen van de gebruikmaking van het herroepingsrecht in het kader van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig — Verplichtingen van de consument ten aanzien van de kredietgever — Berekeningsmethode voor de compenserende vergoeding wegens waardevermindering van het gefinancierde goed — Artikel 14, lid 3, onder b) — Betaling van debetrente na herroeping van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een overeenkomst voor de levering van goederen
I. Jarukaitis, N. Jääskinen, R. Frendo
Partij(en)
In zaak C-143/23,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Landgericht Ravensburg (rechter in eerste aanleg Ravensburg, Duitsland) bij beslissing van 1 maart 2023, ingekomen bij het Hof op 9 maart 2023, en aangevuld bij beslissing van 9 april 2024, ingekomen bij het Hof op 10 april 2024, in de procedure
KI,
FA
tegen
Mercedes-Benz Bank AG,
Volkswagen Bank GmbH,
wijst
HET HOF (Vierde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis, kamerpresident, N. Jääskinen en R. Frendo (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: D. Spielmann,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
Mercedes-Benz Bank AG, vertegenwoordigd door L. Normann, Rechtsanwältin,
- —
Volkswagen Bank GmbH, vertegenwoordigd door I. Heigl en L. Normann, Rechtsanwältinnen,
- —
de Tsjechische regering, vertegenwoordigd door S. Šindelková, M. Smolek en J. Vláčil als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door B.-R. Killmann en P. Ondrůšek als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 10 april 2025,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 10, lid 2, onder l), artikel 14, lid 1, en artikel 14, lid 3, onder b), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van twee gedingen tussen respectievelijk KI en Mercedes-Benz Bank AG en FA en Volkswagen Bank GmbH betreffende de geldigheid van de herroeping waartoe KI en FA zijn overgegaan met betrekking tot de kredietovereenkomsten die zij in hun hoedanigheid van consument met deze banken hadden gesloten.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 97/7
3
Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten (PB 1997, L 144, blz. 19), die is vervangen door richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijn 85/577/EEG en van richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB 2011, L 304, blz. 64), verklaarde in overweging 14:
‘[…] [De] lidstaten [hebben] de bevoegdheid [om] de […] voorwaarden en regels voortvloeiend uit het herroepingsrecht te bepalen’.
Richtlijn 2008/48
4
In de overwegingen 7 tot en met 10, 31, 34 en 35 van richtlijn 2008/48 staat te lezen:
- ‘(7)
Teneinde de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken, moet op een aantal kerngebieden een geharmoniseerd communautair kader worden geschapen. Met toekomstgerichte communautaire voorschriften die aan toekomstige kredietvormen kunnen worden aangepast en die de lidstaten de nodige speelruimte laten bij de omzetting daarvan, dient, met het oog op de gestage ontwikkeling van de markt voor consumentenkrediet en de toenemende mobiliteit van de Europese burger, een bijdrage te worden geleverd aan een modern consumentenkrediet.
- (8)
Het is van belang dat de markt de consument voldoende bescherming biedt teneinde diens vertrouwen niet te schaden. Op die manier moet het vrije verkeer van kredietaanbiedingen voor zowel kredietgevers als kredietnemers optimaal kunnen functioneren, met inachtneming van de specifieke situaties in de afzonderlijke lidstaten.
- (9)
Volledige harmonisatie is nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de Gemeenschap een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren. Het mag de lidstaten derhalve niet worden toegestaan andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd. […] Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren. […] Een […] voorbeeld van deze mogelijkheid voor de lidstaten is het handhaven of invoeren van nationale bepalingen over het annuleren van een koop- of dienstverleningsovereenkomst indien de consument gebruikmaakt van zijn recht van herroeping van de kredietovereenkomst. […]
- (10)
De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. Deze richtlijn mag de lidstaten evenwel niet beletten de bepalingen van de richtlijn overeenkomstig het Gemeenschapsrecht toe te passen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen. Derhalve kan een lidstaat met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen nationale wetgeving handhaven of invoeren die overeenstemt met een aantal of alle bepalingen van de richtlijn […]. Voorts kunnen de lidstaten de bepalingen van deze richtlijn toepassen op gelieerd krediet dat niet onder de definitie valt die deze richtlijn geeft van een gelieerde kredietovereenkomst. Zo kunnen de bepalingen over gelieerde kredietovereenkomsten worden toegepast op kredietovereenkomsten die slechts gedeeltelijk dienen ter financiering van een contract voor de levering van goederen of het verrichten van een dienst.
[…]
- (31)
De kredietovereenkomst moet in duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten over de rechten en plichten die voor de consument daaruit voortvloeien, zodat hij daar kennis van kan nemen.
[…]
- (34)
Om de regels voor de uitoefening van het herroepingsrecht op soortgelijke gebieden op elkaar af te stemmen, moet in een herroepingsrecht zonder sancties en zonder opgave van redenen worden voorzien, onder soortgelijke voorwaarden als in richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten [en tot wijziging van de richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB 2002, L 271, blz. 16)].
- (35)
In het geval van een consument die een kredietovereenkomst herroept in verband waarmee hij goederen heeft ontvangen, met name een koop op afbetaling of een huur- of leasingovereenkomst die een koopverplichting omvat, dient deze richtlijn de regelgeving van de lidstaten inzake de teruggave van de goederen of daarmee samenhangende aangelegenheden onverlet te laten.’
5
Artikel 1 (‘Onderwerp’) van richtlijn 2008/48 bepaalt:
‘Deze richtlijn heeft tot doel bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.’
6
In artikel 3 (‘Definities’) van deze richtlijn is bepaald:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- n)
‘gelieerde kredietovereenkomst’: een kredietovereenkomst waarbij geldt dat:
- i)
het betreffende krediet uitsluitend dient ter financiering van een overeenkomst voor de levering van een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde dienst, en
- ii)
die twee overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen; een commerciële eenheid wordt geacht te bestaan indien de leverancier of de dienstenaanbieder zelf het krediet van de consument financiert of, in het geval van financiering door een derde, indien de kredietgever bij het voorbereiden of sluiten van de kredietovereenkomst gebruikmaakt van de diensten van de leverancier of dienstenaanbieder, dan wel indien de bepaalde goederen of de levering van een bepaalde dienst uitdrukkelijk worden vermeld in de kredietovereenkomst.’
7
Artikel 10 (‘In de kredietovereenkomst te vermelden informatie’) van die richtlijn bepaalt in lid 2:
‘In de kredietovereenkomst worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:
[…]
- l)
de op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst geldende rentevoet in geval van betalingsachterstand daarvan alsmede de wijzigingsmodaliteiten en, in voorkomend geval, kosten van niet-nakoming;
[…]’
8
Artikel 14 (‘Herroepingsrecht’) van die richtlijn luidt als volgt:
- ‘1.
De consument beschikt over een termijn van veertien kalenderdagen om de kredietovereenkomst zonder opgave van redenen te herroepen.
De termijn waarbinnen een overeenkomst kan worden herroepen gaat in:
- a)
op de dag van de sluiting van de kredietovereenkomst, of
- b)
op de dag waarop de consument de contractuele voorwaarden en informatie overeenkomstig artikel 10 ontvangt, als die dag later valt dan de onder a) van deze alinea bedoelde datum.
[…]
- 3.
Indien de consument van zijn herroepingsrecht gebruikmaakt,
[…]
- b)
betaalt hij onverwijld en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de herroeping aan de kredietgever heeft gestuurd, de kredietgever het kapitaal en de op dit kapitaal lopende rente, vanaf de datum waarop het krediet is opgenomen tot de datum waarop het kapitaal wordt terugbetaald. De verschuldigde debetrente wordt berekend aan de hand van de overeengekomen debetrentevoet. De kredietgever heeft bij herroeping geen recht op een andere vergoeding van de consument, met uitzondering van de vergoeding voor niet voor terugbetaling in aanmerking komende kosten die de kredietgever aan een overheidsorgaan heeft betaald.
[…]’
9
Artikel 15 (‘Gelieerde kredietovereenkomsten’) van richtlijn 2008/48 bepaalt in lid 1:
‘Indien de consument op grond van het Gemeenschapsrecht een contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst heeft herroepen, is hij niet langer gebonden aan de daarmee gelieerde kredietovereenkomst.’
10
Artikel 22 (‘Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn’) van deze richtlijn bepaalt in lid 1:
‘In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.’
Duits recht
BGB
11
§ 355 (‘Herroepingsrecht bij consumentenovereenkomsten’) van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: ‘BGB’) luidt als volgt:
- ‘(1)
Wanneer de consument bij wet een herroepingsrecht krachtens deze bepaling wordt toegekend, zijn de consument en de handelaar niet langer gebonden door hun wilsverklaring tot het sluiten van de overeenkomst indien de consument zijn wilsverklaring binnen de gestelde termijn heeft herroepen. […]
- (2)
De herroepingstermijn bedraagt 14 dagen. Tenzij anders is bepaald, gaat de herroepingstermijn in op de dag van sluiting van de overeenkomst.
[…]’
12
§ 356b (‘Herroepingsrecht bij consumentenkredietovereenkomsten’) van het BGB bepaalt in lid 2:
‘Indien bij een algemene consumentenkredietovereenkomst het overeenkomstig lid 1 aan de kredietnemer overgelegde document niet de in § 492, lid 2, bedoelde verplichte gegevens bevat, gaat de termijn pas in wanneer dit verzuim overeenkomstig § 492, lid 6, is verholpen. […]’
13
In § 357 (‘Rechtsgevolgen van de herroeping van buiten verkoopruimten of op afstand gesloten overeenkomsten, met uitzondering van overeenkomsten betreffende financiële diensten’) van het BGB, in de versie zoals van toepassing op de feiten van het hoofdgeding, was bepaald:
‘[…]
- (7)
De consument is gehouden om een compenserende vergoeding wegens de waardevermindering van het goed te betalen wanneer:
- 1.
de waardevermindering het gevolg is van een behandeling van de goederen die niet noodzakelijk was om de aard, de kenmerken en de werking van de goederen na te gaan, en
- 2.
de handelaar de consument heeft geïnformeerd over diens herroepingsrecht overeenkomstig artikel 246a, lid 1, tweede alinea, punt 1, van het Einführungsgesetz zum Bürgerlichen Gesetzbuche [(wet tot invoering van het burgerlijk wetboek) van 21 september 1994 (BGBl. 1994 I, blz. 2494, met rectificatie in BGBl. 1997 I, blz. 1061; hierna: ‘EGBGB’)].
[…]’
14
§ 357a (‘Rechtsgevolgen van de herroeping van overeenkomsten betreffende financiële diensten’) van het BGB, in de versie zoals van toepassing op de feiten van het hoofdgeding, bepaalde:
- ‘(1)
Ontvangen prestaties moeten binnen 30 dagen worden geretourneerd.
[…]
- (3)
Indien een kredietnemer een consumentenkredietovereenkomst herroept, dient hij over de periode tussen de uitbetaling en de terugbetaling van de lening de overeengekomen debetrente te betalen. […]’
15
§ 358 (‘Aan de herroepen overeenkomst gelieerde overeenkomst’) van het BGB, in de versie zoals van toepassing op de feiten van het hoofdgeding, luidde als volgt:
- ‘(1)
Indien de consument zijn wilsverklaring voor het sluiten van een overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een andere dienst door een handelaar op geldige wijze heeft herroepen, is hij ook niet meer gebonden aan zijn wilsverklaring voor het sluiten van een aan die overeenkomst gelieerde consumentenkredietovereenkomst.
- (2)
Indien de consument zijn wilsverklaring voor het sluiten van een consumentenkredietovereenkomst op grond van § 495, lid 1, of § 514, lid 2, eerste volzin, op geldige wijze heeft herroepen, is hij ook niet meer gebonden aan zijn wilsverklaring voor het sluiten van een aan die consumentenkredietovereenkomst gelieerde overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een andere dienst.
- (3)
Een overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een andere dienst en een kredietovereenkomst krachtens de leden 1 en 2 zijn gelieerd indien het krediet geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor de financiering van de andere overeenkomst en beide overeenkomsten een economische eenheid vormen. Die eenheid moet met name worden aangenomen wanneer de ondernemer de tegenprestatie van de consument zelf financiert of, in geval van financiering door een derde partij, wanneer de kredietgever de ondernemer betrekt bij het opstellen of het sluiten van de kredietovereenkomst.
- (4)
[§§ 357 tot en met 357b zijn] van overeenkomstige toepassing op de ongedaanmaking van de gelieerde overeenkomst. […] Met betrekking tot de rechtsgevolgen van de herroeping of de teruggaaf treedt de kredietgever in zijn betrekkingen met de consument in de uit de gelieerde overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de handelaar, indien het bedrag van de lening op het moment dat de herroeping van kracht wordt, reeds aan de handelaar is betaald.’
16
§ 492 (‘Schriftelijke vorm en inhoud van de overeenkomst’) van het BGB bepaalt:
‘[…]
- (2)
De overeenkomst moet de voor elke consumentenkredietovereenkomst voorgeschreven informatie bevatten, overeenkomstig artikel 247, leden 6 tot en met 13, van het EGBGB.
[…]
- (6)
Indien de overeenkomst de in lid 2 bedoelde informatie niet of niet volledig bevat, kan deze informatie na de daadwerkelijke sluiting van de overeenkomst of, in de in § 494, lid 2, eerste volzin, bedoelde gevallen, nadat de overeenkomst geldig is geworden, op een duurzame drager worden verstrekt.
[…]’
EGBGB
17
Artikel 247 (‘Informatieverplichtingen bij consumentenkredietovereenkomsten, financiële steun tegen vergoeding en kredietbemiddelingsovereenkomsten’) van het EGBGB bepaalt:
‘[…]
- § 3.
Inhoud van de precontractuele informatie bij algemene consumentenkredietovereenkomsten
- (1)
De voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst verstrekte informatie omvat:
[…]
- 11.
de rentevoet in geval van betalingsachterstand en de wijzigingsmodaliteiten ervan en, in voorkomend geval, de kosten van niet-nakoming,
[…]
- § 6.
Inhoud van de overeenkomst
- (1)
De volgende gegevens worden op een duidelijke en begrijpelijke wijze in de consumentenkredietovereenkomst opgenomen:
- 1.
de in § 3, lid 1, punten 1 tot en met 14, en lid 4, bedoelde informatie.
[…]’
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
18
Overeenkomstig hun verzoeken van 1 maart 2019 en 30 november 2017 hebben KI en FA kredietovereenkomsten gesloten met respectievelijk Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank voor de aankoop van een motorvoertuig voor privégebruik. De toegekende kredieten bedroegen 29 500 EUR voor KI en 35 300 EUR voor FA.
19
De autohandelaren bij wie de voertuigen zijn gekocht traden bij het sluiten van de kredietovereenkomsten op als kredietbemiddelaars voor Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank, waardoor de kredietbedragen rechtstreeks aan deze handelaren werden betaald.
20
In geen van beide kredietovereenkomsten was de bij het sluiten van de overeenkomst geldende vertragingsrentevoet in de vorm van een numeriek percentage vermeld.
21
KI en FA hebben aanbetalingen en maandelijkse termijnen betaald voor een totaalbedrag van respectievelijk 8 924,48 EUR en 24 800 EUR uit hoofde van hun overeenkomsten.
22
Bij brieven van 31 oktober 2019 en 20 juli 2020 hebben KI en FA aangegeven dat zij gebruikmaken van hun herroepingsrecht met betrekking tot de kredietovereenkomsten. Zij betogen dat hun herroeping geldig is omdat de naar Duits recht geldende herroepingstermijn van 14 dagen nog niet was ingegaan wegens onregelmatigheden wat de verplichte informatie in hun overeenkomst betreft.
23
Deze consumenten hebben ieder voor zich beroep ingesteld tegen respectievelijk Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank bij het Landgericht Ravensburg (rechter in eerste aanleg Ravensburg, Duitsland), de verwijzende rechter.
24
KI vordert in essentie terugbetaling van de vóór zijn herroeping betaalde maandelijkse termijnen en van de aan de handelaar betaalde aanbetaling, te weten een bedrag van 8 924,48 EUR, alsmede de vaststelling dat Mercedes-Benz Bank haar verplichting tot inontvangstneming van het voertuig niet is nagekomen. Hij vordert ook dat wordt vastgesteld dat hij geen vergoeding verschuldigd is voor de waardevermindering van het voertuig en dat hij op grond van zijn herroeping geen bedrag meer verschuldigd is uit hoofde van de kredietovereenkomst, noch wat het geleende kapitaal, noch wat de rente betreft.
25
FA vordert in essentie terugbetaling van de vóór zijn herroeping betaalde maandelijkse termijnen en van de aan de handelaar betaalde aanbetaling, te weten een bedrag van 24 800 EUR, verminderd met een vergoeding van 24 550 EUR voor de waardevermindering van het voertuig en vermeerderd met rente. Hij vordert ook dat wordt vastgesteld dat hij vanaf zijn herroeping geen enkel bedrag meer verschuldigd is uit hoofde van de kredietovereenkomst, noch wat het geleende kapitaal, noch wat de rente betreft en dat Volkswagen Bank haar verplichting tot inontvangstneming van het voertuig niet is nagekomen.
26
Mercedes-Benz Bank concludeert primair tot verwerping van het beroep van KI. Zij voert met name aan dat het herroepingsrecht is vervallen en zij werpt een exceptie van misbruik van dit recht op. Subsidiair, voor het geval KI geldig gebruik heeft gemaakt van zijn herroepingsrecht en dus recht heeft op teruggaaf van de betaalde bedragen, vordert zij dat wordt vastgesteld dat KI haar een vergoeding voor de waardevermindering van het voertuig moet betalen. Voorts vordert deze bank dat KI wordt veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding van 3,92 % per jaar over het nog openstaande saldo van de lening voor de periode tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper en de teruggave van het voertuig.
27
Volkswagen Bank concludeert ook tot verwerping van het beroep van FA en voert in het bijzonder aan dat het herroepingsrecht is vervallen.
28
In die omstandigheden vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of de kredietgever, wanneer de kredietnemer gebruikmaakt van zijn herroepingsrecht met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, aanspraak kan maken op een compenserende vergoeding voor de waardevermindering van dat voertuig en, in voorkomend geval, ten belope van welk bedrag.
29
Deze rechter merkt op dat volgens de rechtspraak van het Bundesgerichtshof (hoogste federale rechter in burgerlijke en strafzaken, Duitsland) de kredietnemer, nadat hij gebruik heeft gemaakt van zijn herroepingsrecht, een compenserende vergoeding moet betalen die overeenstemt met de waardevermindering van het voertuig die zich heeft voorgedaan tijdens de periode waarin hij het voertuig in bezit had, zelfs wanneer de consument onvolledig over zijn herroepingsrecht is geïnformeerd. Hij voegt daaraan toe dat het Bundesgerichtshof ook heeft geoordeeld dat het bedrag van deze compenserende vergoeding wordt berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door de consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave ervan.
30
De verwijzende rechter is van oordeel dat deze berekeningsmethode, die gebaseerd is op verschillende marktwaarden die het resultaat zijn van transacties op verschillende markten, te weten de markt waarop de handelaren verkopen en die waarop zij aankopen, de consument niet alleen belast met de compensatie van de waardevermindering die voortvloeit uit het gebruik van het voertuig, maar ook met de kosten van wederverkoop, een winstmarge en de belasting over de toegevoegde waarde. Dit zijn echter prijsverhogende factoren die uitsluitend te wijten zijn aan de gebruikmaking van het herroepingsrecht, aangezien deze lasten losstaan van enig gebruik van het voertuig door de consument. Bovendien kan het bedrag van de compensatie hoog zijn, zelfs wanneer het voertuig voor de gebruikmaking van het herroepingsrecht nooit is geregistreerd of gebruikt. Deze methode stelt de kredietgever dus in staat winst te maken door het voertuig tegen een hogere prijs dan de aankoopprijs van de handelaar door te verkopen.
31
Deze rechter is dan ook van oordeel dat die nationale rechtspraak afbreuk kan doen aan de nuttige werking van het in richtlijn 2008/48 neergelegde herroepingsrecht en aan het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking.
32
In de tweede plaats wenst de verwijzende rechter te vernemen of met artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 een volledige harmonisatie tot stand is gebracht wat de op de kredietnemer rustende verplichting tot betaling van de debetrente betreft, ook wanneer het gefinancierde krediet gelieerd is aan een koopovereenkomst voor goederen.
33
Deze rechter merkt op dat richtlijn 2008/48 noch de gevolgen van de herroeping voor de gelieerde kredietovereenkomst specificeert, noch de prestaties die de partijen bij de gefinancierde overeenkomst, in casu de koper en de verkoper, moeten teruggeven. Het staat uitsluitend aan de nationale wetgever om de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht voor een dergelijke kredietovereenkomst vast te stellen. Derhalve moet worden aanvaard dat de lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken om vast te stellen, ook door af te wijken van artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48, hoe de status quo ante in het geval van gelieerde overeenkomsten dient te worden hersteld.
34
Indien richtlijn 2008/48 geen volledige harmonisatie tot stand heeft gebracht voor kredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een overeenkomst voor de levering van goederen of voor de verstrekking van diensten, vraagt de verwijzende rechter of het verenigbaar is met het Unierecht, met name met artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48, dat de kredietnemer na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de in die eerste overeenkomst vastgestelde debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever of de verkoper. Hij wijst erop dat de nationale rechtspraak op dit punt uiteenloopt.
35
Aangezien, ten eerste, de consument geen enkele verrijking haalt uit het gebruik van het kredietbedrag omdat dit bedrag rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper is overgemaakt ter betaling van de aankoopprijs van het voertuig en, ten tweede, deze consument niet van zijn herroepingsrecht gebruik zou kunnen maken zonder een financieel nadeel te vrezen, is de verwijzende rechter van oordeel dat een verplichting voor die consument om debetrente te betalen in strijd zou kunnen zijn met de algemene beginselen van het Unierecht, in het bijzonder het vereiste van de nuttige werking van het herroepingsrecht, en met het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking.
36
In de derde plaats vraagt deze rechter zich af of de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde herroepingen geldig zijn.
37
In dit verband is hij van oordeel dat uit het arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a. (C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736), blijkt dat de herroepingstermijn slechts ingaat indien de vertragingsrentevoet in de vorm van een concreet percentage is vermeld en dat het Bundesgerichtshof zich heeft gevoegd naar dit arrest.
38
De verwijzende rechter is voorts van oordeel dat de in dat arrest gekozen oplossing niet ter discussie is gesteld door het arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014). Hij merkt echter op dat het Bundesgerichtshof er een andere lezing op nahoudt aangezien het voortaan van oordeel is dat de omstandigheid dat de op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst geldende vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage is vermeld, er niet aan in de weg staat dat de herroepingstermijn ingaat. Door deze lezing twijfelt de verwijzende rechter aan de geldigheid van de herroeping in de hoofdgedingen.
39
In de vierde en laatste plaats vraagt de verwijzende zich af of het mogelijk is om de gebruikmaking van het in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 bedoelde herroepingsrecht als misbruik te kwalificeren.
40
Deze rechter merkt op dat volgens de rechtspraak van het Bundesgerichtshof het feit dat de consument gebruikmaakt van zijn herroepingsrecht als misbruik kan worden beschouwd wanneer deze consument het voertuig blijft gebruiken totdat de nationale rechterlijke instanties zich over de geldigheid van de herroeping hebben uitgesproken en die consument weigert een compenserende vergoeding te betalen voor de waardevermindering van het voertuig wegens het gebruik ervan.
41
Volgens die rechter lijkt deze nationale rechtspraak echter in strijd met de arresten van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a. (C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736), en 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014), waarin het Hof heeft geoordeeld dat het feit dat de consument gebruikmaakt van zijn herroepingsrecht overeenkomstig artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 niet als misbruik kan worden beschouwd wanneer de vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage in de kredietovereenkomst is vermeld.
42
Tegen deze achtergrond heeft het Landgericht Ravensburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
- ‘1)
Is het verenigbaar met het Unierecht, in het bijzonder met artikel 14, lid 1, van richtlijn [2008/48], dat in het geval van een herroepen consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een in een fysieke winkel gesloten koopovereenkomst voor een voertuig, de hoogte van de vergoeding voor de waardevermindering van het gefinancierde voertuig die de consument bij teruggave van het gefinancierde voertuig aan de kredietgever moet betalen, wordt berekend door de verkoopprijs van de handelaar op het tijdstip van de verwerving van het voertuig door de consument te verminderen met de aankoopprijs van de handelaar op het tijdstip van de teruggave van het voertuig?
- 2)
Brengt de regeling van artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn [2008/48] voor consumentenkredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig, een volledige harmonisatie tot stand en is zij derhalve bindend voor de lidstaten?
Indien de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord:
- 3)
Is het verenigbaar met het Unierecht, in het bijzonder met artikel 14, lid 1, van richtlijn [2008/48], dat de kredietnemer na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de contractuele debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever (of de verkoper)?
- 4)
- a)
Moet artikel 10, lid 2, onder l), [van richtlijn 2008/48] juncto artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), [ervan] aldus worden uitgelegd dat de herroepingstermijn niet ingaat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage?
Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:
- b)
Is de niet-vermelding van deze informatie van dien aard dat zij het vermogen van een gemiddelde consument om de omvang van zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te beoordelen of zijn beslissing om de overeenkomst te sluiten ongunstig beïnvloedt en hem in voorkomend geval de mogelijkheid ontneemt om zijn rechten onder in wezen dezelfde voorwaarden uit te oefenen als indien die informatie wél volledig en correct was geweest?
- 5)
- a)
Moet de door de kredietgever opgeworpen exceptie dat de consument vanwege zijn handelwijze tussen de sluiting van de overeenkomst en de uitoefening van het herroepingsrecht, of na de uitoefening van het herroepingsrecht, misbruik van dat recht heeft gemaakt, worden verworpen op grond dat in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage?
Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:
- b)
Kan de kwalificatie als rechtsmisbruik met name worden gebaseerd op de volgende feiten:
- —
de consument blijft het gefinancierde voertuig gebruiken totdat de rechter zich heeft uitgesproken over de geldigheid van de herroeping;
- —
de consument weigert een compenserende vergoeding te betalen voor het gebruik van het voertuig?’
Procedure bij het Hof
43
Bij beslissing van de president van het Hof van 18 april 2023 is de behandeling van de onderhavige zaak geschorst in afwachting van de definitieve uitspraak in de gevoegde zaken BMW Bank e.a. (C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014).
44
Overeenkomstig de beslissing van de president van het Hof van 17 december 2023 heeft de griffie de verwijzende rechter in kennis gesteld van het arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014), en hem verzocht aan te geven of hij, gelet op dat arrest, zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
45
Die rechter heeft op 10 april 2024 aangegeven dat hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing handhaafde en dat hij het noodzakelijk achtte om nieuwe vragen toe te voegen.
46
Na een aanvulling op het verzoek om een prejudiciële beslissing van dezelfde dag, waarbij die rechter twee bijkomende vragen heeft gesteld, te weten de vierde en de vijfde vraag, is de behandeling van de onderhavige zaak bij beslissing van de president van het Hof van 16 april 2024 hervat.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Ontvankelijkheid
47
In de eerste plaats voert Volkswagen Bank aan dat de eerste vraag niet-ontvankelijk is omdat het Unierecht niet van toepassing is op de omstandigheden van de hoofdgedingen. De bepalingen van richtlijn 2008/48 regelen namelijk niet de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht ten aanzien van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een overeenkomst voor de levering van goederen of de verrichting van diensten. Deze gevolgen, met name wat betreft de verplichting voor de koper van een aldus gefinancierd goed om een compenserende vergoeding te betalen wegens de waardevermindering ervan en de berekeningswijze van deze vergoeding, vallen uitsluitend onder het nationale recht.
48
In herinnering moet worden gebracht dat het volgens vaste rechtspraak in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend een zaak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden (zie arresten van 29 november 1978, Redmond, 83/78, EU:C:1978:214, punt 25, en 11 januari 2024, Nárokuj, C-755/22, EU:C:2024:10, punt 17 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Bijgevolg geldt voor vragen over het Unierecht een vermoeden van relevantie. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechterlijke instantie wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het Unierecht geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die het noodzakelijk acht om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen (zie arresten van 7 september 1999, Beck en Bergdorf, C-355/97, EU:C:1999:391, punt 22, en 11 januari 2024, Nárokuj, C-755/22, EU:C:2024:10, punt 18 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Dit is in casu echter niet het geval.
51
Uit het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt immers dat de hoofdgedingen, waarvan het bestaan niet wordt betwist, ten eerste betrekking hebben op de vaststelling van de rechtsgevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht door de betrokken consumenten in het kader van kredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig. Ten tweede hebben deze gedingen betrekking op de wijze waarop de herroepingstermijn ingaat, gelet op het feit dat de vertragingsrentevoet niet als een concreet percentage in de kredietovereenkomst wordt vermeld, alsmede op het eventuele misbruik van het herroepingsrecht.
52
In deze context wenst de verwijzende rechter met zijn eerste vraag in essentie te vernemen of de in de Duitse rechtspraak geformuleerde berekeningsmethode voor de compenserende vergoeding wegens de waardevermindering van een goed die de consument moet betalen wanneer hij gebruikmaakt van dat herroepingsrecht, verenigbaar is met artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48. Deze bepaling, waarop de uitlegging van de eerste vraag betrekking heeft, regelt dat aan consumenten toegekende herroepingsrecht.
53
Aldus blijkt niet duidelijk dat de gevraagde uitlegging van richtlijn 2008/48 geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van de hoofdgedingen of dat het opgeworpen vraagstuk van hypothetische aard is. De exceptie van niet-toepasselijkheid van deze bepaling op het hoofdgeding betreft dus niet de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing, maar de grond van de gestelde vragen [zie in die zin arrest van 24 februari 2022, TGSS (Werkloosheid van huishoudelijk personeel), C-389/20, EU:C:2022:120, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
54
Bijgevolg is de eerste vraag ontvankelijk.
55
In de tweede plaats betwist Mercedes-Benz Bank de ontvankelijkheid van de vierde en de vijfde vraag. Zij voert ten eerste aan dat deze vragen reeds zijn beantwoord in het arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014), en ten tweede dat de verwijzende rechter de rechtspraak van het Bundesgerichtshof die is gebaseerd op de bepalingen van richtlijn 2008/48, zoals uitgelegd in dat arrest, opnieuw ter discussie wil stellen. Met betrekking tot laatstgenoemd argument stelt Mercedes-Benz Bank dat de verwijzende rechter daarmee de beoordelingen van het Hof in dat arrest wil betwisten op basis van zijn eigen uitlegging van die bepalingen.
56
In casu verzoekt de verwijzende rechter met zijn vierde en vijfde vraag het Hof om uitlegging van artikel 10, lid 2, onder l), van richtlijn 2008/48, betreffende het vereiste dat de vertragingsrentevoet in de kredietovereenkomst wordt vermeld, en van artikel 14, lid 1, van deze richtlijn, betreffende de vaststelling van het tijdstip waarop de herroepingstermijn van 14 dagen ingaat. Deze twee vragen hebben respectievelijk betrekking op de wijze waarop de herroepingstermijn ingaat en op de mogelijkheid om de gebruikmaking van het herroepingsrecht als misbruik te kwalificeren.
57
Allereerst dient in herinnering te worden gebracht dat de nationale rechterlijke instanties — zelfs wanneer in de rechtspraak van het Hof al een oplossing is aangedragen voor de rechtsvraag in kwestie — de meest uitgebreide bevoegdheid behouden om zich tot het Hof te wenden indien zij dit wenselijk achten, zonder dat de omstandigheid dat het Hof reeds een uitlegging heeft gegeven aan de bepalingen waarvan om uitlegging wordt verzocht, eraan in de weg staat dat het opnieuw uitspraak doet (arrest van 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management en Catania Multiservizi, C-561/19, EU:C:2021:799, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58
Verder kan het in punt 49 van het onderhavige arrest vermelde vermoeden van relevantie niet worden weerlegd door de omstandigheid alleen dat een van de partijen in het hoofdgeding de door de verwijzende rechter gegeven uitlegging van de bepalingen van het Unierecht — ook wanneer die reeds door de het Hof zijn uitgelegd — betwist (zie naar analogie arrest van 20 september 2018, OTP Bank en OTP Faktoring, C-51/17, EU:C:2018:750, punt 41).
59
Ten slotte moet het de niet in laatste aanleg uitspraak doende rechter vrijstaan om zich met zijn vragen tot het Hof te wenden, met name indien hij meent dat het rechtsoordeel van de hogere rechter hem tot een met het Unierecht strijdig vonnis zou kunnen brengen (zie arresten van 16 januari 1974, Rheinmühlen-Düsseldorf, 166/73, EU:C:1974:3, punt 4, en 18 mei 2021, Asociaţia ‘Forumul Judecătorilor din România’ e.a., C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19, EU:C:2021:393, punt 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
60
Bijgevolg zijn de vierde en de vijfde vraag ook ontvankelijk.
Ten gronde
61
Allereerst moeten de vierde en de vijfde vraag worden onderzocht, voor zover zij betrekking hebben op respectievelijk het tijdstip waarop de herroepingstermijn ingaat bij kredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig en de mogelijkheid om de gebruikmaking van het herroepingsrecht als misbruik te kwalificeren. De eerste tot en met de derde vraag, die in essentie betrekking hebben op de gevolgen van de herroeping, zullen daarna worden onderzocht.
Vierde vraag
62
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 10, lid 2, onder l), en artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat de in artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingstermijn enkel ingaat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet in de vorm van een concreet percentage is vermeld. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst hij te vernemen of de niet-vermelding van deze informatie van invloed kan zijn op het vermogen van de consument om de omvang van zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te beoordelen of zijn beslissing om de overeenkomst te sluiten ongunstig kan beïnvloeden en hem in voorkomend geval de mogelijkheid kan ontnemen om zijn rechten onder in wezen dezelfde voorwaarden uit te oefenen als indien die informatie wél volledig en correct was geweest.
63
Uit artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2008/48 volgt dat de herroepingstermijn van 14 dagen pas ingaat op de dag waarop de consument met name de in artikel 10 van deze richtlijn bedoelde informatie heeft ontvangen, als die dag later valt dan de dag waarop de kredietovereenkomst is gesloten.
64
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder l), van richtlijn 2008/48 moet in de kredietovereenkomst op duidelijke en beknopte wijze melding worden gemaakt van de op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst geldende rentevoet in geval van betalingsachterstand alsmede van de wijzigingsmodaliteiten en, in voorkomend geval, kosten van niet-nakoming.
65
In herinnering moet worden gebracht dat het door richtlijn 2008/48 uitgewerkte beschermingsstelsel op de gedachte berust dat de consument zich tegenover de verkoper in een zwakke onderhandelingspositie bevindt en over minder informatie dan de verkoper beschikt, wat ertoe leidt dat hij met de door de verkoper vooraf opgestelde voorwaarden instemt zonder op de inhoud daarvan invloed te kunnen uitoefenen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 259 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
Het is voor een consument van wezenlijk belang dat hij, vóór en bij de sluiting van een overeenkomst, kennisneemt van alle contractvoorwaarden en de gevolgen die aan die sluiting zijn verbonden. Met name op basis van die informatie zal hij beslissen of hij gebonden wenst te zijn door de voorwaarden die de handelaar tevoren heeft vastgesteld (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 260 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67
In dit verband draagt de in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 neergelegde informatieplicht bij tot de verwezenlijking van het doel van die richtlijn, dat erin bestaat om ter zake van het consumentenkrediet op een aantal kerngebieden een volledige en dwingende harmonisatie tot stand te brengen die nodig is om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie een grondige en gelijkwaardige bescherming van hun belangen genieten en om de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken, zoals uit de overwegingen 7 en 9 van die richtlijn blijkt (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 262 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
Uit artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48, gelezen in samenhang met overweging 31, blijkt immers dat het vereiste dat in een op papier of op een andere duurzame drager opgestelde kredietovereenkomst op duidelijke en beknopte wijze de in die bepaling bedoelde informatie wordt opgenomen, noodzakelijk is zodat de consument kennis kan nemen van zijn rechten en verplichtingen. De kennis en een goed begrip door de consument van de gegevens die de kredietovereenkomst verplicht moet bevatten, zijn noodzakelijk voor de goede uitvoering van deze overeenkomst en met name de uitoefening van zijn rechten (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 263 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
Ingeval de krachtens artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 door de kredietgever aan de consument verstrekte informatie onvolledig of onjuist blijkt, gaat de herroepingstermijn dus enkel in indien de onvolledigheid of de onjuistheid van die informatie niet van dien aard is dat zij het vermogen van de consument om de omvang van zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te beoordelen en zijn beslissing om de overeenkomst te sluiten ongunstig beïnvloedt en hem in voorkomend geval de mogelijkheid ontneemt om zijn rechten onder in essentie dezelfde voorwaarden uit te oefenen als indien die informatie wél volledig en correct was geweest (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 265 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
70
Een situatie waarin onvolledige of onjuiste informatie wordt verstrekt moet echter worden onderscheiden van een situatie waarin de vereiste informatie ontbreekt (zie in die zin arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 264).
71
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat in geen van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomsten de op het tijdstip van het sluiten van die overeenkomsten geldende vertragingsrentevoet in de vorm van een concreet percentage werd vermeld. Uit het dossier waarover het Hof beschikt, blijkt evenmin dat deze informatie na de sluiting van deze overeenkomsten aan de betrokken consumenten is meegedeeld.
72
In dit verband moet worden benadrukt dat de verplichting om in de kredietovereenkomst de concrete vertragingsrentevoet, uitgedrukt in een percentage, te vermelden, overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder l), van richtlijn 2008/48, de consument in staat stelt kennis te nemen van de gevolgen indien hij betalingsachterstand zou oplopen. Derhalve heeft het Hof geoordeeld dat de op het tijdstip van het sluiten van een kredietovereenkomst geldende vertragingsrentevoet in de vorm van een concreet percentage in die overeenkomst moet worden vermeld, en dat het mechanisme voor de aanpassing van die rentevoet in die overeenkomst concreet moet worden beschreven (arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736, punten 92 en 95).
73
Dat in het kader van een kredietovereenkomst de geldende vertragingsrentevoet, uitgedrukt in de vorm van een concreet percentage, wordt vermeld, blijkt namelijk onontbeerlijk opdat de consument zich een beeld kan vormen van de draagwijdte van zijn contractuele verbintenis, met name wat betreft de financiële gevolgen die kunnen voortvloeien uit een niet-nakoming van zijn betalingsverplichting of een vertraging in de uitvoering ervan. Deze informatie kan in dat opzicht niet alleen van invloed zijn op de beslissing van de consument om het contract te sluiten, maar ook op zijn vermogen om het beheer van de terugbetaling van de aangegane lening te organiseren.
74
Hieruit volgt dat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van sluiting van de overeenkomst geldende vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage is vermeld, de in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 bedoelde herroepingstermijn niet ingaat voordat deze informatie aan de consument is meegedeeld (zie in die zin arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736, punt 117).
75
Gelet op een en ander moet op de vierde vraag worden geantwoord dat artikel 10, lid 2, onder l), en artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2008/48 aldus moeten worden uitgelegd dat de in artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingstermijn niet ingaat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage, en dat zolang deze informatie niet naar behoren aan de consument is meegedeeld.
Vijfde vraag
76
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de kredietgever zich op geldige wijze kan beroepen op misbruik door de consument van het in dat artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingsrecht vanwege de handelwijze van de consument tussen de sluiting van de overeenkomst en de uitoefening van het herroepingsrecht, of zelfs na die uitoefening, wanneer in de kredietovereenkomst, in strijd met artikel 10, lid 2, onder l), van deze richtlijn, de op het tijdstip van het sluiten van die overeenkomst geldende vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage is vermeld. Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter te vernemen of de kwalificatie als rechtsmisbruik kan worden gebaseerd op de omstandigheid dat deze consument het voertuig blijft gebruiken totdat de nationale rechterlijke instanties uitspraak hebben gedaan over de geldigheid van de herroeping en op de omstandigheid dat de consument weigert een compenserende vergoeding wegens waardevermindering van dat voertuig te betalen.
77
In dit verband dient in de eerste plaats te worden opgemerkt dat richtlijn 2008/48 geen bepalingen bevat die de kwestie van misbruik door de consument van de hem door deze richtlijn verleende rechten regelen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 280 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
78
Het is echter vaste rechtspraak dat er in het Unierecht een algemeen rechtsbeginsel bestaat dat justitiabelen zich niet door middel van fraude of misbruik kunnen beroepen op het Unierecht (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 281 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
79
De justitiabelen dienen dit algemene rechtsbeginsel na te leven. De Unieregeling mag immers niet zo ruim worden toegepast dat zij transacties dekt die zijn verricht met het doel om door fraude of misbruik te profiteren van de door het Unierecht toegekende voordelen (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 282 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
80
Uit dit beginsel volgt dan ook dat een lidstaat de toepassing van de Unierechtelijke bepalingen moet weigeren — zelfs bij gebreke van bepalingen van nationaal recht die in een dergelijke weigering voorzien — indien zij door een persoon niet worden ingeroepen ter verwezenlijking van de doelstellingen van deze bepalingen, maar om een Unierechtelijk voordeel te verkrijgen terwijl slechts formeel voldaan is aan de Unierechtelijke objectieve voorwaarden om op dit voordeel aanspraak te kunnen maken (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 283 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
81
In de tweede plaats blijkt uit vaste rechtspraak dat voor het bewijs dat er sprake is van misbruik enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist is waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de toepasselijke Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet is bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 285 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
82
Uiteindelijk staat het aan de verwijzende rechter om na te gaan of in de bij hem aanhangige zaken sprake is van een dergelijk misbruik door alle feiten en omstandigheden van de zaak in aanmerking te nemen, met inbegrip van de feiten en omstandigheden die volgen op de transactie die misbruik zou opleveren (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 286 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof kan de nationale rechter echter leiden bij zijn beoordeling.
83
In dit verband volgt uit de rechtspraak dat de kredietgever niet op geldige wijze kan stellen dat, omdat er aanzienlijke tijd is verstreken tussen de sluiting van de overeenkomst en de gebruikmaking van het in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 genoemde herroepingsrecht, de consument misbruik heeft gemaakt van dit recht, wanneer een van de in artikel 10, lid 2, van die richtlijn bedoelde verplichte vermeldingen niet in de kredietovereenkomst was opgenomen en evenmin achteraf naar behoren is meegedeeld, waarbij niet van belang is of die consument niet op de hoogte was van het bestaan van zijn herroepingsrecht (arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a., C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736, punt 127).
84
Bijgevolg kan een kredietgever zich niet beroepen op misbruik van het herroepingsrecht wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet in de vorm van een concreet percentage is vermeld, waarbij deze vermelding deel uitmaakt van bovengenoemde verplichte vermeldingen. Zoals blijkt uit punt 75 van het onderhavige arrest, is de herroepingstermijn in een dergelijk geval immers niet ingegaan.
85
Gelet op een en ander moet op het eerste onderdeel van de vijfde vraag worden geantwoord dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de kredietgever zich op geldige wijze kan beroepen op misbruik door de consument van het in dat artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingsrecht vanwege de handelwijze van de consument tussen de sluiting van de overeenkomst en de uitoefening van het herroepingsrecht, of zelfs na die uitoefening, wanneer de door artikel 10, lid 2, onder l), van die richtlijn vereiste vermelding, in de vorm van een concreet percentage, van de op het tijdstip van het sluiten van die overeenkomst geldende vertragingsrentevoet, niet in de kredietovereenkomst was opgenomen en evenmin achteraf naar behoren is meegedeeld.
Eerste vraag
86
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke, wanneer de consument gebruikmaakt van het herroepingsrecht met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, het bedrag van de compenserende vergoeding wegens waardevermindering die deze consument bij de teruggave van het voertuig aan de kredietgever verschuldigd is, wordt berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door die consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave van dat voertuig.
87
Krachtens artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48 is een ‘gelieerde kredietovereenkomst’ een kredietovereenkomst waarbij geldt dat het betreffende krediet uitsluitend dient ter financiering van met name een overeenkomst voor de levering van goederen, op voorwaarde dat die twee overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen.
88
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde kredietovereenkomsten zijn gebruikt voor de aankoop van motorvoertuigen voor privégebruik. Daaruit blijkt ook dat de kredietbedragen rechtstreeks werden betaald aan de autohandelaren bij wie de voertuigen zijn gekocht. Bijgevolg vallen deze overeenkomsten onder het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ in de zin van artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48.
89
Wat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 betreft, hierin wordt bepaald dat de consument over een termijn van 14 kalenderdagen beschikt om de kredietovereenkomst zonder opgave van redenen te herroepen. Richtlijn 2008/48 bevat echter geen bepalingen inzake de gevolgen van de herroeping door de consument van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan de overeenkomst tot levering van goederen. Bovendien wordt in overweging 35 van die richtlijn uiteengezet dat deze richtlijn de regelgeving van de lidstaten inzake de teruggave van het door het krediet gefinancierde goed of daarmee samenhangende aangelegenheden onverlet laat (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 302).
90
Bij gebreke van specifieke Unieregeling ter zake zijn de nadere uitvoeringsregels voor de door die richtlijn geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van die staten. Die nadere regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan de regels die voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel) (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 303 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
91
Wat de eerbiediging van het doeltreffendheidsbeginsel betreft — het enige beginsel dat in casu relevant is — volgt uit de rechtspraak dat de vraag of een nationale procedurele bepaling het onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om het Unierecht toe te passen, steeds moet worden onderzocht rekening houdend met de plaats van die bepaling in de gehele procedure bij de verschillende nationale instanties en met het verloop en de bijzondere kenmerken van die procedure. Daartoe moet zo nodig rekening worden gehouden met de beginselen die aan het nationale stelsel van rechtspleging ten grondslag liggen, zoals de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 304 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
92
De nationale bepalingen — en, in voorkomend geval, de nationale rechtspraak waarin die bepalingen worden toegepast — die de gevolgen regelen van de herroeping door de consument van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een overeenkomst tot levering van goederen, mogen dus geen afbreuk doen aan de doeltreffendheid en effectiviteit van het in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 bedoelde herroepingsrecht.
93
In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing in de eerste plaats dat krachtens § 357, lid 7, van het BGB de consument verplicht is een compenserende vergoeding wegens de waardevermindering van het goed te betalen wanneer deze het gevolg is van een behandeling van het goed die niet noodzakelijk was om de aard, de kenmerken en de werking ervan na te gaan, op voorwaarde dat de handelaar de consument heeft geïnformeerd over diens herroepingsrecht. In de tweede plaats wordt volgens de rechtspraak van het Bundesgerichtshof het bedrag van deze compenserende vergoeding in omstandigheden als die van het hoofdgeding berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door de consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave van het voertuig.
94
Volgens de door de verwijzende rechter verstrekte gegevens is deze berekeningsmethode gebaseerd op verschillende marktwaarden die het resultaat zijn van transacties op verschillende markten, te weten enerzijds de markt waarop de handelaren verkopen en anderzijds die waarop zij aankopen. Volgens deze gegevens belast die methode de consument niet alleen met de compensatie van de waardevermindering die voortvloeit uit het gebruik van het voertuig, maar ook met de kosten van wederverkoop, een winstmarge en de belasting over de toegevoegde waarde. Het gaat namelijk om lasten die inherent zijn aan de gebruikmaking van het herroepingsrecht en die losstaan van het gebruik van het voertuig door de consument. Dit zou erop neerkomen dat de consument wordt verplicht om een vergoeding te betalen wegens de loutere gebruikmaking van het herroepingsrecht. Hieruit volgt dat het bedrag van die vergoeding hoog kan zijn, zelfs wanneer het voertuig voor de gebruikmaking van het herroepingsrecht nooit is geregistreerd of gebruikt.
95
In dit verband moet worden opgemerkt dat het Hof met betrekking tot het in richtlijn 97/7 bedoelde herroepingsrecht in geval van een op afstand gesloten overeenkomst reeds heeft geoordeeld dat de aan de lidstaten toegekende bevoegdheid om de voorwaarden en regels van dat recht te bepalen, moet worden uitgeoefend met inachtneming van de doelstelling van deze richtlijn en geen afbreuk mag doen aan de doeltreffendheid en de effectiviteit van dat recht. Dit zou het geval zijn wanneer het bedrag van een compenserende vergoeding wegens waardevermindering van een goed, die de consument bij de teruggave van het goed aan de kredietgever verschuldigd is, niet in verhouding staat tot de koopprijs van dat goed (zie in die zin arrest van 3 september 2009, Messner, C-489/07, EU:C:2009:502, punt 27).
96
Deze uitlegging geldt ook voor richtlijn 2008/48. Net als richtlijn 97/7, waarvan overweging 14 vermeldde dat de lidstaten de bevoegdheid hadden om de voorwaarden en regels voortvloeiend uit het herroepingsrecht te bepalen, kent richtlijn 2008/48 de lidstaten immers speelruimte toe, aangezien — zoals reeds is opgemerkt in punt 89 van het onderhavige arrest — deze richtlijn het aan hen overlaat om de aangelegenheden betreffende de teruggave van het door het krediet gefinancierde goed of enige andere daarmee samenhangende aangelegenheid te regelen. Zoals blijkt uit punt 92 van het onderhavige arrest, vereist het doeltreffendheidsbeginsel bovendien dat de nationale bepalingen die de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht regelen, de doeltreffendheid en effectiviteit van dit recht niet zodanig aantasten dat de uitoefening van dat recht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt.
97
De evenredigheid van de compenserende vergoeding die van de consument kan worden gevorderd nadat hij van zijn herroepingsrecht gebruik heeft gemaakt, moet worden beoordeeld aan de hand van een uitvoerige analyse, waarbij rekening wordt gehouden met de gebruikswijze die eigen is aan het goed in kwestie en met de staat van het voertuig op het tijdstip van de teruggave ervan, met name uit het oogpunt van een eventuele mechanische beschadiging of esthetische wijziging als gevolg van dat gebruik. Het enkele feit dat de aldus bepaalde compenserende vergoeding hoog kan zijn in verhouding tot de door de consument betaalde aankoopprijs van het voertuig, kan als zodanig niet aantonen dat deze vergoeding onevenredig is en dat de berekeningsmethode voor die vergoeding de uitoefening van het herroepingsrecht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, voor zover het bedrag van die vergoeding objectief de werkelijke waardevermindering van dat voertuig weergeeft, waarbij die waardevermindering het gevolg is van het gebruik van het voertuig door de consument en de staat waarin het zich bevindt op het tijdstip van teruggave.
98
Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moet daarentegen worden geoordeeld dat een berekeningsmethode die uitsluitend is gebaseerd op het prijsverschil tussen de aankoop en de wederverkoop van het voertuig en die rekening houdt met factoren die geen verband houden met het gebruik van dit voertuig, zoals handelsmarges en kosten van wederverkoop — die eenzijdig door de autohandelaar worden vastgesteld — alsook de belasting over de toegevoegde waarde, het niet mogelijk maakt om de waardevermindering van dat voertuig als gevolg van het gebruik ervan door de consument te beoordelen. Bovendien merkt de verwijzende rechter terecht op dat deze factoren zelfs een rol spelen wanneer het voertuig niet is geregistreerd en gebruikt voor de uitoefening van het herroepingsrecht. Deze methode lijkt deze consument dus een last op te leggen die uitsluitend voortvloeit uit de uitoefening van zijn herroepingsrecht.
99
In die omstandigheden kan een berekeningsmethode voor een compenserende vergoeding wegens de waardevermindering van een goed als die welke in het hoofdgeding aan de orde is leiden tot een vergoeding die onevenredig is ten opzichte van de aankoopprijs van dat goed en de uitoefening van het herroepingsrecht in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
100
Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke, wanneer de consument gebruikmaakt van het herroepingsrecht met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, het bedrag van de compenserende vergoeding wegens waardevermindering die deze consument bij de teruggave van het voertuig aan de kredietgever verschuldigd is, wordt berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door die consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave van dat voertuig, voor zover bij deze berekeningsmethode rekening wordt gehouden met factoren die geen verband houden met het gebruik van dit voertuig door de consument.
Tweede vraag
101
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of richtlijn 2008/48, gelet op artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, aldus moet worden uitgelegd dat zij een volledige harmonisatie tot stand brengt van de regels betreffende de gevolgen van de uitoefening door de consument van zijn recht om een kredietovereenkomst te herroepen die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig.
102
In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat uit artikel 22, lid 1, van richtlijn 2008/48, uitgelegd tegen de achtergrond van de overwegingen 9 en 10 ervan, blijkt dat deze richtlijn voor de binnen haar werkingssfeer vallende kredietovereenkomsten voorziet in een volledige harmonisatie en, zoals volgt uit het opschrift van dat artikel 22, een dwingend karakter heeft. Hieruit volgt dat de lidstaten voor de door die harmonisatie specifiek bestreken materies geen nationale bepalingen mogen handhaven of invoeren die afwijken van de bepalingen waarin in deze richtlijn is voorzien (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 295 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
103
Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2008/48 bepaalt dat deze richtlijn van toepassing is op kredietovereenkomsten en, zoals blijkt uit artikel 3, onder n), van deze richtlijn, waarvan de bewoordingen in punt 87 van het onderhavige arrest in herinnering zijn gebracht, vallen ‘gelieerde kredietovereenkomsten’ onder de categorie ‘kredietovereenkomsten’. Hieruit volgt dat gelieerde kredietovereenkomsten in de zin van dat artikel 3, onder n), niet louter op grond van hun voorwerp van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten.
104
Artikel 14, lid 3, onder b), van richtlijn 2008/48 bepaalt echter enkel dat indien de consument van zijn herroepingsrecht gebruikmaakt, hij onverwijld en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de herroeping aan de kredietgever heeft gestuurd, de kredietgever het geleende kapitaal en de op dit kapitaal lopende rente terugbetaalt vanaf de datum waarop het krediet is opgenomen tot de datum waarop het kapitaal wordt terugbetaald. De verschuldigde debetrente wordt berekend aan de hand van de overeengekomen debetrentevoet.
105
In de tweede plaats moet om te beginnen worden benadrukt, zoals in punt 89 van het onderhavige arrest is opgemerkt, dat richtlijn 2008/48 geen bepalingen bevat over de gevolgen van de gebruikmaking van het herroepingsrecht door de consument met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan de overeenkomst tot levering van goederen. Bovendien wordt in overweging 35 van die richtlijn uiteengezet dat deze richtlijn de regelgeving van de lidstaten inzake de teruggave van het door het krediet gefinancierde goed of daarmee samenhangende aangelegenheden onverlet laat (arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a., C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 302).
106
Vervolgens, zoals de advocaat-generaal in de punten 34 en 37 van zijn conclusie heeft opgemerkt, zegt artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 niets over wat er moet gebeuren met het gefinancierde goed of over eventuele wisselwerkingen tussen de gelieerde kredietovereenkomst en de koopovereenkomst voor het voertuig. De enige bepaling van deze richtlijn die verwijst naar de gevolgen van de gebruikmaking van een herroepingsrecht bij een gelieerde kredietovereenkomst, namelijk artikel 15, lid 1, betreft het geval waarin een consument een dergelijk in het Unierecht voorzien recht uitoefent met betrekking tot een overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een dienst. Daarentegen wordt in geen enkele bepaling van richtlijn 2008/48 het geval geregeld waarin het herroepingsrecht waarvan de consument gebruikmaakt betrekking heeft op de gelieerde kredietovereenkomst zelf.
107
Ten slotte en zoals reeds in punt 90 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, zijn bij gebreke van specifieke Unieregeling ter zake de nadere uitvoeringsregels voor de door richtlijn 2008/48 geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van die staten. Die nadere regels mogen echter niet ongunstiger zijn dan de regels die voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).
108
Hieruit volgt dat de Uniewetgever heeft willen waarborgen dat de uitoefening van het herroepingsrecht doeltreffend is, maar tegelijkertijd de lidstaten een beoordelingsmarge heeft gelaten met betrekking tot de uitvoering van die herroeping in het specifieke kader van de gelieerde kredietovereenkomst. Richtlijn 2008/48 brengt dus geen volledige harmonisatie tot stand van alle rechtsgevolgen die uit de herroeping van een dergelijke overeenkomst kunnen voortvloeien.
109
Bijgevolg staat het aan de lidstaten om, met inachtneming van het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel, de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht in het kader van een aan een overeenkomst voor de levering van goederen gelieerde kredietovereenkomst nader te omschrijven, met inbegrip van, in voorkomend geval, de verplichting om de op het kapitaal lopende rente te betalen en de regeling van deze verplichting.
110
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat zij geen volledige harmonisatie tot stand brengt van de regels betreffende de gevolgen van de uitoefening door de consument van zijn recht om een kredietovereenkomst te herroepen die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig.
Derde vraag
111
Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling volgens welke de consument, na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de in deze kredietovereenkomst vastgestelde debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever of de verkoper.
112
Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 voorziet in een herroepingsrecht ten gunste van de consument zonder dat deze zijn beslissing hoeft te motiveren. Bovendien blijkt uit artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van deze richtlijn dat indien de consument van zijn herroepingsrecht gebruikmaakt, hij verplicht is het kapitaal en de debetrente terug te betalen tegen de overeengekomen debetrentevoet voor de periode tussen de terbeschikkingstelling van het krediet en de volledige terugbetaling ervan.
113
Uit het antwoord op de tweede vraag blijkt dat artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 geen volledige harmonisatie tot stand brengt van de regels betreffende de gevolgen van de uitoefening door de consument van zijn recht om een kredietovereenkomst te herroepen die gelieerd is aan een overeenkomst voor de levering van goederen, zoals de aankoop van een voertuig.
114
Zoals blijkt uit overweging 8 van richtlijn 2008/48, beoogt deze bepaling echter een evenwicht te verzekeren tussen consumentenbescherming en het vrije verkeer van kredietaanbiedingen. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het Unierecht zich er niet tegen verzet dat een nationale regeling bepaalt dat consumenten, wanneer zij een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig herroepen, verplicht zijn om de debetrente te betalen over het tijdvak vanaf de daadwerkelijke terbeschikkingstelling van het krediet tot aan de teruggave van het goed.
115
Deze beoordeling wordt ten eerste bevestigd door het feit dat de kredietgever tijdelijk afstand heeft gedaan van het kredietbedrag dat aan de verkoper van het voertuig is betaald ten behoeve van de consument, hetgeen voor hem een immobilisatie van middelen en een financieel risico inhoudt. Ten tweede vormt de op het kapitaal lopende rente geen boete, maar de tegenprestatie voor de toegang tot het krediet, hetgeen in beginsel een transactie tegen betaling is, los van de uitoefening van het herroepingsrecht.
116
Bovendien kan, zoals de advocaat-generaal in punt 49 van zijn conclusie in essentie heeft opgemerkt, het contractuele evenwicht worden gehandhaafd door de eventueel op de consument rustende verplichting tot betaling van de debetrente die wordt berekend met inachtneming van de daadwerkelijke duur van de terbeschikkingstelling van het krediet. Deze verplichting belet dat een partij door gebruik te maken van haar herroepingsrecht een ongerechtvaardigd voordeel behaalt ten nadele van de andere partij en waarborgt een billijke verdeling van de lasten en voordelen die voortvloeien uit de — zij het gedeeltelijke en tijdelijke — uitvoering van de kredietovereenkomst.
117
Niettemin zij eraan herinnerd dat, zoals in de punten 90 en 91 van het onderhavige arrest is benadrukt, bij gebreke van specifieke Unieregeling ter zake, de nadere uitvoeringsregels voor de door richtlijn 2008/48 geboden consumentenbescherming een aangelegenheid van de interne rechtsorde van de lidstaten is en dat die nadere regels het gelijkwaardigheids- en het doeltreffendheidsbeginsel moeten eerbiedigen.
118
Voorts kunnen de antwoorden van het Hof op de eerste en de onderhavige vraag de verwijzende rechter duidelijkheid verschaffen wat zijn vragen betreft over een eventuele ongerechtvaardigde verrijking ten gunste van de consument of de kredietgever.
119
Gelet op een en ander moet op de derde vraag worden geantwoord dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de consument, na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de in deze kredietovereenkomst vastgestelde debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever of de verkoper.
Kosten
120
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 10, lid 2, onder l), en artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad
moeten aldus worden uitgelegd dat
de in artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingstermijn niet ingaat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage, en dat zolang deze informatie niet naar behoren aan de consument is meegedeeld.
- 2)
Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48
moet aldus worden uitgelegd dat
het eraan in de weg staat dat de kredietgever zich op geldige wijze kan beroepen op misbruik door de consument van het in dat artikel 14, lid 1, bedoelde herroepingsrecht vanwege de handelwijze van de consument tussen de sluiting van de overeenkomst en de uitoefening van het herroepingsrecht, of zelfs na die uitoefening, wanneer de door artikel 10, lid 2, onder l), van die richtlijn vereiste vermelding, in de vorm van een concreet percentage, van de op het tijdstip van het sluiten van die overeenkomst geldende vertragingsrentevoet, niet in de kredietovereenkomst was opgenomen en evenmin achteraf naar behoren is meegedeeld.
- 3)
Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel,
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke, wanneer de consument gebruikmaakt van het herroepingsrecht met betrekking tot een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, het bedrag van de compenserende vergoeding wegens waardevermindering die deze consument bij de teruggave van het voertuig aan de kredietgever verschuldigd is, wordt berekend door van de verkoopprijs die de handelaar bij de aankoop van het voertuig door die consument in rekening heeft gebracht, de aankoopprijs af te trekken die de handelaar heeft betaald op het tijdstip van de teruggave van dat voertuig, voor zover bij deze berekeningsmethode rekening wordt gehouden met factoren die geen verband houden met het gebruik van dit voertuig door de consument.
- 4)
moet aldus worden uitgelegd dat
dat zij geen volledige harmonisatie tot stand brengt van de regels betreffende de gevolgen van de uitoefening door de consument van zijn recht om een kredietovereenkomst te herroepen die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig.
- 5)
Artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich niet verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan de consument, na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de in deze kredietovereenkomst vastgestelde debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever of de verkoper.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 30‑10‑2025
Conclusie 10‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Consumentenbescherming — Kredietovereenkomst voor de aanschaf van een voertuig — Richtlijn 2008/48/EG — Artikel 14, lid 1 — Herroepingsrecht — Gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht in het kader van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst — Verplichtingen van de consument ten aanzien van de kredietgever — Artikel 14, lid 3, onder b) — Betaling van debetrente na herroeping van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan een overeenkomst voor de levering van goederen
D. Spielmann
Partij(en)
Zaak C-143/231.
KI,
FA,
tegen
Mercedes-Benz Bank AG,
Volkswagen Bank GmbH
[verzoek van het Landgericht Ravensburg (rechter in eerste aanleg Ravensburg, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
In de onderhavige zaak verzoekt het Landgericht Ravensburg (rechter in eerste aanleg Ravensburg, Duitsland) het Hof om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 2008/48/EG2. tegen de achtergrond van gedingen tussen twee consumenten en autokredietbedrijven over de uitoefening van het herroepingsrecht in het kader van kredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig.
2.
Deze zaak biedt het Hof de gelegenheid zijn rechtspraak te verfijnen, met name met betrekking tot de gevolgen van het door de consument uitgeoefende herroepingsrecht in het kader van een gelieerde kredietovereenkomst. Meer in het bijzonder moet aan de hand van de tweede en de derde prejudiciële vraag — waarop deze conclusie zich zal toespitsen — worden nagegaan, ten eerste, of artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 een volledige harmonisatie tot stand brengt voor gelieerde kredietovereenkomsten en, ten tweede, of het verenigbaar is met het Unierecht dat de kredietnemer na herroeping van een gelieerde kredietovereenkomst de contractuele debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van teruggave van het voertuig aan de kredietgever dan wel aan de verkoper.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3.
De overwegingen 7 tot en met 10, 31, 34 en 35 van richtlijn 2008/48 luiden als volgt:
- ‘(7)
Teneinde de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken, moet op een aantal kerngebieden een geharmoniseerd communautair kader worden geschapen. Met toekomstgerichte communautaire voorschriften die aan toekomstige kredietvormen kunnen worden aangepast en die de lidstaten de nodige speelruimte laten bij de omzetting daarvan, dient, met het oog op de gestage ontwikkeling van de markt voor consumentenkrediet en de toenemende mobiliteit van de Europese burger, een bijdrage te worden geleverd aan een modern consumentenkrediet.
- (8)
Het is van belang dat de markt de consument voldoende bescherming biedt teneinde diens vertrouwen niet te schaden. Op die manier moet het vrije verkeer van kredietaanbiedingen voor zowel kredietgevers als kredietnemers optimaal kunnen functioneren, met inachtneming van de specifieke situaties in de afzonderlijke lidstaten.
- (9)
Volledige harmonisatie is nodig om te waarborgen dat alle consumenten in de Gemeenschap een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om een echte interne markt te creëren. Het mag de lidstaten derhalve niet worden toegestaan andere nationale bepalingen te handhaven of in te voeren dan er in deze richtlijn zijn vastgelegd. Deze beperking moet echter alleen gelden voor door deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen. Wanneer zulke geharmoniseerde bepalingen niet bestaan, moeten de lidstaten de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren. Zo kunnen de lidstaten bijvoorbeeld nationale bepalingen handhaven of invoeren inzake de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verkoper of de aanbieder van diensten en de kredietgever. Een ander voorbeeld van deze mogelijkheid voor de lidstaten is het handhaven of invoeren van nationale bepalingen over het annuleren van een koop- of dienstverleningsovereenkomst indien de consument gebruikmaakt van zijn recht van herroeping van de kredietovereenkomst. […]
- (10)
De in deze richtlijn vervatte definities bepalen het toepassingsgebied van de harmonisatie. De verplichting voor de lidstaten om uitvoering te geven aan de bepalingen van deze richtlijn dient derhalve te worden beperkt tot het toepassingsgebied zoals dat door deze definities is omschreven. Deze richtlijn mag de lidstaten evenwel niet beletten de bepalingen van de richtlijn overeenkomstig het gemeenschapsrecht toe te passen op gebieden die niet onder het toepassingsgebied ervan vallen. Derhalve kan een lidstaat met betrekking tot kredietovereenkomsten die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen nationale wetgeving handhaven of invoeren die overeenstemt met een aantal of alle bepalingen van de richtlijn, bijvoorbeeld nationale wetgeving inzake kredietovereenkomsten die betrekking hebben op bedragen van minder dan 200 EUR of van meer dan 75 000 EUR. Voorts kunnen de lidstaten de bepalingen van deze richtlijn toepassen op gelieerd krediet dat niet onder de definitie valt die deze richtlijn geeft van een gelieerde kredietovereenkomst. Zo kunnen de bepalingen over gelieerde kredietovereenkomsten worden toegepast op kredietovereenkomsten die slechts gedeeltelijk dienen ter financiering van een contract voor de levering van goederen of het verrichten van een dienst.
[…]
- (31)
De kredietovereenkomst moet in duidelijke en beknopte vorm alle noodzakelijke informatie bevatten over de rechten en plichten die voor de consument daaruit voortvloeien, zodat hij daar kennis van kan nemen.
[…]
- (34)
Om de regels voor de uitoefening van het herroepingsrecht op soortgelijke gebieden op elkaar af te stemmen, moet in een herroepingsrecht zonder sancties en zonder opgave van redenen worden voorzien, onder soortgelijke voorwaarden als in richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten [en tot wijziging van de richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB 2002, L 271, blz. 16)].
- (35)
In het geval van een consument die een kredietovereenkomst herroept in verband waarmee hij goederen heeft ontvangen, met name een koop op afbetaling of een huur- of leasingovereenkomst die een koopverplichting omvat, dient deze richtlijn de regelgeving van de lidstaten inzake de teruggave van de goederen of daarmee samenhangende aangelegenheden onverlet te laten.
[…]’
4.
Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Onderwerp’, bepaalt:
‘Deze richtlijn heeft tot doel bepaalde aspecten van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake consumentenkredietovereenkomsten te harmoniseren.’
5.
Artikel 3 van genoemde richtlijn, met als opschrift ‘Definities’, bepaalt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder:
[…]
- n)
‘gelieerde kredietovereenkomst’: een kredietovereenkomst waarbij geldt dat:
- i)
het betreffende krediet uitsluitend dient ter financiering van een overeenkomst voor de levering van een bepaald goed of de verrichting van een bepaalde dienst, en
- ii)
die twee overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen; een commerciële eenheid wordt geacht te bestaan indien de leverancier of de dienstenaanbieder zelf het krediet van de consument financiert of, in het geval van financiering door een derde, indien de kredietgever bij het voorbereiden of sluiten van de kredietovereenkomst gebruikmaakt van de diensten van de leverancier of dienstenaanbieder, dan wel indien de bepaalde goederen of de levering van een bepaalde dienst uitdrukkelijk worden vermeld in de kredietovereenkomst.’
6.
Artikel 10 van dezelfde richtlijn, met als opschrift ‘In de kredietovereenkomst te vermelden informatie’, bepaalt in lid 2:
‘In de kredietovereenkomst worden op duidelijke en beknopte wijze vermeld:
[…]
- l)
de op het tijdstip van het sluiten van de kredietovereenkomst geldende rentevoet in geval van betalingsachterstand daarvan alsmede de wijzigingsmodaliteiten en, in voorkomend geval, kosten van niet-nakoming;
[…]’
7.
Artikel 14 van richtlijn 2008/48, met als opschrift ‘Herroepingsrecht’, bepaalt:
- ‘1.
De consument beschikt over een termijn van veertien kalenderdagen om de kredietovereenkomst zonder opgave van redenen te herroepen.
De termijn waarbinnen een overeenkomst kan worden herroepen gaat in:
- a)
op de dag van de sluiting van de kredietovereenkomst, of
- b)
op de dag waarop de consument de contractuele voorwaarden en informatie overeenkomstig artikel 10 ontvangt, als die dag later valt dan de onder a) van deze alinea bedoelde datum.
[…]
- 3.
Indien de consument van zijn herroepingsrecht gebruikmaakt,
- a)
stelt hij de kredietgever, teneinde de herroeping uitwerking te geven vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn, hiervan in lijn met de door de kredietgever ingevolge artikel 10, lid 2, onder p), verstrekte informatie in kennis op een wijze die bewijs volgens de nationale rechtsvoorschriften mogelijk maakt. De termijn wordt geacht te zijn nageleefd indien die kennisgeving, op papier of op een andere duurzame drager waarover de kredietgever beschikt en waartoe hij toegang heeft, vóór het verstrijken van de termijn is verzonden, en
- b)
betaalt hij onverwijld en uiterlijk binnen 30 kalenderdagen nadat hij de kennisgeving van de herroeping aan de kredietgever heeft gestuurd, de kredietgever het kapitaal en de op dit kapitaal lopende rente, vanaf de datum waarop het krediet is opgenomen tot de datum waarop het kapitaal wordt terugbetaald. De verschuldigde debetrente wordt berekend aan de hand van de overeengekomen debetrentevoet. De kredietgever heeft bij herroeping geen recht op een andere vergoeding van de consument, met uitzondering van de vergoeding voor niet voor terugbetaling in aanmerking komende kosten die de kredietgever aan een overheidsorgaan heeft betaald.
[…]’
8.
Artikel 15 van deze richtlijn, met als opschrift ‘Gelieerde kredietovereenkomsten’, bepaalt in de leden 1 en 2 het volgende:
- ‘1.
Indien de consument op grond van het Gemeenschapsrecht een contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst heeft herroepen, is hij niet langer gebonden aan de daarmee gelieerde kredietovereenkomst.
- 2.
Indien de onder de gelieerde kredietovereenkomst vallende goederen of diensten niet of slechts gedeeltelijk geleverd, respectievelijk verricht worden of niet met de voorwaarden van het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst in overeenstemming zijn, kan de consument zijn rechten doen gelden jegens de leverancier, respectievelijk de dienstverrichter, indien hij niet de genoegdoening heeft gekregen waarop hij overeenkomstig de wet of het contract voor de levering van een goed of het verrichten van een dienst recht heeft, na zijn rechten te hebben doen gelden jegens de kredietgever. De lidstaten bepalen in welke mate en onder welke voorwaarden die rechten worden uitgeoefend.’
9.
Artikel 22 van genoemde richtlijn, met als opschrift ‘Harmonisatie en dwingend karakter van de richtlijn’, bepaalt in lid 1:
‘In zoverre deze richtlijn geharmoniseerde bepalingen bevat, mogen de lidstaten geen bepalingen handhaven of invoeren in hun nationale wetgeving die afwijken van die welke in deze richtlijn zijn vastgesteld.’
10.
Artikel 23 van dezelfde richtlijn, met als opschrift ‘Sancties’, luidt als volgt:
‘De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die gelden voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.’
Duits recht
11.
§ 357a, lid 1, van het Bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek; hierna: ‘BGB’), met als opschrift ‘Rechtsgevolgen van de herroeping van overeenkomsten betreffende financiële diensten’, bepaalde, in de versie die gold ten tijde van de feiten van het hoofdgeding:
- ‘(1)
Ontvangen prestaties moeten binnen 30 dagen worden geretourneerd.
[…]
- (3)
Indien een kredietnemer een consumentenkredietovereenkomst herroept, dient hij over de periode tussen de uitbetaling en de terugbetaling van de lening de overeengekomen debetrente te betalen. […]’
12.
In § 358 BGB, in de versie die gold ten tijde van de feiten van het hoofdgeding, was het volgende bepaald:
- ‘(1)
Indien de consument zijn intentieverklaring voor het sluiten van een overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een andere dienst door een handelaar op geldige wijze heeft herroepen, is hij ook niet meer gebonden aan zijn intentieverklaring voor het sluiten van een aan die overeenkomst gelieerde consumentenkredietovereenkomst.
- (2)
Indien de consument zijn intentieverklaring voor het sluiten van een consumentenkredietovereenkomst op grond van § 495, lid 1, of § 514, lid 2, eerste volzin, op geldige wijze heeft herroepen, is hij ook niet meer gebonden aan zijn intentieverklaring voor het sluiten van een aan die consumentenkredietovereenkomst gelieerde overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een andere dienst.
- (3)
Een overeenkomst voor de levering van een goed of de verrichting van een andere dienst en een kredietovereenkomst krachtens de leden 1 en 2 zijn gelieerd indien het krediet geheel of gedeeltelijk wordt gebruikt voor de financiering van de andere overeenkomst en beide overeenkomsten een economische eenheid vormen. Die eenheid moet met name worden aangenomen wanneer de ondernemer de tegenprestatie van de consument zelf financiert of, in geval van financiering door een derde partij, wanneer de kredietgever de ondernemer betrekt bij het opstellen of het sluiten van de kredietovereenkomst.
- (4)
[§ 357 is] van overeenkomstige toepassing op de ongedaanmaking van de gelieerde overeenkomst. […] Met betrekking tot de rechtsgevolgen van de herroeping of de teruggaaf treedt de kredietgever in zijn betrekkingen met de consument in de uit de gelieerde overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de handelaar, indien het bedrag van de lening op het moment dat de herroeping van kracht wordt, reeds aan de handelaar is betaald.’
Feiten, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
13.
Op 1 maart 2019 en 30 november 2017 hebben KI enerzijds en FA anderzijds kredietovereenkomsten gesloten met respectievelijk Mercedes-Benz Bank AG en Volkswagen Bank GmbH voor de aanschaf van een motorvoertuig voor privégebruik. De nettobedragen van de kredietovereenkomsten bedroegen respectievelijk 29 500 EUR en 35 000 EUR en werden rechtstreeks aan de verkopers van de voertuigen betaald.
14.
Bij het sluiten van de kredietovereenkomsten hebben Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank een beroep gedaan op de diensten van de verkoper van de voertuigen in de hoedanigheid van tussenpersoon.
15.
In geen van beide kredietovereenkomsten was de bij het sluiten van de overeenkomst geldende vertragingsrentevoet numeriek als percentage vermeld.
16.
KI en FA hebben op grond van deze beide overeenkomsten termijnbedragen, daaronder begrepen aanbetalingen, betaald voor een totaalbedrag van respectievelijk 8 924,48 EUR en 24 800 EUR.
17.
Bij brieven van respectievelijk 31 oktober 2019 en 20 juli 2020 hebben KI en FA hun op het sluiten van de kredietovereenkomst gerichte wilsverklaring herroepen.
18.
KI en FA stellen dat de herroeping geldig is, aangezien de termijn voor de uitoefening van dat recht nog niet was ingegaan wegens onjuiste verplichte informatie in hun overeenkomst.
19.
Elk van hen heeft bij de verwijzende rechter een vordering ingesteld tegen respectievelijk Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank.
20.
Aan de ene kant vordert KI in wezen terugbetaling van de vóór zijn herroeping betaalde termijnbedragen en van de aan de verkoper betaalde aanbetaling, voor een totaalbedrag van 8 924,48 EUR. Voorts vordert hij vast te stellen dat hij op grond van zijn herroeping niet langer rente of aflossingsbedragen verschuldigd is.
21.
Aan de andere kant vordert FA in wezen terugbetaling van de vóór zijn herroeping krachtens de kredietovereenkomst betaalde termijnbedragen en van de aan de verkoper betaalde aanbetaling, voor een totaalbedrag van 24 800 EUR. Ook vordert hij om vast te stellen dat hij vanaf zijn herroeping niet langer rente of aflossingsbedragen verschuldigd is.
22.
Mercedes-Benz Bank en Volkswagen Bank concluderen tot afwijzing van de respectieve vorderingen. In wezen beroepen zij zich op niet-ontvankelijkheid van deze vorderingen en verval van het herroepingsrecht. Mercedes-Benz Bank voert tevens onrechtmatige uitoefening van het herroepingsrecht aan en vordert subsidiair in reconventie dat KI wordt verplicht tot betaling van een schadevergoeding voor de waardevermindering van het voertuig tot en met de teruggave ervan, alsook tot betaling van een gebruiksvergoeding ter hoogte van 3,92 % per jaar over het nog openstaande saldo van de lening voor de periode tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper en de teruggave van het voertuig.
23.
In deze omstandigheden heeft de verwijzende rechter beslist om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vragen te stellen:
- ‘1)
Is het verenigbaar met het Unierecht, in het bijzonder met artikel 14, lid 1, van richtlijn [2008/48], dat in het geval van een herroepen consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een in een fysieke winkel gesloten koopovereenkomst voor een voertuig, de hoogte van de vergoeding voor de waardevermindering van het gefinancierde voertuig die de consument bij teruggave van het gefinancierde voertuig aan de kredietgever moet betalen, wordt berekend door de verkoopprijs van de handelaar op het tijdstip van de verwerving van het voertuig door de consument te verminderen met de aankoopprijs van de handelaar op het tijdstip van de teruggave van het voertuig?
- 2)
Brengt de regeling van artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn [2008/48] voor consumentenkredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig, een volledige harmonisatie tot stand en is zij derhalve bindend voor de lidstaten?
Indien de tweede prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord:
- 3)
Is het verenigbaar met het Unierecht, in het bijzonder met artikel 14, lid 1, van richtlijn [2008/48], dat de kredietnemer na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de contractuele debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever (of de verkoper)?’
24.
Bij beslissing van 18 april 2023 is de onderhavige zaak geschorst in afwachting van de uitspraak in de gevoegde zaken C-38/21, C-47/21 en C-232/21.
25.
Bij brief van 21 december 2023 heeft de griffie van het Hof het in deze zaken gewezen arrest3. aan de verwijzende rechter toegezonden met het verzoek om aan te geven of hij in het licht van dat arrest zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
26.
Bij neerlegging via e-Curia op 10 april 2024 heeft de verwijzende rechter het Hof geantwoord dat hij zijn verzoek om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven en dat hij het noodzakelijk achtte om de hiernavolgende nieuwe vragen toe te voegen:
- ‘4)
- a)
Moet artikel 10, lid 2, onder l), juncto artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn [2008/48] aldus worden uitgelegd dat de herroepingstermijn niet ingaat wanneer in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage?
Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:
- b)
Is de niet-vermelding van deze informatie van dien aard dat zij het vermogen van een gemiddelde consument om de omvang van zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te beoordelen of zijn beslissing om de overeenkomst te sluiten ongunstig beïnvloedt en hem in voorkomend geval de mogelijkheid ontneemt om zijn rechten onder in wezen dezelfde voorwaarden uit te oefenen als indien die informatie wél volledig en correct was geweest?
- 5)
- a)
Moet de door de kredietgever opgeworpen exceptie dat de consument vanwege zijn handelwijze tussen de sluiting van de overeenkomst en de uitoefening van het herroepingsrecht, of na de uitoefening van het herroepingsrecht, misbruik van dat recht heeft gemaakt, worden verworpen op grond dat in de kredietovereenkomst de op het tijdstip van het sluiten ervan geldende vertragingsrentevoet niet is vermeld in de vorm van een concreet percentage?
Indien deze vraag ontkennend wordt beantwoord:
- b)
Kan de kwalificatie als rechtsmisbruik met name worden gebaseerd op de volgende feiten:
- —
de consument blijft het gefinancierde voertuig gebruiken totdat de rechter zich heeft uitgesproken over de geldigheid van de herroeping;
- —
de consument weigert een compenserende vergoeding te betalen voor het gebruik van het voertuig?’
Analyse
27.
Overeenkomstig het verzoek van het Hof zal deze conclusie zich uitsluitend toespitsen op de tweede en de derde vraag.
Tweede vraag
28.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen van het Hof te vernemen of artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 aldus moet worden uitgelegd dat het een volledige harmonisatie tot stand brengt voor consumentenkredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig.
29.
Het Hof wordt met andere woorden verzocht te bepalen of met artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 een volledige harmonisatie tot stand is gebracht voor de op de kredietnemer rustende verplichting tot betaling van de debetrente, ook wanneer het gefinancierde krediet gelieerd is aan een koopovereenkomst voor goederen of diensten.
30.
In de eerste plaats zij erop gewezen dat richtlijn 2008/48 is vastgesteld met het oog op de bevordering van een goed functionerende markt en een hoog niveau van consumentenbescherming op het gebied van krediet4. en een volledige harmonisatie tot stand brengt voor alle kredietovereenkomsten die binnen de werkingssfeer ervan vallen.
31.
In dit verband heeft het Hof verklaard dat uit artikel 22, lid 1, van richtlijn 2008/48, gelezen in het licht van de overwegingen 9 en 10 ervan, voortvloeit dat deze richtlijn dwingend is voor de kredietovereenkomsten die binnen de werkingssfeer ervan vallen en beoogt te waarborgen dat de daarin vervatte regels in alle lidstaten uniform worden toegepast. Bijgevolg mogen de lidstaten, wanneer deze richtlijn precieze verplichtingen oplegt, daarvan niet afwijken door afwijkende of strengere nationale bepalingen toe te passen.5. Deze harmonisatie vindt haar rechtvaardiging in het streven om alle Europese consumenten bij het sluiten van een kredietovereenkomst een gelijkwaardig niveau van bescherming te garanderen en het grensoverschrijdend verrichten van financiële diensten te vergemakkelijken. Bij gebreke van dergelijke geharmoniseerde bepalingen moeten de lidstaten echter de vrijheid behouden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren.6.
32.
In de tweede plaats wordt het begrip ‘gelieerde kredietovereenkomst’ in artikel 3, onder n), van richtlijn 2008/48 omschreven als een kredietovereenkomst die uitsluitend dient ter financiering van de levering van bepaalde goederen of diensten en die een commerciële eenheid vormt met de desbetreffende koop- of dienstverleningsovereenkomst. In de praktijk beantwoorden leningen die worden toegekend voor de financiering van een motorvoertuig voor privégebruik volledig aan deze definitie, voor zover zij niet van de werkingssfeer van deze richtlijn zijn uitgesloten.7. De commerciële eenheid tussen de lening en de aanschaf van het goed komt vaak tot uiting in het gelijktijdig sluiten van de beide overeenkomsten of in hun nauwe economische samenhang. Om die reden heeft de Uniewetgever naar mijn mening deze kredietcategorie zodanig willen regelen dat de consument, die aan twee onderling afhankelijke overeenkomsten is gebonden, niettemin een effectieve bescherming kan genieten, rekening houdend met de specifieke risico's verbonden aan de onderlinge verwevenheid van een lening en de aanschaf van een goed.
33.
In de derde plaats is ter concretisering van deze bescherming in artikel 14 van richtlijn 2008/48 een herroepingsrecht neergelegd op grond waarvan de consument binnen een vooraf bepaalde termijn en zonder opgave van redenen van zijn verbintenis kan terugkomen. De uitoefening van dit recht, waarmee wordt beoogd om ten eerste de gevolgen te temperen van mogelijk impulsieve beslissingen om schulden aan te gaan en ten tweede de consument toereikende informatie over de kredietvoorwaarden te bezorgen, doet tegelijkertijd verplichtingen ontstaan. Zo verplicht artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van genoemde richtlijn de consument in geval van herroeping tot terugbetaling van het kapitaal en de rente die daarover is gelopen vanaf de datum van terbeschikkingstelling van de gelden tot aan de datum van terugbetaling ervan.
34.
Dit neemt niet weg dat deze bepaling niets zegt over wat er moet gebeuren met het gefinancierde goed of over eventuele wisselwerkingen tussen de gelieerde kredietovereenkomst en de koopovereenkomst voor het voertuig. Naar mijn aanvoelen bestaat de geest van richtlijn 2008/48 erin ervoor te zorgen dat de uitoefening van het herroepingsrecht haar volle werking behoudt, waarbij de lidstaten een beoordelingsmarge wordt gelaten met betrekking tot de uitoefening van dit herroepingsrecht tegen de specifieke achtergrond van gelieerde kredietovereenkomsten, wat inhoudt dat deze richtlijn geen volledige harmonisatie beoogt van alle juridische gevolgen die zich kunnen voordoen.
35.
Overweging 35 van genoemde richtlijn is te plaatsen binnen deze benadering. Daarin wordt namelijk uiteengezet dat de regelgeving van de lidstaten inzake de teruggave van het door het krediet gefinancierde goed of daarmee samenhangende aangelegenheden door deze richtlijn onverlet wordt gelaten.8. Ook in overweging 9 van diezelfde richtlijn luidt het dat de lidstaten, bij ontbreken van geharmoniseerde bepalingen, de vrijheid houden om nationale wetgeving te handhaven of in te voeren, met name over het annuleren van een koop- of dienstverleningsovereenkomst indien de consument gebruikmaakt van zijn recht van herroeping van de kredietovereenkomst.
36.
Het Hof heeft geoordeeld dat, bij gebreke van specifieke Unieregelgeving ter zake, de nadere uitvoeringsregels voor de in richtlijn 2008/48 geboden consumentenbescherming op grond van het beginsel van procesautonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van die staten zijn. Die nadere regels mogen evenwel niet ongunstiger zijn dan de regels die voor soortgelijke nationale situaties gelden (gelijkwaardigheidsbeginsel) en mogen de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel).9.
37.
In dit verband is het tekenend dat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2008/48 de enige bepaling is die specifiek is gewijd aan het geval waarin een consument zijn herroepingsrecht uitoefent met betrekking tot een overeenkomst voor de levering van goederen of diensten, wat a contrario impliceert dat deze richtlijn een leemte vertoont met betrekking tot het omgekeerde scenario, namelijk dat waarin het herroepingsrecht eerst voor het krediet zelf wordt ingeroepen.10.
38.
Mijn conclusie is dat richtlijn 2008/48 via artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, ervan weliswaar een volledige harmonisatie tot stand brengt op het gebied van kredietovereenkomsten, maar geen uitputtende regeling bevat voor de gevolgen van herroeping wanneer het krediet is gelieerd aan de aanschaf van een voertuig. Bijgevolg is het de lidstaten toegestaan om, met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, de nadere uitvoeringsregels vast te stellen voor de uitoefening van het herroepingsrecht voor deze gelieerde kredietovereenkomsten.
39.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging te antwoorden dat artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 geen volledige harmonisatie tot stand brengt voor consumentenkredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig.
Derde vraag
40.
Indien de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter met zijn derde vraag te vernemen of het verenigbaar is met het Unierecht, en in het bijzonder met artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48, dat de kredietnemer na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de contractuele debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever (of de verkoper).
Doelstelling van artikel 14 van richtlijn 2008/48
41.
Er zij aan herinnerd dat er in artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 een herroepingsrecht is neergelegd ten voordele van de consument die zich hierop binnen veertien kalenderdagen en zonder opgave van redenen kan beroepen.
42.
Wat de doelstelling van artikel 14 van richtlijn 2008/48 betreft, bestaat deze ten eerste erin de consument de mogelijkheid te bieden om de overeenkomst te kiezen die het best bij zijn behoeften past en dus om overeenkomsten op te zeggen die na sluiting ervan, gedurende de bedenktermijn om het herroepingsrecht uit te oefenen, niet blijken te voldoen aan zijn behoeften. Ten tweede heeft artikel 14, lid 1, tweede alinea, onder b), van deze richtlijn tot doel ervoor te zorgen dat de consument alle informatie ontvangt die nodig is om de omvang van zijn contractuele verbintenis te beoordelen en de kredietgever die hem de in artikel 10 van genoemde richtlijn bedoelde informatie niet verstrekt, te straffen.11. Mijns inziens beoogt deze regeling voornamelijk om de consument voldoende bedenktijd te bieden om zich ervan te vergewissen dat de lening wel degelijk beantwoordt aan zijn behoeften en draagkracht, zodat hij zichzelf kan behoeden voor een verbintenis die dat niet doet.
Gevolgen van het herroepingsrecht in het kader van een gelieerde kredietovereenkomst
43.
Uit het onderzoek van de tweede vraag van de verwijzende rechter12. is gebleken dat artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48 geen volledige harmonisatie tot stand brengt voor de gevolgen van de uitoefening van het herroepingsrecht wanneer de kredietovereenkomst gelieerd is aan een overeenkomst voor de levering van goederen, zoals een koopovereenkomst voor een voertuig.
44.
Volgens artikel 14, lid 3, onder b), van deze richtlijn moet een consument die een ‘klassieke’ kredietovereenkomst herroept, niet alleen het kapitaal terugbetalen, maar ook de overeengekomen debetrente over dat kapitaal voor het tijdvak tussen de terbeschikkingstelling van de gelden tot aan de datum van volledige terugbetaling daarvan. Naar analogie daarmee is het mijns inziens logisch dat, wanneer het krediet bestemd is voor de financiering van de aanschaf van een goed en de consument dat krediet herroept, deze consument wordt verplicht tot betaling van de rente over het tijdvak tussen de effectieve terbeschikkingstelling van de gelden tot aan de teruggave van het goed of de aflossing van het krediet.
45.
De rechtsgrondslag voor deze verplichting ligt naar mijn mening vrij voor de hand: door financiële middelen vrij te maken, neemt de kredietgever het risico van geldontwaarding op zich en ontneemt hij zichzelf het onmiddellijke gebruik van deze middelen. Vanuit dit oogpunt vormt de rente de normale vergoeding van het voorgeschoten kapitaal. Het systematisch ontzeggen van deze rente aan de kredietgever zou neerkomen op het invoeren van ‘gratis krediet’ voor de kredietnemer die hierdoor een ongerechtvaardigd voordeel zonder enige tegenprestatie zou genieten.13. Mijns inziens verbreekt een dergelijke situatie het contractuele evenwicht en komt zij in de buurt van ongerechtvaardigde verrijking in de zin van de gemeenschappelijke beginselen van burgerlijk recht.
46.
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat het beginsel van het verbod van ongerechtvaardigde verrijking, dat in de rechtspraak van het Hof is erkend en in de meeste nationale rechtsorden aanwezig is, vereist dat niemand zich ongerechtvaardigd ten koste van een ander mag verrijken. Zo heeft het Hof, met verwijzing naar de beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, reeds geoordeeld dat een persoon die een verlies heeft geleden waardoor het vermogen van een andere persoon wordt vermeerderd zonder dat een rechtsgrondslag voor die verrijking bestaat, er in het algemeen recht op heeft dat dit verlies door de verrijkte wordt vergoed.
47.
Met betrekking tot ongerechtvaardigde verrijking van de Unie heeft het Hof namelijk geoordeeld dat, hoewel het VWEU niet uitdrukkelijk voorziet in een rechtsmiddel waarmee een dergelijke vordering kan worden ingesteld, een uitlegging van artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU die deze mogelijkheid uitsluit, namelijk zou leiden tot een resultaat dat in strijd is met het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming. De op grond van die bepalingen ingestelde vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking van de Unie vereist het bewijs dat de verweerder zonder geldige rechtsgrondslag14. is verrijkt en dat de verzoeker ten gevolge van die verrijking is verarmd.15.
48.
Bij overeenkomstige toepassing van dit beginsel16. op de omstandigheden van het hoofdgeding17. zou kunnen worden gesteld dat wanneer de kredietnemer tijdens de periode voorafgaand aan de teruggave van het goed kosteloos kan beschikken over de geleende gelden, hem hierdoor de facto een economisch voordeel wordt verleend ‘zonder oorzaak, reden of althans rechtvaardiging’18.. Tijdens die periode heeft de kredietgever namelijk op onherroepelijke wijze financiële middelen vrijgemaakt ten gunste van de kredietnemer, zonder dat hij over deze middelen kan beschikken of die aan andere potentieel winstgevende activiteiten kan besteden, terwijl hij tegelijkertijd de risico's draagt die met de terbeschikkingstelling ervan samenhangen (met name de geldontwaarding en de alternatieve kosten voortvloeiend uit de vastlegging van die middelen).
49.
Derhalve komt het mij voor dat de op de kredietnemer rustende verplichting tot betaling van de over de daadwerkelijke duur van de terbeschikkingstelling van de gelden berekende debetrente een noodzakelijk correctiemechanisme vormt. Op die wijze kan het contractuele evenwicht worden hersteld door te voorkomen dat de ene partij door de uitoefening van haar herroepingsrecht een onrechtmatig voordeel behaalt ten koste van de andere partij, zodat een billijke verdeling van de uit de — zij het gedeeltelijke en tijdelijke — uitvoering van de kredietovereenkomst voortvloeiende kosten en baten is gewaarborgd.
Contractueel evenwicht en evenredigheidsbeginsel
50.
De rechtvaardiging van deze verplichting — namelijk tot betaling van debetrente in geval van herroeping van een aan de aanschaf van een voertuig gelieerde kredietovereenkomst — sluit mijns inziens aan bij de rechtspraak die het Hof ter zake consequent heeft aangehouden en volgens welke het met richtlijn 2008/48 nagestreefde doel erin bestaat om ter zake van het consumentenkrediet op een aantal kerngebieden een volledige, dwingende harmonisatie tot stand te brengen, die nodig wordt geacht om te waarborgen dat alle consumenten in de Europese Unie een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en om de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken.19.
51.
Het streven naar het behoud van een contractueel evenwicht, waarbij een doeltreffende bescherming van de consumentenbelangen wordt verzoend met de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet, steeds met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, loopt als een rode draad door de rechtspraak met betrekking tot het herroepingsrecht, ook buiten het rechtskader van richtlijn 2008/48. Zo heeft het Hof bijvoorbeeld geoordeeld dat artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 zich verzet tegen een nationale regeling die bepaalt dat een consument het door het krediet gefinancierde object aan de kredietgever moet teruggeven of de kredietgever in gebreke moet stellen ten aanzien van de inontvangstneming daarvan, zonder dat de kredietgever tegelijkertijd verplicht is om de reeds door de consument betaalde maandelijkse krediettermijnen terug te betalen.20.
52.
Met betrekking tot een op afstand gesloten overeenkomst heeft het Hof bovendien verklaard dat hoewel richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 1997 betreffende de bescherming van de consument bij op afstand gesloten overeenkomsten21. de consument beoogt te beschermen in de bijzondere situatie van een op afstand gesloten overeenkomst, zij er evenwel niet toe strekt hem rechten te verlenen die meer omvatten dan hetgeen hij nodig heeft om naar behoren zijn herroepingsrecht te kunnen uitoefenen. Dit is met name het geval wanneer de consument het goed heeft gebruikt op een wijze die onverenigbaar is met de beginselen van burgerlijk recht, zoals die van de goede trouw of van de ongerechtvaardigde verrijking.22.
53.
Datzelfde streven naar het behoud van voornoemd evenwicht, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, vindt uitdrukking in de uitlegging die het Hof heeft gegeven aan artikel 23 van richtlijn 2008/48, dat de lidstaten machtigt om sancties op te leggen teneinde de op de kredietgever rustende informatieverplichtingen te doen naleven. Deze sancties, die doeltreffend en evenredig moeten blijven, kunnen het verval van het recht op vergoeding van rente en kosten behelzen indien de kredietgever de in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 neergelegde informatieverplichtingen niet nakomt, aangezien een dergelijk verzuim ertoe kan leiden dat de consument niet kan beoordelen waartoe hij zich heeft verbonden.23. Niettemin heeft het Hof dit standpunt genuanceerd door te preciseren dat ‘[b]ij niet-vermelding van gegevens — onder die bedoeld in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 — die naar hun aard het vermogen van de consument om te beoordelen waartoe hij zich heeft verbonden niet ongunstig beïnvloeden, […] kan de toepassing, overeenkomstig de nationale wetgeving, van een dergelijke sanctie met ernstige gevolgen voor de kredietgever echter niet evenredig worden geacht’.24. Naar mijn aanvoelen volgt hieruit dat het Hof op grond van het evenredigheidsbeginsel erkent dat de door artikel 23 van richtlijn 2008/48 geboden mogelijkheid er niet toe mag leiden dat de kredietgever systematisch elke vergoeding wordt ontzegd, tenzij zijn nalatigheden dermate zwaarwegend zijn dat zij het recht van de consument op duidelijke en betrouwbare informatie in de kern aantasten.25.
54.
Als zwakkere partij bij de overeenkomst geniet de consument dus een betere bescherming vanwege de aan de kredietgever opgelegde sanctie. Deze bescherming is echter niet onbeperkt en geldt alleen wanneer de kredietgever in de context van richtlijn 2008/48 een verplichting van ‘essentieel belang’ niet nakomt.26. Het is namelijk niet de bedoeling om een buitensporig gebrek aan evenwicht in het leven te roepen tussen de consument die zijn herroepingsrecht uitoefent en de kredietgever. Het herroepingsrecht en de gevolgen daarvan mogen geen belemmering vormen voor de efficiëntie van de markt voor consumentenkrediet.
Toepassing op het onderhavige geval
55.
Met betrekking tot het onderhavige geval ben ik de mening toegedaan dat het streven naar het waarborgen van een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van de belangen van alle consumenten in de Unie teneinde de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet te vergemakkelijken, in het hoofdgeding overeind blijft indien wordt aanvaard dat de nationale wetgever kan voorzien in de terugbetaling van rente over het kapitaal in geval van herroeping van een gelieerde kredietovereenkomst.
56.
Niettemin zij eraan herinnerd dat, zoals reeds is aangegeven bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag27., de nadere regels voor de uitoefening van het recht op herroeping van een gelieerde kredietovereenkomst voor de aanschaf van een voertuig — waaronder met name de op de kredietnemer rustende verplichting tot betaling van debetrente aan de kredietgever — overeenkomstig het gelijkwaardigheidsbeginsel niet ongunstiger mogen zijn dan de regels die voor soortgelijke nationale situaties gelden alsmede overeenkomstig het doeltreffendheidsbeginsel de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken.
57.
Ik kom tot de slotsom dat, aangezien richtlijn 2008/48 geen uitputtende regeling bevat voor de gevolgen van de herroeping van een kredietovereenkomst die gelieerd is aan de aanschaf van een goed, de nationale wetgevers mogen verlangen dat de kredietnemer de debetrente over de periode van kredietopneming voldoet.
58.
Bijgevolg verzet artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48 zich er mijns inziens niet tegen dat van de kredietnemer wordt verlangd dat hij bij de uitoefening van het herroepingsrecht de overeengekomen debetrente betaalt over het tijdvak tussen de terbeschikkingstelling van de gelden tot aan de teruggave van het goed of de aflossing van het krediet. Tegelijkertijd behouden de lidstaten de hun op grond van artikel 23 van richtlijn 2008/48 geboden mogelijkheid om sancties vast te stellen ten aanzien van kredietgevers die niet hebben voldaan aan de in artikel 10, lid 2, van deze richtlijn bedoelde informatieverplichtingen, voor zover deze sancties niet leiden tot een onevenredige inbreuk op wederzijdse verbintenissen en geen afbreuk doen aan de voornaamste doelstelling van genoemde richtlijn, namelijk een doeltreffende bescherming van de consument.
59.
In deze omstandigheden geef ik het Hof in overweging te antwoorden dat het Unierecht, en in het bijzonder artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48, zich er niet tegen verzet dat de kredietnemer na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de contractuele debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van dat voertuig aan de kredietgever (of de verkoper).
Conclusie
60.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de tweede en de derde prejudiciële vraag van het Landgericht Ravensburg te beantwoorden als volgt:
- ‘1)
Artikel 14, lid 3, onder b), eerste volzin, van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad
moet aldus worden uitgelegd dat
het geen volledige harmonisatie tot stand brengt voor consumentenkredietovereenkomsten die gelieerd zijn aan een koopovereenkomst voor een voertuig.
- 2)
Het Unierecht, en in het bijzonder artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/48
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich er niet tegen verzet dat de kredietnemer na herroeping van een consumentenkredietovereenkomst die gelieerd is aan een koopovereenkomst voor een voertuig, de contractuele debetrente moet betalen over het tijdvak tussen de uitbetaling van de lening aan de verkoper van het gefinancierde voertuig en het tijdstip van de teruggave van het voertuig aan de kredietgever (of de verkoper).’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 10‑04‑2025
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB 2008, L 133, blz. 66).
Arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014; hierna: ‘arrest BMW Bank’).
Zie onder meer arrest van 16 juli 2020, Soho Group (C-686/19, EU:C:2020:582, punt 49), volgens hetwelk ‘richtlijn 2008/48 werd vastgesteld met een tweeledig doel: waarborgen dat alle consumenten van de Unie een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming van hun belangen genieten en de totstandkoming van een goed functionerende interne markt voor consumentenkrediet vergemakkelijken’.
Zie in die zin arresten van 12 juli 2021, SC Volksbank România (C-602/10, EU:C:2012:443, punt 38), en 5 september 2019, Pohotovost' (C-331/18, EU:C:2019:665, punt 49).
Zie overweging 9 van richtlijn 2008/48.
Zie arrest BMW Bank (punt 302).
Zie arrest BMW Bank (punt 303 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Hogan in de gevoegde zaken Volkswagen Bank e.a. (C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:629, punt 126).
Zie arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a. (C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736, punten 123 en 124), en arrest BMW Bank (punt 288).
Zie de punten 30–38 van deze conclusie.
Zie de conclusie van advocaat-generaal Hogan in de gevoegde zaken Volkswagen Bank e.a. (C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:629, punt 124).
In dit verband moet worden opgemerkt dat wanneer de verrijking of verarming van een vermogen haar rechtstreekse rechtvaardiging in een rechtsregel vindt, de vermogensoverdracht op grond van het subsidiariteitsbeginsel hoe dan ook voortvloeit uit een oorzaak die de actio de in rem verso uitsluit. In het Belgische burgerlijk recht, bijvoorbeeld, kan die actie ‘slechts worden ingesteld indien de situatie waarop zij betrekking heeft, niet wordt beheerst door een ander corpus van regels voortvloeiend uit de wet, een overeenkomst, een eenzijdige rechtshandeling of een vordering ex delicto’ (zie Van Ommeslaghe, P., De Page, Traité de droit civil belge — Tome II — Les obligations, deel 2, Bruylant, Brussel, 2013, blz. 1141 en 1151).
Zie in die zin arrest van 9 juli 2020, Tsjechië/Commissie (C-575/18 P, EU:C:2020:530, punt 82).
Over het vraagstuk van algemene beginselen van privaatrecht en met betrekking tot ongerechtvaardigde verrijking (met name tegen de achtergrond van de Luxemburgse rechtsorde), zie Kinsch, P., ‘Les principes généraux du droit comme éléments de l'ordre juridique luxembourgeois’, Liber Amicorum Xavier Dieux, Larcier-Intersentia, Brussel, 2022, blz. 883 en 884.
Met betrekking tot transacties die leiden tot ongerechtvaardigde verrijking en waarbij meer dan twee partijen zijn betrokken, zie Schlechtriem, P., Cohen, C., en Hornung, R., ‘Restitution and Unjust Enrichment in Europe’, European Review of Private Law, deel 9, nr. 2/3, 2001, blz. 408–415.
Bewoordingen ontleend aan Londers, G., Mosselmans, S., en Bossuyt, A., ‘Deux principes généraux du droit issus du droit national et du droit communautaire: l'enrichissement sans cause ou l'enrichissement injustifié et l'interdiction de l'abus de droit’, Actes du colloque pour le cinquantième anniversaire des traités de Rome, Luxemburg, 26 maart 2007, Bureau voor officiële publicaties der Europese Gemeenschappen, 2007, blz. 97.Op dit punt moet worden opgemerkt dat het Gerecht in het arrest van 10 oktober 2001, Corus UK/Commissie (T-171/99, EU:T:2001:249, punt 55), in verband met de berekening van vertragingsrente heeft geoordeeld dat ‘het niet betalen van vertragingsrente […] [zou] kunnen leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking van de Gemeenschap, wat in strijd zou zijn met de algemene beginselen van gemeenschapsrecht’ [met verwijzing naar het arrest van 10 juli 1990, Griekenland/Commissie (C-259/87, EU:C:1990:287, punt 26)].
Zie arrest van 9 september 2021, Volkswagen Bank e.a. (C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:736, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest BMW Bank (punt 307).
PB 1997, L 144, blz. 19.
Zie arrest van 3 september 2009, Messner (C-489/07, EU:C:2009:502, punten 25 en 26).
Arrest van 9 november 2016, Home Credit Slovakia (C-42/15, EU:C:2016:842, punt 69; hierna: ‘arrest Home Credit Slovakia’).
Arrest Home Credit Slovakia (punt 72).
In zijn conclusie in de gevoegde zaken Volkswagen Bank e.a. (C-33/20, C-155/20 en C-187/20, EU:C:2021:629), merkt advocaat-generaal Hogan op dat de lidstaten in het kader van de sancties die zij overeenkomstig artikel 23 van richtlijn 2008/48 moeten invoeren, kunnen bepalen dat het ontbreken van bepaalde verplichte informatie in de kredietovereenkomst kan leiden tot het verlies van de debetrente. Zoals blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling, moeten de in geval van schending van het Unierecht op te leggen sancties echter evenredig zijn. Dit alles betekent volgens de rechtspraak van het Hof dat de strengheid van de sancties in verhouding dient te staan tot de ernst van de strafbaar gestelde feiten, met name door te verzekeren dat deze sancties een reële afschrikkende werking hebben, waarbij tevens het algemene evenredigheidsbeginsel in acht dient te worden genomen [punt 123 van die conclusie, met verwijzing naar het arrest Home Credit Slovakia (punt 63)]. Laatstelijk heeft het Hof in zijn arrest van 13 februari 2025, Lexitor (C-472/23, EU:C:2025:89, punten 56 en 57), onder meer geoordeeld dat de sanctie waarin de nationale wetgeving moet voorzien in geval van niet-nakoming van de in artikel 10, lid 2, van richtlijn 2008/48 neergelegde informatieverplichting, een uniforme sanctie kan zijn, aangezien de consument absoluut moet beschikken over alle noodzakelijke gegevens om te beoordelen waartoe hij zich heeft verbonden.
Zie arrest Home Credit Slovakia (punt 69).
Zie punt 36 van deze conclusie.