Einde inhoudsopgave
Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/8.2.4.1
8.2.4.1 Inleiding
mr. M.A. Heilbron, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. M.A. Heilbron
- JCDI
JCDI:ADS587552:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Per 1 januari 2019 (besluit van 28 september 2018, Stb. 2018, 348) treedt de Wet modernisering faillissementsprocedure (Stb. 2018, 299) in werking. Art. 101 Fw bepaalt voortaan kortweg dat de curator bevoegd is om goederen te vervreemden. Art. 101 Fw wordt hiermee in lijn gebracht met de bestaande praktijk die niet tot de verificatievergadering pleegt te wachten met vervreemding van goederen. De Hoge Raad liet dit ruime gebruik van art. 101 Fw al geruime tijd toe, zie bijvoorbeeld reeds HR 27 augustus 1937, NJ 1938/ 9 (Nieuw Plancius), zodat het volgens de memorie van toelichting gaat het om een codificatie, zie Kamerstukken II 34740, nr. 3 (MvT), p. 28. Zie over deze gegroeide praktijk ook Van Galen 2014, p. 400. En zie nader over de Wet modernisering faillissementsprocedure Hummelen 2016, p. 18-19.
352. De curator kan er volgens art. 60 lid 2 Fw ook voor kiezen om niet de vordering van de retentor te voldoen, maar de zaak op te eisen bij de retentor en te verkopen met toepassing van art. 101 of 176 Fw.1 In deze paragraaf zal ik ingaan op verschillende aspecten van deze bevoegdheden van de curator. In paragraaf 8.2.4.2 ga ik na of ‘opeising’ in de zin van art. 60 Fw vereist dat de zaak uit de macht van de retentor is gebracht. In paragraaf 8.2.4.3 bespreek ik of de retentor bevoegd is de zaak als (middellijk) vertegenwoordiger te verkopen en leveren. In paragraaf 8.2.4.4 komen verschillende scenario’s van beëindiging van het faillissement aan bod en de implicaties daarvan voor uitkering aan de retentor. Hoewel art. 60 Fw lijkt uit te gaan van een stuksgewijze verkoop van de zaak, kan het zijn dat de zaak going concern wordt verkocht. In paragraaf 8.2.4.5 bespreek ik hoe dan moet worden omgegaan met de voorrang van de retentor op de opbrengst van de opgeëiste zaak. In paragraaf 8.2.4.6 wordt de vraag behandeld of de weigering tot afgifte aan een koper (wederpartij van de curator) onrechtmatig kan zijn. En in paragraaf 8.2.4.7 maak ik ten slotte een korte vergelijking met de Duitse retentierechten tijdens faillissement.