25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/60.4.1:60.4.1 De literatuur: invordering nooit punitief
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/60.4.1
60.4.1 De literatuur: invordering nooit punitief
Documentgegevens:
mr. dr. T.N. Sanders, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. T.N. Sanders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ibidem.
Ibid, p. 98.
Ibid, p. 92.
F.C.M.A. Michiels, De boete in opmars, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1994.
A.B. Blomberg en F.C.M.A. Michiels, Handhaven met effect, Den Haag: Vuga 1997, p. 77.
Van Buuren, Jurgens en Michiels 2014, p. 20.
Ibidem.
Rogier 1992, p. 128.
W.G.A. Hazewindus, ‘De administratieve dwangsom’, NJB 1992/33, p. 1068-1072 en W.G.A. Hazewindus, Administratieve sancties en vreemdelingenrecht, Arnhem: Gouda Quint 1994, p. 85.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, 3, p. 132.
Idem, p. 133.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Verweij stelt in haar proefschrift voorop dat het financiële nadeel dat de invordering voor de overtreder heeft, op zichzelf niet kan leiden tot de conclusie dat de dwangsom punitief is. Anders zou immers elke geldschuld die wordt opgeeist als punitief kunnen worden gekwalificeerd.1 Verweij concludeert dat de invordering van een dwangsom niet punitief van aard kan zijn. De redenen daarvoor zijn ten eerste dat de invordering geen zelfstandig karakter zou hebben (‘[d]e invordering kan geen ander doel hebben dan de oplegging van de dwangsom en is reeds daarom niet bestraffend’)2 en ten tweede dat ‘het ontbreken van een reparatoire of dwingende functie bij het innen van een verbeurde dwangsom niet kan leiden tot de gevolgtrekking dat de invordering dus punitief of vergeldend is’.3 Ook Michiels verdedigt de opvatting dat de invordering van een dwangsom vanwege zijn afhankelijke karakter in feite niet meer is dan de uitvoering van de eerdere dwang- sombeschikking en reeds daarom zijn karakter deelt.4 Blomberg en Michiels betogen eveneens dat ‘de invordering niet los kan worden gezien van de oplegging en dat de dwangsom om die reden een reparatoire sanctie (ook in die fase) is’.5
Van Buuren, Jurgens en Michiels wijzen er echter op dat omdat de dwangsom van rechtswege verbeurt, het bestuursorgaan geen invloed heeft op het verschuldigd zijn van de dwangsom. Als het bestuursorgaan de dwangsom daarna opeist, zou het om die reden ook geen sanctie betreffen (‘[a]ls het bestuursorgaan de verbeurde dwangsommen gaat opeisen, treft het geen sanctie’).6 In deze visie eist het bestuur simpelweg op wat rechtens aan hem toekomt. Enigszins verwarrend daarbij is wel dat Van Buuren, Jurgens en Michiels vervolgens betogen dat dit opeisen geen punitief karakter heeft.7 Als het opeisen echter in het geheel geen sanctie is, dan lijkt het mij niet nodig om de vraag te beantwoorden of de invordering een punitief karakter heeft. Ik lees het betoog van Van Buuren, Jurgens en Michiels dan ook zo dat met de zinsnede ‘treft het geen sanctie’ is bedoeld: ‘treft het geen nieuwe/aparte sanctie’. Met andere woorden: de invordering is integraal onderdeel van de sanctie zijnde de last onder dwangsom.
Rogier betoogt daarentegen dat de invordering van een dwangsom een ‘mede retributief karakter’ heeft.8 Ook Addink, Van Dijk en Sluijs menen dat het invorderen van een dwangsom een strafkarakter heeft. Zij betogen dat de dwangsom een straf is die wordt opgelegd op het moment dat de last niet wordt uitgevoerd.9 Hazewindus betoogt ook dat het vaststellen dat een dwangsom is verbeurd en zal worden ingevorderd een punitief karakter heeft omdat de invordering niets verandert aan de illegale situatie.10
De wetgever spreekt zich hierover niet uit in de Awb, noch de parlementaire geschiedenis, maar lijkt ervanuit te gaan dat invordering van een dwangsom ook reparatoir van aard is. Daarbij merkt de wetgever op dat: ‘de inning weliswaar niet rechtstreeks strekt tot het voorkomen of ongedaan maken van overtredingen, maar dat zij daarin niet verschilt van de oplegging. Beide zijn indirecte dwangmiddelen, die hun betekenis vooral ontlenen aan hun preventieve werking.’ 11
Kortom: in de literatuur is er de nodige discussie over de vraag of de invordering van een dwangsom een ander karakter heeft dan het dwangsombesluit. De wetgever merkt daarover op dat het reparatoire karakter van een dwangsombesluit weliswaar ‘onomstreden’ is en dat de tendens lijkt te zijn dat ook de invordering reparatoir is, maar dat er wel twijfels zijn over of de invordering van een dwangsom toch niet een punitief karakter heeft.12