Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/14.3.2.1.4
14.3.2.1.4 Relatie met de boeteoplegging
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500857:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wortel 1992, p. 43. Zie nader § 17.8 hierna.
Zie nader A-G Wattel, Bijlage bij zijn conclusie bij HR 27 januari 2006,BNB 2006/191 (m.nt. De Bont), pt. 2.2. Hij wijst erop dat voor verzuimboetes (geen omschreven schuldverband; vgl. overtredingen in het strafrecht) de omkering van de bewijslast wel geldt. De vraag is echter of art. 6, lid 2 EVRM wel toestaat dat het begaan van een overtreding wordt verondersteld tot het tegendeel overtuigend is bewezen. Bij mijn weten heeft de HR zich hierover nog niet uitgelaten. Zie wel HR 15 april 2011,BNB 2011/206 (m.nt. Albert), r.o. 4.8.3. Daarin gaat de HR in algemene zin in op de waarborgen die een boeteling aan art. 6, lid 2 EVRM kan ontlenen.
De belastingkamer van de HR beschouwt de omkering van de bewijslast als dwangmiddel met een bestuursrechtelijk karakter.1 De bewijslast die hieruit voortvloeit, is een reparatoire, processuele sanctie op het frustreren van de waarheidsvinding door de belastingplichtige. Het vormt geen strafsanctie in de zin van art. 6 EVRM.2 Een belastinggeschil valt niet onder art. 6 EVRM, ook niet wanneer de belasting wordt vastgesteld met behulp van omkering van de bewijslast.3 In haar feitelijke uitwerking kan deze sanctie door de belastingplichtige wel als bestraffend worden ervaren.4
Het is de bedoeling van de wetgever dat bij de beoordeling van de hoogte van een vergrijpboete, ervan uit wordt gegaan dat de feitelijk geheven belasting – indien ook daarover een rechtsgeding aanhangig is gemaakt: zoals deze door de rechter in stand wordt gelaten – de verschuldigde belasting is. Ook als de hoogte daarvan is komen vast te staan met omkering.5 Dat het bedrag aan belasting dat als gevolg van het beboetbare feit te weinig is geheven ook de boetegrondslag vormt, is uitdrukkelijk vastgelegd in art. 67e, lid 2 (aanslagbelastingen) en art. 67f, lid 2 AWR (aangiftebelastingen).
In verband met de eisen van art. 6 EVRM, in het bijzonder de onschuldpresumptie van lid 2, bepaalt art. 25, lid 3 (slotzin) AWR dat bij het opleggen van vergrijpboetes de omkering en verzwaring van de bewijslast niet kunnen worden toegepast. Hierop sluit aan art. 27e, slotzin, AWR, die bepaalt dat de bewijslast niet wordt omgekeerd, voor zover het bezwaar of beroep is gericht tegen een vergrijpboete.6 Dit kan aanleiding zijn voor matiging van de opgelegde boete. Zie nader § 17.8 hierna.