HR, 05-03-2013, nr. 09/05219
ECLI:NL:HR:2013:BZ2934, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-03-2013
- Zaaknummer
09/05219
- LJN
BZ2934
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2013:BZ2934, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 05‑03‑2013
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2009:BX5714
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ2934
ECLI:NL:HR:2013:BZ2934, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑03‑2013; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ2934
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2009:BX5714, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
Conclusie 05‑03‑2013
Inhoudsindicatie
HR: art. 81 RO en strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
Nr. 09/05219
Mr. Machielse
Zitting 8 januari 2013
Conclusie inzake:
[Verdachte](1)
1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 14 december 2009 voor: medeplegen van moord, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar.
2. Mr. N.C.J. Meijering, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven voor de afwijking van een uitdrukkelijk voorgedragen onderbouwd standpunt over de onbetrouwbaarheid van de getuigen [medeverdachte 3] en [betrokkene 1].
3.2. Het hof heeft bewezenverklaard dat:
"zij in de periode van 16 juli 2006 tot en met 20 juli 2006 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en haar mededaders met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met kracht meermalen met een hard voorwerp op het hoofd van bovengenoemde manspersoon geslagen en meermalen met een mes in het lichaam van bovengenoemde manspersoon gestoken, tengevolge waarvan bovengenoemde manspersoon is overleden."
3.3. De pleitnota van hoger beroep noemt de verklaringen van [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] over de inbreng van verdachte zeer dubieus. De advocaat heeft als bijlage een overzicht van verklaringen van verdachte, [medeverdachte 3] en [betrokkene 1] over de planning en de overdracht van het geld aan de pleitnota gehecht, en komt tot de slotsom dat er onvoldoende bewijs is voor het tenlastegelegde.
Maar eerlijk gezegd kan ik in hetgeen de verdediging heeft aangevoerd geen onderbouwd standpunt lezen. Van zo een standpunt als bedoeld in art. 359 lid 2 Sv is immers slechts sprake als dat standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie naar voren is gebracht.(2) Daaraan ontbreekt het hier mijns inziens. De pleitnota van hoger beroep wijst erop dat alle verklaringen die in deze zaak zijn afgelegd afkomstig zijn van personen die kwetsbaar zijn, een eigen belang kunnen nastreven, dat de verklaringen wisselend van inhoud zijn en zich lijken te ontwikkelen al naargelang de tijd verstrijkt. Over en weer beschuldigen de betrokkenen elkaar. [Medeverdachte 3] en [betrokkene 1] zijn met elkaar opgetrokken, hun verklaringen komen op sommige punten overeen, en op andere weer niet. Ook verdachte heeft wisselende verklaringen afgelegd. Op grond van de afgelegde verklaringen kunnen meerdere scenario's worden getekend. In een van die scenario's is verdachte de kwade genius. Maar de rechter moet, aldus nog steeds de pleitnota, zich niet gaan overgeven aan het interpreteren van motieven en het waarderen van verklaringen die zijn afgelegd door personen die mogelijk zo bedreven zijn in het liegen en bedriegen dat dat ook voor de rechter niet kenbaar is. Ter terechtzitting van 17 november 2009 heeft de advocaat in aanvulling op de pleitnota nog benadrukt dat de verklaringen in deze zaak met bijzonder veel scepsis moeten worden bekeken.
3.4. De geparafraseerde onderdelen van de pleitnota en de mondelinge aanvulling daarop roepen het hof slechts op het bewijsmateriaal met omzichtigheid te beoordelen. Die oproep komt er enkel op neer dat de rechter in deze zaak bijzonder scrupuleus moet omgaan met zijn vrijheid om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht. Ik wijs er voorts op dat verdachte, blijkens het overzicht dat de advocaat in hoger beroep aan de pleitnota heeft gehecht, naar eigen zeggen wel degelijk geld heeft gegeven aan [medeverdachte 2], zij het minder dan de € 10.000 die hij wilde hebben.(3)
Het eerste middel faalt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, hetgeen tot strafvermindering dient te leiden.
4.2. Het cassatieberoep is op 23 december 2009 ingesteld. Eerst op 12 april 2012 is het dossier ter griffie van de Hoge Raad aangekomen. Tussen beide data zijn twee jaar, drie maanden en 20 dagen verlopen. Niet alleen is de door de Hoge Raad op zes maanden gestelde inzendtermijn - verdachte werd immers in verband met deze zaak nog in voorlopige hechtenis gehouden ten tijde van het instellen van het beroep - fors, met bijna 22 maanden, overschreden, maar ook is thans al ruim drie jaar verstreken sinds het cassatieberoep werd ingesteld. Deze overschrijdingen van de redelijke termijn dienen te leiden tot een verlaging van de opgelegde gevangenisstraf.
5. Het eerste middel faalt. Het tweede middel is gegrond, hetgeen tot verlaging van de opgelegde straf behoort te leiden. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde straf betreft en tot verlaging daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met nr. 10/00107 ([medeverdachte 1]), nr. 10/00335 ([medeverdachte 2]) en nr. 10/00456 ([medeverdachte 3]) waarin ik ook vandaag concludeer.
2 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m. nt. Y. Buruma.
3 Zie de verklaring die verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg op 11 februari 2008 heeft afgelegd.
Uitspraak 05‑03‑2013
Inhoudsindicatie
HR: art. 81 RO en strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
5 maart 2013
Strafkamer
nr. S 09/05219
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 14 december 2009, nummer 23/001225-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde straf betreft en tot verlaging daarvan, met verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van negen jaren. In de omstandigheid dat de Hoge Raad als gevolg van de bij de inzending van de stukken opgetreden vertraging die meer dan twaalf maanden bedraagt, eerst thans uitspraak kan doen, vindt de Hoge Raad aanleiding de opgelegde gevangenisstraf te verminderen met zeven maanden.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze acht jaren en vijf maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 5 maart 2013.