AB 2022/245
Openbaar vaarwater. Openbare zaak. Publieke bestemming. Duldplicht eigenaar. Normaal gebruik. Gewoon gebruik. Erfdienstbaarheid.
HR 03-12-2021, ECLI:NL:HR:2021:1815, m.nt. P.J. Huisman
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
3 december 2021
- Magistraten
Mrs. C.A. Streefkerk, A.E.B. ter Heide, G.C. Makkink
- Zaaknummer
20/01351
- Noot
P.J. Huisman
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS659029:1
- Vakgebied(en)
Waterrecht (V)
Goederenrecht / Genotsrechten
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2021:1815, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 03‑12‑2021
ECLI:NL:PHR:2021:356, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 09‑04‑2021
Beroepschrift, Hoge Raad, 19‑06‑2020
Beroepschrift, Hoge Raad, 10‑04‑2020
- Wetingang
Essentie
Geschil of een overnachtingshaven openbaar vaarwater is en of de eigenaar moet dulden dat als gevolg van door de Staat geplaatste meerpalen in de haven zijn eigendom intensiever wordt gebruikt.
Samenvatting
De wet bevat geen algemene regels aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een waterperceel openbaar is, wat de rechtsgevolgen daarvan zijn en wat de eigenaar uit hoofde van het openbare karakter van het water heeft te dulden. Voor de beantwoording van de vraag of een water openbaar is, is het feitelijke gebruik van het water bepalend. Indien daaruit blijkt dat eenieder van het water gebruik kan maken, is het water openbaar. Openbare wateren die met enige duurzaamheid en frequentie voor het economisch vervoer van goederen en personen worden gebruikt, zijn openbare vaarwateren. Ook het antwoord op de vraag welk gebruik de eigenaar van openbaar vaarwater moet dulden als ‘normaal gebruik’, is afhankelijk van het feitelijke gebruik en de overige omstandigheden, met dien verstande dat daaronder in elk geval valt het gewone verkeer en het gebruik dat daarmee in zodanig verband staat dat het geacht moet worden daarvan deel uit te maken. Anders dan [het] onderdeel (…) aanvoert, is de regeling in de Wegenwet voor openbare wegen niet van overeenkomstige toepassing op waterwegen.
De omvang of invulling van de publieke bestemming van een openbaar vaarwater en van de dienovereenkomstige duldplicht van de eigenaar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder de feitelijke situatie ter plaatse en het plaatselijke gebruik (…). Openbaarheid van vaarwater betekent dus niet zonder meer dat het eenieder vrijstaat elk gebruik van het vaarwater te maken en dat de eigenaar elk gebruik moet dulden.
Nu op het noordelijke deel van de haven geen erfdienstbaarheid rust, kan Kerkewaard zich niet op grond van verzwaring van een op dat deel van de haven rustende erfdienstbaarheid verzetten tegen de intensivering van het gebruik van het noordelijke deel van de haven.
De omstandigheid dat (ook het noordelijke deel van) de haven openbaar vaarwater is en dat als gewoon gebruik moet worden aangemerkt het gebruik door aankomende en vertrekkende binnenschepen die in de overnachtingshaven verblijven, betekent dat Kerkewaard dat gebruik heeft te dulden, ook indien de intensiteit daarvan toeneemt door een wijziging van de inrichting van de overnachtingshaven indien en voor zover die wijziging binnen de aan de Staat op grond van de erfdienstbaarheid toekomende bevoegdheid valt.
Partij(en)
Arrest in de zaak van:
Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu), te Den Haag, eiser tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep, hierna: de Staat, advocaat: M.W. Scheltema,
tegen
Kerkewaard B.V., te Haaften, verweerster in cassatie, eiseres in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep, hierna: Kerkewaard, advocaten: J.A.M.A. Sluysmans en N. van Triet.
Uitspraak
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
- —
het vonnis in de zaak C/09/529176/ HA ZA 17-317 van de rechtbank Den Haag van 28 maart 2018;
- —
het arrest in de zaak 200.244.979/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 januari 2020.
De Staat heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Kerkewaard heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot verwerping van het principale cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
- (i)
Kerkewaard is eigenaar van een perceel gelegen in Haaften aan de noordzijde van de Waal (hierna: de haven). Aan de zuidkant van de haven bevinden zich een landtong en een havenmond (‘toegangsgeul’) die eigendom zijn van de Staat.
- (ii)
Op 22 december 1983 heeft Kerkewaard ten behoeve van de Staat een zakelijk gebruiksrecht (hierna: de erfdienstbaarheid) gevestigd op het zuidelijke deel van de haven dat op een tekening nader is aangeduid (hierna: het zuidelijke deel; het resterende deel van de haven wordt hierna aangeduid als het noordelijke deel). Volgens de overeenkomst die aan de erfdienstbaarheid ten grondslag ligt en volgens de akte van vestiging behelst de erfdienstbaarheid “het zakelijk recht van gebruik (…) uitsluitend ten behoeve van het inrichten, hebben, behouden, onderhouden casu quo doen onderhouden van een zogenaamde overnachtingshaven ten behoeve van schippers, die met hun vaartuigen in rustig en veilig water voor de duur van de nacht aldaar kunnen afmeren”.
- (iii)
De Staat heeft in het zuidelijke deel een overnachtingshaven ingericht met vier drijvende steigers van circa 100 meter lang en bij de toegangsgeul een bord geplaatst met het opschrift “Overnachtingshaven Haaften” en “Ligtijd maximaal 3 x 24 uur”.
- (iv)
In een eerdere procedure tussen partijen heeft de rechtbank Den Haag bij vonnis van 27 november 1996 de Staat onder meer veroordeeld maatregelen te treffen om te bereiken dat beroepsschippers gedurende werkdagen overdag niet in de overnachtingshaven blijven liggen.
- (iv)
In 1999/2000 heeft Kerkewaard een groot deel van het ten noorden van de haven gelegen industrieterrein, inclusief een strook water ter breedte van 30 meter gelegen langs een laad- en loswal aan de noordzijde van de haven, in eigendom overgedragen aan een transportbedrijf.
- (v)
In 2011 heeft de Staat het voornemen opgevat de toegangsgeul te verbreden en vier meerpalen te plaatsen in het verlengde van de steigers op een afstand van circa 40 meter. Overleg tussen partijen heeft niet tot overeenstemming geleid over de plannen van de Staat.
- (vi)
Op grond van een in opdracht van de Staat uitgevoerd onderzoek heeft maritiem onderzoeksbureau Marin in 2016 geconcludeerd dat, als de meerpalen worden geplaatst, de manoeuvreerruimte in de haven voldoende is en dat dan geen sprake is van een beperking van de gebruiksmogelijkheden van de laad- en loswal aan de noordzijde van de haven.
- (vii)
In 2017/2018 heeft de Staat de toegangsgeul verbreed en de meerpalen in het verlengde van de steigers geplaatst, op een afstand van circa 40 meter van de steigers. De meerpalen bevinden zich binnen het zuidelijke deel van de haven waarop de erfdienstbaarheid rust.
2.1
Kerkewaard vordert, voor zover in cassatie van belang,
- a.
de Staat te verbieden de steigers te verlengen of meerpalen te plaatsen in het verlengde van de steigers, op een zodanige wijze dat binnenschepen de steigers slechts kunnen bereiken door gebruik te maken van het water buiten het zuidelijk deel van de haven en de Staat te bevelen zodanige verlenging van de steigers, indien reeds geëffectueerd, ongedaan te maken;
- b.
de Staat te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000 per dag dat de Staat in gebreke blijft met het nemen van maatregelen als vermeld in het vonnis van 27 november 1996.
2.2
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.1.
2.3
Het hof heeft de vorderingen alsnog toegewezen.2. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:
Moet de haven worden aangemerkt als openbaar vaarwater?
Blijkens de wetsgeschiedenis is openbaar water ‘ieder water dat voor enig gebruik openstaat voor het publiek’. Openbaar vaarwater is water dat specifiek openstaat voor gebruik als vaarwater. (rov. 5.3)
Bij gebreke van een wettelijke regeling van openbare (vaar)wateren kan het openbare karakter van een vaarwater worden afgeleid uit de bestemming die de rechthebbende eraan heeft gegeven of uit het feitelijk gebruik ervan. De publieke bestemming van een openbaar vaarwater brengt mee dat de eigenaar moet dulden dat het gewone verkeer van dit vaarwater gebruik maakt. (rov. 5.4)
Gelet op de maximale vaar- en rusttijden uit de Binnenvaartwet staat het gebruik van de overnachtingshavens in zodanig verband met de beroepsvaart op de Waal, dat het geacht moet worden daarvan deel uit te maken. De beroepsvaart op de Waal behoort ontegenzeggelijk tot het gewone economische verkeer. Evenals de Waal moeten dus ook de overnachtingshavens als openbaar vaarwater worden aangemerkt. (rov. 5.5)
Door het zuidelijke deel van de haven met de erfdienstbaarheid open te stellen voor de vestiging van een overnachtingshaven, heeft Kerkewaard het zuidelijke deel een bestemming als openbaar vaarwater gegeven. Voor zover het noordelijke deel wordt gebruikt om te kunnen afmeren in de overnachtingshaven, staat dat gebruik in onlosmakelijk verband met het gebruik van de overnachtingshaven, en daarmee met het gewone economische verkeer op de Waal. Vaststaat dat reeds vóór het plaatsen van de meerpalen een niet onaanzienlijk deel van de schepen die gebruik maken van de overnachtingshaven, door het noordelijke deel voer. In zoverre moet ook het noordelijke deel van de haven als openbaar vaarwater worden aangemerkt. (rov. 5.6)
Uit het voorgaande volgt dat het zuidelijke deel, en het noordelijke deel voor zover het wordt gebruikt door schepen die afmeren in de overnachtingshaven, moeten worden aangemerkt als openbaar vaarwater, en dat het gebruik van beide delen moet worden aangemerkt als gewoon gebruik van openbaar vaarwater dat Kerkewaard heeft te dulden. (rov. 5.7)
Kan Kerkewaard zich verzetten tegen verlenging van de steigers?
Als gevolg van de meerpalen in het verlengde van de steigers, zullen het aantal overschrijdingen van de scheidingslijn tussen het zuidelijke en noordelijke deel en de mate van overschrijding door aankomende en vertrekkende schepen, aanzienlijk toenemen. (rov. 5.8)
Kerkewaard kan zich niet verzetten tegen een gebruik van haar eigendom dat valt binnen de erfdienstbaarheid. Voor zover het gebruik van het noordelijke deel vóór de plaatsing van de meerpalen noodzakelijk was om de overnachtingshaven te bereiken, is de erfdienstbaarheid zich door de wijze van uitoefening ook tot het noordelijke deel gaan uitstrekken. (rov. 5.9)
Door de verlenging van de steigers met de meerpalen is echter een nieuwe situatie ontstaan. Dientengevolge kunnen twee scenario’s voor het gebruik van het noordelijke deel — de opslag van schepen en de plaatsing van een drijvende aanmeervoorziening — geen doorgang vinden. Kerkewaard kan zich bovendien tegen een aantasting van haar eigendomsrecht verzetten zonder dat op voorhand komt vast te staan welke vormen van exploitatie door die aantasting worden belemmerd. Dat zou anders kunnen zijn indien Kerkewaard, door zich tegen de verlenging van de steigers te verzetten, misbruik van recht maakt. Dat heeft de Staat echter niet aangevoerd. (rov. 5.10)
De verlenging van de steigers met de meerpalen zal aldus leiden tot een verzwaring van de erfdienstbaarheid rustend op het noordelijke deel. Uit de overeenkomst vloeit niet voort dat Kerkewaard met deze verzwaring heeft ingestemd. Ook uit de kennelijke functie van de overnachtingshaven vloeit niet voort dat Kerkewaard deze verzwaring van de erfdienstbaarheid moet dulden, aangezien schepen met een lengte tot 135 meter ook voordat de meerpalen waren geplaatst van de overnachtingshaven gebruik maakten, zodat de meerpalen voor het functioneren van de overnachtingshaven dus kennelijk niet noodzakelijk zijn. (rov. 5.11)
De slotsom is dat Kerkewaard zich op grond van haar eigendomsrecht kan verzetten tegen de verlenging van de steigers met de meerpalen, vanwege de intensivering van het gebruik van het noordelijke deel die daarvan het gevolg is. Hieraan doet de kwalificatie van het noordelijke deel als openbaar vaarwater niet af, omdat de duldplicht van Kerkewaard beperkt is tot het feitelijk gebruik van het noordelijk deel vóór de plaatsing van de meerpalen. (rov. 5.12)
Nakoming van het vonnis van 27 november 1996
De vordering om de Staat te bevelen een dwangsom te betalen bij niet-naleving van het vonnis van 27 november 1996 is toewijsbaar. (rov. 5.14–5.16)
3. Beoordeling van de middelen in het voorwaardelijke incidentele beroep
3.1
Omdat, zoals hierna blijkt, het principale beroep van de Staat (gedeeltelijk) slaagt, is voldaan aan de voorwaarde waaronder het incidentele beroep van Kerkewaard is ingesteld. Omdat het incidentele beroep de verste strekking heeft, wordt dat als eerste beoordeeld.
Middel I bevat diverse klachten tegen het oordeel van het hof dat het zuidelijke en het noordelijke deel van de haven openbaar vaarwater zijn. Middel II klaagt dat onjuist of onbegrijpelijk is dat het hof het gebruik van de haven als overnachtingshaven heeft aangemerkt als ‘gewoon gebruik’ van dit openbaar vaarwater dat een ieder vrijstaat omdat de vaarweg openbaar is, in plaats van als ‘bijzonder gebruik’ dat de eigenaar niet behoeft te dulden vanwege het openbare karakter van het vaarwater.
3.2
De wet bevat geen algemene regels aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of een waterperceel openbaar is, wat de rechtsgevolgen daarvan zijn en wat de eigenaar uit hoofde van het openbare karakter van het water heeft te dulden. Voor de beantwoording van de vraag of een water openbaar is, is het feitelijke gebruik van het water bepalend. Indien daaruit blijkt dat een ieder van het water gebruik kan maken, is het water openbaar.3. Openbare wateren die met enige duurzaamheid en frequentie voor het economisch vervoer van goederen en personen worden gebruikt, zijn openbare vaarwateren.4. Ook het antwoord op de vraag welk gebruik de eigenaar van openbaar vaarwater moet dulden als ‘normaal gebruik’, is afhankelijk van het feitelijke gebruik en de overige omstandigheden, met dien verstande dat daaronder in elk geval valt het gewone verkeer en het gebruik dat daarmee in zodanig verband staat dat het geacht moet worden daarvan deel uit te maken.5. Anders dan onderdeel 1.2 aanvoert, is de regeling in de Wegenwet voor openbare wegen niet van overeenkomstige toepassing op waterwegen.6.
3.3
Het hof heeft in rov. 5.5–5.6 in overeenstemming met het bovenstaande onderzocht of de haven is aan te merken als openbaar vaarwater. Het hof heeft daarbij de juiste maatstaf aangelegd en heeft zijn conclusie dat de haven openbaar vaarwater is, toereikend gemotiveerd. In cassatie is niet bestreden dat het gebruik van de overnachtingshaven deel uitmaakt van het gewone economische verkeer op de Waal. Wat betreft het zuidelijke deel van de haven kon het hof daarbij meewegen dat het gebruik als overnachtingshaven overeenstemt met de erfdienstbaarheid die Kerkewaard daarop heeft gevestigd. Het oordeel van het hof dat ook het noordelijke deel van de haven openbaar vaarwater is omdat het wordt gebruikt door schepen die afmeren in de overnachtingshaven, is niet onjuist of onbegrijpelijk, mede gelet op de in cassatie niet bestreden vaststelling dat ook voorafgaand aan het plaatsen van de meerpalen een niet onaanzienlijk deel van de schepen die in de haven worden aangemeerd, door het noordelijke deel van de haven voer. In het licht van dit een en ander geeft het oordeel van het hof dat het gebruik van beide delen van de haven moet worden aangemerkt als gewoon gebruik van de haven als openbaar vaarwater, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het oordeel is ook toereikend gemotiveerd.
Gelet op het voorgaande falen de klachten van de middelen I en II.
3.4
Middel III kan evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
4. Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.1
Onderdeel 1.1 van het middel houdt in dat het hof in rov. 5.6 en 5.7 heeft miskend dat indien (ook het noordelijke deel van) de overnachtingshaven openbaar vaarwater is, al het gebruik daarvan in overeenstemming met de openbare bestemming geoorloofd is en niet slechts het gebruik om te kunnen afmeren in het zuidelijke deel.
4.2
Deze klacht is ongegrond. De omvang of invulling van de publieke bestemming van een openbaar vaarwater en van de dienovereenkomstige duldplicht van de eigenaar is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, meer in het bijzonder de feitelijke situatie ter plaatse en het plaatselijke gebruik (zie hiervoor in 3.2). Openbaarheid van vaarwater betekent dus niet zonder meer dat het een ieder vrijstaat elk gebruik van het vaarwater te maken en dat de eigenaar elk gebruik moet dulden. Voor zover in rov. 5.6 en 5.7 besloten ligt dat Kerkewaard ander gebruik van het noordelijke deel dan om te komen en te gaan naar de overnachtingshaven in het zuidelijke deel, niet hoeft te dulden, geeft dat geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige berust dit oordeel van het hof op een waardering van de feiten, die niet onbegrijpelijk is en geen nadere motivering vergt.
4.3
De onderdelen 3.1 tot en met 3.5 bestrijden de oordelen van het hof in rov. 5.9, 5.11 en 5.12 dat Kerkewaard zich kan verzetten tegen de verzwaring van de erfdienstbaarheid die zich volgens het hof ook tot het noordelijke deel van de haven is gaan uitstrekken, en dat de kwalificatie van het noordelijke deel als openbaar vaarwater daaraan niet afdoet omdat de duldplicht van Kerkewaard beperkt is tot het feitelijk gebruik van het noordelijke deel vóór de plaatsing van de meerpalen. Volgens de onderdelen heeft het hof aldus miskend dat (ook) van het noordelijke deel van de haven als openbaar vaarwater op normale wijze voor verkeersdoeleinden gebruik kan worden gemaakt, ongeacht of de erfdienstbaarheid daartoe strekt en/of is uitgebreid tot het noordelijke deel en ongeacht de intensiteit of frequentie van dit normaal gebruik en ongeacht of ten tijde van het openbaar worden van het vaarwater al in dezelfde mate normaal gebruik werd gemaakt van het noordelijke deel van de overnachtingshaven.
4.4
De klachten slagen.
Voor zover het hof (in rov. 5.9 en 5.11) heeft geoordeeld dat de erfdienstbaarheid zich mede is gaan uitstrekken tot het noordelijke deel van de haven doordat (al vóór het plaatsen van de meerpalen) een niet onaanzienlijk deel van de schepen die gebruikmaken van de overnachtingshaven komt en gaat via het noordelijke deel van de haven en dat Kerkewaard zich tegen intensivering van dat gebruik — als gevolg van de plaatsing van de meerpalen — kan verzetten omdat dit een verzwaring van die erfdienstbaarheid op het noordelijke deel is, heeft het hof miskend dat dit gebruik van het noordelijke deel van de haven niet tot gevolg heeft dat de erfdienstbaarheid zich heeft uitgebreid tot het noordelijke deel van de haven. Nu op het noordelijke deel van de haven geen erfdienstbaarheid rust, kan Kerkewaard zich niet op grond van verzwaring van een op dat deel van de haven rustende erfdienstbaarheid verzetten tegen de intensivering van het gebruik van het noordelijke deel van de haven.
Voor zover het hof (in rov. 5.12) heeft geoordeeld dat de duldplicht van Kerkewaard, die berust op de omstandigheid dat het noordelijke deel van de haven openbaar vaarwater is, beperkt is tot de intensiteit van het gebruik dat van het noordelijke deel van de haven werd gemaakt door aankomende en vertrekkende schepen in de periode vóór de plaatsing van de meerpalen, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De omstandigheid dat (ook het noordelijke deel van) de haven openbaar vaarwater is en dat als gewoon gebruik moet worden aangemerkt het gebruik door aankomende en vertrekkende binnenschepen die in de overnachtingshaven verblijven, betekent dat Kerkewaard dat gebruik heeft te dulden, ook indien de intensiteit daarvan toeneemt door een wijziging van de inrichting van de overnachtingshaven indien en voor zover die wijziging binnen de aan de Staat op grond van de erfdienstbaarheid toekomende bevoegdheid valt.
4.5
Onderdeel 1.2 is ingesteld onder de niet vervulde voorwaarde dat het incidentele beroep met succes opkomt tegen het oordeel van het hof dat de haven openbaar vaarwater is. Dat onderdeel, alsmede de onderdelen 4, 5 en 6 behoeven geen behandeling.
4.6
De klachten van de onderdelen 2 en 7 kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).
5. Beslissing
De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- —
vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 21 januari 2020;
- —
verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;
- —
veroordeelt Kerkewaard in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 1.017,68 aan verschotten en € 2.600, voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Kerkewaard deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- —
verwerpt het beroep;
- —
veroordeelt Kerkewaard in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200 voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Kerkewaard deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Noot
Auteur: P.J. Huisman*
1.
Inleiding. Kerkewaard B.V. is eigenaar van een perceel met een haven aan de noordzijde van de Waal. De Staat is eigenaar van een landtong en een havenmond (toegangsgeul) aan de zuidkant van deze haven. De haven die in eigendom is van Kerkewaard, valt uiteen in twee delen, namelijk een zuidelijk deel en een noordelijk deel. Op het zuidelijke deel heeft Kerkwaard in 1983 ten behoeve van de Staat een erfdienstbaarheid gevestigd. Aan deze erfdienstbaarheid ligt een overeenkomst ten grondslag. De erfdienstbaarheid behelst het zakelijk recht van gebruik uitsluitend ten behoeve van het inrichten, hebben, behouden en onderhouden van een overnachtingshaven voor schippers. De Staat heeft het zuidelijke deel ingericht met vier drijvende steigers en bij de toegangsgeul een bord geplaatst met daarop onder meer de tekst ‘Overnachtingshaven Haaften’. Zie voor een luchtfoto van de situatie: Gerechtshof Den Haag 21 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:26, rov. 2.6.
De Staat heeft in 2017/2018, nadat overleg daartoe op niets is uitgelopen, toch zijn voornemen gerealiseerd om de toegangsgeul te verbreden en vier meerpalen te plaatsen in het verlengde van de steigers in het zuidelijke deel van de haven waarop de erfdienstbaarheid rust. Kerkewaard vordert vervolgens ‘de Staat te verbieden de steigers te verlengen of meerpalen te plaatsen in het verlengde van de steigers, op een zodanige wijze dat binnenschepen de steigers slechts kunnen bereiken door gebruik te maken van het water buiten het zuidelijke deel van de haven en de Staat te bevelen zodanige verlenging van de steigers, indien reeds geëffectueerd, ongedaan te maken’.
Het geschil spitst zich in het onderhavige arrest toe op de rechtsvraag of het zuidelijke en het noordelijke deel van de haven openbaar vaarwater zijn, en zo ja wat de eigenaar van de haven precies heeft te dulden en op de rechtsvraag of de erfdienstbaarheid is verzwaard. De Hoge Raad schept in dit arrest onder meer duidelijkheid over de kwestie of de intensivering van het gebruik van een openbaar vaarwater door toedoen van een ander dan de eigenaar door de eigenaar moet worden geduld. Een nieuw aspect in zijn rechtspraak is dat als het gewone gebruik van een openbaar vaarwater in intensiteit toeneemt, dit door de eigenaar moet worden geduld.
2.
Eigendom en duldplichten. Eigendom is het meest omvattende recht dat iemand op een zaak kan hebben (art. 5:1 lid 1 BW). Hoofdregel is dat het de eigenaar met uitsluiting van eenieder vrijstaat van de zaak gebruik te maken. Dit gebruik mag niet in strijd zijn met de rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen moeten daarbij in acht worden genomen (art. 5:1 lid 2 BW). In dit geval is er een erfdienstbaarheid op het zuidelijke deel van de haven gevestigd en met de rechten van de Staat heeft Kerkewaard rekening te houden. Zie art. 5:71 lid 1 BW voor de duldplicht bij erfdienstbaarheid. Het is in deze zaak de vraag of de erfdienstbaarheid zich ook is gaan uitstrekken tot het noordelijke deel. In deze zaak is het voorts de vraag of de haven een openbaar (vaar)water is, want als dat het geval is dan heeft Kerkewaard het gewone gebruik daarvan te dulden. Het gaat hier om een beperking van het eigendomsrecht op grond van het ongeschreven recht.
3.
Wet bevat geen algemene regels. Over de vraag wanneer een waterperceel openbaar is en de rechtsgevolgen daarvan bevat de wet geen algemene regels. Er is door de wetgever bewust van afgezien om een algemene regeling in het BW op te nemen van ‘de ten openbare dienste bestemde zaken’. De wetgever achtte het beter dat bijzondere wetten tot stand zouden worden gebracht voor afgebakende groepen zaken, waaronder de openbare wateren. Zie de Toelichting-Meijers, Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 141.
Voor openbare (vaar)wateren is er ook geen bijzondere wetgeving tot stand gekomen waarin algemene regels zijn neergelegd voor de vaststelling van wanneer zij openbaar zijn, welke rechtsgevolgen daaruit voortvloeien en wat de eigenaar heeft te dulden. In rov. 3.2 van het onderhavige arrest komt aan bod of de Wegenwet, waarin dergelijke regels wél zijn geformuleerd, zij het voor een ander type openbare zaken, te weten de openbare weg, van overeenkomstige toepassing zijn. Daarover is de Hoge Raad, onder verwijzing naar de Toelichting-Meijers, Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 141, kort: dat is niet het geval. De wetgever wijst analoge toepassing van de hand, want ‘hoe de publieke bestemming ontstaat en tenietgaat, en wat de rechtsgevolgen van deze bestemming zijn, kunnen niet op gelijke wijze worden beantwoord bij land- en waterwegen (…).’
De invulling van de vraag wanneer sprake is van openbare (vaar)wateren en de duldplicht van de eigenaar is bij gebrek aan wettelijke regels overgelaten aan de rechtspraak. Het gaat om ‘rechtersrecht’.
4.
Openbaar (vaar)water: algemeen. Voor het antwoord op de vraag wat een eigenaar van een onroerende zaak heeft 'te accepteren' van anderen die gebruik maken van zijn zaak, is belangrijk of deze zaak openbaar is of niet. Is de zaak openbaar dan heeft de eigenaar het gewone gebruik van de zaak door anderen te dulden, hetgeen een vergaande inperking van zijn eigendomsrecht inhoudt.
De maatstaf om vast te stellen of sprake is van een openbaar (vaar)water is, als gezegd, niet te vinden in de wet, maar dit wil niet zeggen dat er geen houvast aanwezig is in het recht. De Hoge Raad heeft namelijk houvast aan hetgeen in de parlementaire geschiedenis van het BW is te vinden en aan zijn eerdere rechtspraak. Beide elementen zijn duidelijk te herkennen in rov. 3.2 van dit arrest en de voetnoten daarbij. De Hoge Raad overweegt dat het feitelijke gebruik van het water bepalend is voor het antwoord op de vraag of een water openbaar is. Blijkt uit het feitelijke gebruik dat eenieder van het water gebruik kan maken, dan is het water openbaar, aldus de Hoge Raad onder verwijzing naar de Toelichting-Meijers, Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 141. Worden openbare wateren met enige duurzaamheid en frequentie voor het economisch vervoer van goederen en personen gebruikt, dan zijn zij openbare vaarwateren. Dit laatste volgt uit een arrest uit 1951 (HR 12 juni 1951, ECLI:NL:HR:1951:35), waarnaar de Hoge Raad verwijst.
Als de maatstaf om een water als openbaar aan te merken letterlijk wordt genomen, zou dat heel verstrekkende gevolgen voor de eigenaar hebben. Het feitelijke gebruik is bepalend om een water als openbaar aan te merken, zo overweegt de Hoge Raad; het water is openbaar als uit dat gebruik blijkt dat eenieder van het water gebruik kan maken. Dit zou, als dit letterlijk wordt opgevat, al betekenen dat als willekeurige personen gebruikmaken van een water, dat water onmiddellijk openbaar wordt en de eigenaar reeds daardoor de kern van zijn eigendomsrecht wordt ontnomen. Zo laagdrempelig is het niet voor de subcategorie openbare vaarwateren, zo volgt uit dit arrest, aangezien het feitelijke gebruik enige duurzaamheid en frequentie moet hebben. Het ligt in de rede dat dit ook geldt voor openbare wateren, die geen vaarwateren zijn. Zie voor een nadere problematisering van dit punt F.M.J. Verstijlen in zijn noot bij dit arrest, NJ 2022/194, randnummers 4 en 5.
5.
Openbaar vaarwater: hoe pakt dat hier uit? De Hoge Raad oordeelt dat het hof de juiste maatstaf heeft aangelegd bij het onderzoek of de haven is aan te merken als openbaar vaarwater en dat het hof zijn conclusie dat de haven openbaar vaarwater is, toereikend heeft gemotiveerd (zie rov. 3.3 van het onderhavige arrest). Hierna bespreek ik de overwegingen van het hof en de Hoge Raad.
Dat het gebruik van de overnachtingshaven louter openstaat voor schippers die zich met beroepsvaart bezighouden, is in hoger beroep niet in geschil. Als onderdeel van hun vervoersactiviteiten op de Waal zijn schippers verplicht om op gezette tijden gebruik te maken van overnachtingshavens. Het hof overweegt dat daarmee het gebruik van de overnachtingshavens in zodanig verband met de beroepsvaart op de Waal staat dat het daarvan deel uitmaakt. De beroepsvaart (inclusief het gebruik van overnachtingshavens) maakt onderdeel uit van het gewone economische verkeer, zo redeneert het hof verder. Na te overwegen dat er met enige duurzaamheid en frequentie gebruik wordt gemaakt van de overnachtingshavens, komt het hof tot de slotsom dat in het verlengde van de Waal ook overnachtingshavens als openbaar vaarwater moeten worden aangemerkt (zie rov. 5.5 van het hof). Dat het gebruik van de overnachtingshaven deel uitmaakt van het gewone economische verkeer op de Waal is in cassatie niet bestreden (zie rov. 3.3 van het onderhavige arrest).
De haven bestaat, zoals hiervoor beschreven, uit twee delen, namelijk een zuidelijk en een noordelijk deel. Beide delen zijn volgens het hof en de Hoge Raad openbaar vaarwater. Het hof overweegt dat Kerkewaard het zuidelijke deel een bestemming als openbaar vaarwater heeft gegeven, door dat deel met de erfdienstbaarheid open te stellen voor de vestiging van de overnachtingshaven (zie rov. 5.6 van het hof). De Hoge Raad overweegt over het zuidelijke deel dat het hof daarbij kon meewegen dat het gebruik als overnachtingshaven overeenstemt met de daarop door Kerkewaard gevestigde erfdienstbaarheid (zie rov. 3.3 van het onderhavige arrest).
Het hof overweegt wat betreft het noordelijke deel dat Kerkewaard geen bestemmingshandeling heeft verricht. Dat is een logische overweging, want daarvoor was immers geen erfdienstbaarheid afgesproken (zie over de erfdienstbaarheid en hoe ver die zich uitstrekt randnummer 9 van deze annotatie). Daarmee is niet gezegd dat dit deel niet ook een openbaar vaarwater is. Het hof overweegt dat voor zover het noordelijke deel gebruikt wordt om af te meren in de overnachtingshaven, dat gebruik in onlosmakelijk verband met het gebruik van de overnachtingshaven en het gewone economische verkeer op de Waal staat. Al vóór plaatsing van de meerpalen voer een groot deel van de schepen die gebruik maken van de overnachtingshaven door het noordelijke deel, en het gaat ook hier om gebruik met enige duurzaamheid en frequentie. Slotsom van het hof is dat in zoverre het noordelijke deel ook moet worden aangemerkt als openbaar vaarwater (zie rov. 5.6 van het hof). Volgens de Hoge Raad is het oordeel van het hof dat het noordelijke deel van de haven openbaar vaarwater is omdat het wordt gebruikt door schepen die afmeren in de overnachtingshaven niet onjuist of onbegrijpelijk (zie rov. 3.3 van het onderhavige arrest).
De Advocaat-Generaal roert in haar conclusie aan dat men erover kan twisten of openbaar (vaar)water al kan ontstaan door een enkele bestemmingshandeling van de eigenaar (zie de conclusie van A-G E.B. Rank-Berenschot, ECLI:NL:PHR:2021:356, randnummers 2.5 en 2.14). Anders dan het hof suggereert, volgt dit naar haar mening niet uit HR (belastingkamer) 5 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI5786 (zie voetnoot 63, bij randnummer 2.14 van de conclusie van de A-G). Zij merkt op dat het feitelijke karakter van de openbaarheid, zoals benadrukt in de wetsgeschiedenis van het BW, ertegen lijkt te pleiten dat openbaarheid van een (vaar)water alleen door een bestemmingshandeling kan ontstaan.
In deze zaak staat het feitelijke gebruik voorop in de redenering van zowel het hof als de Hoge Raad. De erfdienstbaarheid die de eigenaar op (een deel van) zijn waterperceel heeft gevestigd — de Hoge Raad gebruikt het woord ‘bestemmingshandeling’ niet in zijn rechtsoverweging — kan dienen als steunargument. Voor het zuidelijke deel van de haven overweegt de Hoge Raad immers dat het hof kon meewegen dat het gebruik als overnachtingshaven overeenstemt met de erfdienstbaarheid die Kerkewaard daarop vestigde. Daarmee blijft de vraag boven de markt hangen of alleen een bestemmingshandeling van de eigenaar voldoende kan zijn voor het ontstaan van een openbaar (vaar)water.
6.
Normaal gebruik van een openbaar vaarwater: maatstaf. Als sprake is van een openbaar vaarwater, dan is het uiteraard nog wel de vraag welk gebruik de eigenaar heeft te dulden als ‘normaal’ dan wel gewoon gebruik. Een wettelijke regeling over de duldplicht en de omvang daarvan bij een openbaar vaarwater is er, als gezegd, ook niet. Hier heeft de Hoge Raad evenzeer houvast aan zijn jurisprudentie. De Hoge Raad overweegt dat het antwoord op de vraag welk gebruik de eigenaar van openbaar vaarwater moet dulden als ‘normaal gebruik’, eveneens afhankelijk is van het feitelijke gebruik en de overige omstandigheden. Daarbij oordeelt de Hoge Raad ‘dat daaronder in elk geval valt het gewone verkeer en het gebruik dat daarmee in zodanig verband staat dat het geacht moet worden daarvan deel uit te maken’ (zie rov. 3.2). Hierbij verwijst hij, in een voetnoot, naar: HR 18 juni 1965, ECLI:NL:HR:1965:AC4581, HR 22 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5347 en HR 5 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0627. Dit arrest past in de lijn van de genoemde arresten.
7.
Hoever reikt de duldplicht hier? Het oordeel van het hof dat het gebruik van beide delen van de haven moet worden aangemerkt als gewoon gebruik van de haven als openbaar vaarwater houdt in cassatie stand (zie rov. 3.3 van het arrest van de Hoge Raad). Maar, wat heeft Kerkewaard dan precies te dulden in (het noordelijke deel van) de haven?
Alleen het gewone gebruik moet worden geduld door de eigenaar van een openbare zaak, al het andere gebruik dan het gewone gebruik hoeft niet te worden geduld. Dat andere gebruik duidt men doorgaans aan als ‘bijzonder gebruik’. Zie daarover onder meer G.A. van der Veen, Openbare zaken (diss. Utrecht), Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 161 e.v., H.Ph.J.A.M. Hennekens, Openbare zaken naar publiek- en privaatrecht, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 2001, p. 55 e.v. en P.J. Huisman & F.J. van Ommeren, Hoofdstukken van privaatrechtelijk overheidshandelen, Deventer: Wolters Kluwer 2019, par. 11.7, p. 525 e.v. In dit licht is rov. 4.2 van het arrest goed te begrijpen. Hier overweegt de Hoge Raad dat de omvang of invulling van de publieke bestemming van een openbaar vaarwater en de duldplicht van de eigenaar afhankelijk is van de omstandigheden van het geval (meer in het bijzonder de feitelijke situatie ter plaatse en het plaatselijke gebruik); is sprake van een openbaar vaarwater dan betekent dat ‘niet zonder meer dat het een ieder vrijstaat elk gebruik van het vaarwater te maken en dat de eigenaar elk gebruik moet dulden’. Met andere woorden, dat een perceel een openbaar vaarwater is, betekent alleen dat hetgeen gezien de feitelijke situatie en het plaatselijke gebruik als gewoon gebruik moet worden aangemerkt, hoeft te worden geduld. Kerkewaard hoeft, zo is voor het noordelijke deel de slotsom, ander gebruik van dit deel dan om te komen en te gaan naar de overnachtingshaven in het zuidelijke deel niet te dulden.
8.
Intensivering gewoon gebruik en duldplicht. Het spannendste punt uit dit arrest komt in rov. 4.4 aan bod, want hier voegt de Hoge Raad een nieuw element toe aan zijn jurisprudentie over de duldplicht bij gewoon gebruik van een openbaar vaarwater, namelijk de plicht tot het dulden van een toenemende intensiteit van dat gebruik (evenzo L.J.M. Timmermans in zijn annotatie bij dit arrest, zie JB 2022/55, randnummer 4).
De Hoge Raad hakt op dit punt de knoop anders door dan het hof. Het hof oordeelt dat de duldplicht, die is gebaseerd op de omstandigheid dat het noordelijke deel openbaar vaarwater is, in het noordelijke deel is beperkt tot de intensiteit van het gebruik van dat deel van de haven dat werd gemaakt in de periode vóór het plaatsen van de meerpalen. Daar gaat de Hoge Raad niet in mee. Er is (ook in het noordelijke deel van de haven) sprake van een openbaar vaarwater en het gebruik door aankomende en vertrekkende binnenschepen die in de overnachtingshaven verblijven moet als gewoon gebruik worden aangemerkt, hetgeen betekent dat dit gebruik door Kerkewaard moet worden geduld. Kerkewaard heeft dat gebruik volgens de Hoge Raad ook te dulden als de intensiteit toeneemt door een verandering van de inrichting van de overnachtingshaven ‘indien en voor zover die wijziging binnen de aan de Staat op grond van de erfdienstbaarheid toekomende bevoegdheid valt’. Anders gezegd, als het binnen de afspraken over de erfdienstbaarheid valt om in het zuidelijke deel meerpalen te plaatsen, dan moet een intensivering van het gewone gebruik worden geduld.
9.
Erfdienstbaarheid: ook ten aanzien van het noordelijke deel? Een andere kwestie is of de erfdienstbaarheid die is gevestigd op het zuidelijke deel van de haven, zich ook is gaan uitstrekken tot het noordelijke deel. Als dat zo is, is de vervolgvraag of de intensivering van het gebruik van het noordelijke deel — als gevolg van het plaatsen van de meerpalen — een verzwaring van de erfdienstbaarheid op het noordelijke deel is waartegen Kerkewaard zich kan verzetten. De Hoge Raad volgt het hof niet voor zover het hof oordeelt dat de erfdienstbaarheid zich is gaan uitstrekken tot het noordelijke deel doordat (reeds vóór plaatsing van de meerpalen) een niet-onbelangrijk deel van de schepen die de overnachtingshaven gebruiken komt en gaat via het noordelijke deel van de haven. De Hoge Raad oordeelt mijns inziens terecht dat dit gebruik van het noordelijke deel niet tot gevolg heeft dat de erfdienstbaarheid zich heeft uitgebreid tot het noordelijke deel, waardoor van een verzwaring van een erfdienstbaarheid op dat deel waartegen Kerkewaard zich kan verzetten geen sprake kan zijn (zie rov. 4.4 van het onderhavige arrest). Erfdienstbaarheden ontstaan door vestiging of verjaring (zie art. 5:72 BW, waarover Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/189 e.v.) en daar was voor wat het noordelijke deel betreft geen sprake van. Evenzo Verstijlen in zijn annotatie bij dit arrest, zie NJ 2022/194, randnummer 9.
10.
Hoe nu verder? Op basis van dit arrest lijkt het erop dat Kerkewaard zich heeft te voegen in de intensivering van het gebruik van haar haven. Maar mogelijk gloort er toch nog enige hoop voor haar. Het arrest van het hof Den Haag is vernietigd en de Hoge Raad verwijst het geding naar het hof Amsterdam. Aan het verwijzingshof ligt in het bijzonder de vraag voor of het aanbrengen van de meerpalen door de Staat in het zuidelijke deel van de haven valt binnen de aan de Staat op grond van de erfdienstbaarheid toekomende bevoegdheden. Wordt vervolgd!
Voetnoten
Voetnoten 'Uitspraak'
Rechtbank Den Haag 28 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3401.
Gerechtshof Den Haag 21 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:26.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 141.
HR 12 juni 1951, ECLI:NL:HR:1951:35.
Vgl. HR 18 juni 1965, ECLI:NL:HR:1965:AC4581, HR 22 juni 1973, ECLI:NL:HR:1973:AC5347 en HR 5 juni 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0627.
Parl. Gesch. Boek 5, p. 141.
Voetnoten 'Noot'
P.J. Huisman is universitair hoofddocent bij de afdeling Staats- en bestuursrecht aan de Vrije Universiteit Amsterdam en raadsheer-plaatsvervanger in de Centrale Raad van Beroep.