CRvB, 29-09-2010, nr. 08/6983 WIA
ECLI:NL:CRVB:2010:BN8678
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
29-09-2010
- Magistraten
Ch. van Voorst, C.P.J. Goorden, A.A.H. Schifferstein
- Zaaknummer
08/6983 WIA
- LJN
BN8678
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CRVB:2010:BN8678, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 29‑09‑2010; (Hoger beroep)
- Wetingang
- Vindplaatsen
USZ 2010/318 met annotatie van Redactie
Uitspraak 29‑09‑2010
Inhoudsindicatie
Loonsanctie terecht opgelegd, omdat betrokkene (werkgever) zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen voor werkneemster heeft verricht. Loonsanctie. Eerstejaarsevaluatie. Opschudmoment. Tweede spoor. Activiteiten op arbeidstherapeutische basis. Werkgever verantwoordelijk voor re-integratie. Deskundigenoordeel. Advies bedrijfsarts.
Ch. van Voorst, C.P.J. Goorden, A.A.H. Schifferstein
Partij(en)
UITSPRAAK
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 27 november 2008, 07/1004 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen (hierna: betrokkene)
en
appellant.
I. Procesverloop
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft H.C. Mertens, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Kragten en Partner te Hoogeveen, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2010. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. P. Belopavlovic.
Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn juridisch adviseur H.C. Mertens.
II. Overwegingen
1.1.
Bij besluit van 14 december 2006 heeft appellant het tijdvak van 104 weken waarin [naam werkneemster] jegens betrokkene recht heeft op loon tijdens ziekte (hierna: de wachttijd) met 52 weken verlengd tot 31 januari 2008. Appellant heeft deze verlenging (ook aangeduid als: de loonsanctie) opgelegd, omdat betrokkene zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen voor werkneemster heeft verricht. Appellant heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, in verbinding met artikel 65, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.2.
Bij besluit van 30 oktober 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft appellant het tegen het besluit van 14 december 2006 gemaakte bezwaar van werkneemster en betrokkene ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser van 19 september 2007.
2.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak — met bepalingen over proceskosten en griffierecht — het door betrokkene ingediende beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank is van oordeel dat betrokkene als werkgeefster ter zake van haar verplichtingen op grond van de Wet WIA in beginsel mag afgaan op het deskundig en medisch oordeel van de door haar ingeschakelde arbodienst, tenzij er omstandigheden zijn om te twijfelen aan de juistheid en/of consistentie van dat advies. Dergelijke omstandigheden hebben zich naar het oordeel van de rechtbank niet voorgedaan. De rechtbank volgt voorts niet het standpunt van appellant dat betrokkene door het medisch oordeel te volgen van de arbo-arts dat werkneemster geen benutbare mogelijkheden had, onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant betwist dat betrokkene voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Betrokkene heeft verzuimd relevante activiteiten te ondernemen, zowel wat betreft het eerste als het tweede spoor, terwijl uit de stukken niet blijkt van enige onderbouwing van de door de bedrijfsarts ingenomen stelling dat werkneemster geen benutbare arbeidsmogelijkheden had. Betrokkene had volgens appellant niet mogen uitgaan van de adviezen van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts. In het rapport van 4 december 2006 heeft de verzekeringsarts L.J. Niemeijer de medische situatie van werkneemster uiteengezet en geconcludeerd dat er in 2005 en later wel benutbare arbeidsmogelijkheden voor werkneemster bestonden. De bezwaarverzekeringsarts N. Visser heeft zich in het rapport van 19 september 2007 verenigd met deze conclusie. Ten onrechte is betrokkene er van uitgegaan dat er sprake was van geen benutbare mogelijkheden. Ter zitting van de Raad heeft appellant in dit verband aangevoerd dat de behandelend psychiater in zijn brief aan de bedrijfsarts van 29 november 2006 voorwaarden noemt waarmee bij het verrichten van arbeid door werkneemster rekening kan worden gehouden en dat hij niet heeft gesteld dat werkneemster niet kan werken. Tevens heeft appellant gewezen op de niet consistente FML van 14 november 2006. Een deugdelijke grond voor het verzuim met betrekking tot de re-integratie-activiteiten ontbreekt.
3.2.
Betrokkene heeft — samengevat weergegeven — verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen. Vanaf 4 februari 2005, toen de werkneemster is uitgevallen voor haar werk, heeft betrokkene diverse voorzieningen geregeld voor werkneemster en haar meerdere malen uitgenodigd voor een gesprek om samen andere geschikte werkzaamheden binnen haar organisatie te bespreken. Bovendien heeft betrokkene het mogelijk gemaakt dat werkneemster bij een dierenasiel, een kinderboerderij en de opvang van chinchilla's heeft gewerkt. Bij besluit van 12 juni 2008 heeft appellant de mate van arbeidsongeschiktheid van de werkneemster vastgesteld op 63%.
4.1.
De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.2.
In geschil is of appellant terecht de loondoorbetalingsverplichting van betrokkene jegens werkneemster met 52 weken heeft verlengd. Het geschil heeft zich toegespitst op de vraag of appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in de wachttijd sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, omdat er onvoldoende interventies van de zijde van betrokkene zijn geweest.
4.3.
Werkneemster was als juriste werkzaam bij betrokkene en zij heeft zich per 4 februari 2005 ziek gemeld wegens psychische klachten.
4.4.
Bedrijfsarts I. Janse-Ritzen heeft op 14 juni 2005 een probleemanalyse opgesteld en daarin vermeld dat werkneemster op dat moment geen benutbare mogelijkheden heeft, maar in de toekomst wel. Een einddoel is toen niet geformuleerd omdat er geen duidelijk toekomstperspectief was.
4.5.
Op 2 mei 2005 werd door werkneemster en betrokkene een plan van aanpak opgesteld, dat daarna diverse malen is bijgesteld. De eindevaluatie van dit plan is vastgesteld op 18 oktober 2006 en vermeld is alleen dat gezocht is naar passend werk bij betrokkene en dat werkneemster niet werkt om medische redenen.
4.6.
De bedrijfsarts heeft op 14 november 2006 haar actueel oordeel bij de probleemanalyse WIA, dat onderdeel uitmaakt van het re-integratieverslag, uitgebracht en daarin de gesteld dat passende arbeid bij betrokkene niet van toepassing is omdat de algehele belastbaarheid van werkneemster zo gering is dat zij niet reëel inzetbaar is in welk regulier werk dan ook. Op het bijbehorende formulier medische informatie WIA heeft de bedrijfsarts toen verklaard dat werkneemster volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat er sprake is van een stabiele situatie. Tevens heeft de bedrijfsarts op 14 november 2006 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van werkneemster opgesteld. De bedrijfsarts heeft op die FML zowel aangekruist dat werkneemster beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden, zij het met beperkingen ten opzichte van normaal functioneren, als dat werkneemster niet over zodanige mogelijkheden beschikt omdat werkneemster sterk beperkt is in het persoonlijk en/of sociaal functioneren. Voorts is in de FML, naast aankruising van normaalwaarden op vele onderdelen, aangegeven dat werkneemster in staat moet worden geacht normaal hele dagen, gedurende een normale werkweek werkzaamheden te verrichten.
4.7.
Op 3 november 2006 heeft werkneemster een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet WIA ingediend.
4.8.
Vastgesteld kan worden dat de stukken en hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd voldoende steun bieden voor de conclusie van appellant dat in de wachttijd ten aanzien van werkneemster sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door betrokkene, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. In dit verband wijst de Raad op het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts van 29 oktober 2007 en in het bijzonder op de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen van 4 december 2006 en 19 september 2007. In het rapport van de verzekeringsarts L.J. Niemeijer van 4 december 2006 is, naar aanleiding van dossieronderzoek, informatie van de behandelend sector en de bedrijfsarts en voorts onderzoek van werkneemster op die datum, uitvoerig ingegaan op de relevante medische aspecten. Vermeld is dat blijkens de beschikbare medische informatie ten aanzien van werkneemster geen sprake is van afwezigheid van benutbare mogelijkheden. De verzekeringsarts heeft daarbij de conclusie getrokken dat ten onrechte van de zijde van betrokkene is gesteld dat er geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn en dat eveneens ten onrechte re-integratie-activiteiten niet zijn ondernomen, omdat werkneemster benutbare mogelijkheden heeft in passende arbeid. Aldus zijn re-integratiekansen gemist. De bezwaarverzekeringsarts Visser heeft deze conclusies onderschreven in het rapport van 19 september 2007 en aangegeven dat gedurende de gehele wachttijd er geen sprake is geweest van problematiek die een onvermogen tot het verrichten van arbeid inhoudt.
4.9.
Nadere medische informatie dan waarover de (bezwaar)verzekeringsartsen beschikten en die het standpunt van betrokkene ondersteunen ontbreekt. Naar het oordeel van de Raad heeft appellant dan ook terecht de conclusie getrokken dat betrokkene gedurende de wachttijd te afwachtend was en dat haar re-integratie-inspanningen in die periode onvoldoende zijn geweest.
4.10.
In dit verband wijst de Raad er nog op dat betrokkene en werkneemster in afwijking van de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Stcrt. 2006, nr. 224) geen eerstejaarsevaluatie hebben opgemaakt, terwijl juist dit in die Beleidsregels als een belangrijk moment wordt aangemerkt, het zogeheten opschudmoment, waarop in elk geval activiteiten via het tweede spoor in gang moeten worden gezet. Ook vanaf dat moment heeft betrokkene in feite enkel in ogenschouw genomen de werksituatie bij haar organisatie en geen aandacht geschonken aan eventuele mogelijkheden voor werkneemster bij een andere werkgever. De activiteiten bij het dierenasiel, de kinderboerderij en de opvang van chinchilla's kunnen niet als zodanig worden aangemerkt; zij hadden niet als doel om werkneemster daar een arbeidsplaats met daaraan verbonden een reële loonwaarde te laten innemen. Het betrof, zoals ook door betrokkene aangegeven, activiteiten op arbeidstherapeutische basis.
4.11.
Voorts kan op grond van de gedingstukken worden vastgesteld dat betrokkene en ook haar bedrijfsarts zich wat de re-integratie-inspanningen betreft ten onrechte in overwegende mate hebben laten leiden door hetgeen werkneemster als haar mogelijkheden aangaf.
4.12.
Anders dan betrokkene heeft aangevoerd is het niet aan de verzekeringsarts om te beoordelen of en zo ja welke concrete re-integratiemogelijkheden er zijn. Voor zover betrokkene zich op het standpunt stelt dat het haar gedurende wachttijd heeft ontbroken aan begeleiding door appellant, stelt de Raad vast dat de concrete invulling van de re-integratie een taak is van betrokkene als werkgeefster. De Raad merkt in dit verband op dat in gevallen als hier aan de orde, waarin niet tussentijds aan appellant om een deskundigenoordeel is gevraagd, appellant niet eerder kennis krijgt van de van belang zijnde situatie dan bij gelegenheid van de indiening van de aanvraag om een WIA-uitkering. Indien betrokkene behoefte zou hebben gehad aan nadere informatie had zij tijdig om een deskundigenoordeel aan appellant kunnen verzoeken, gericht op de door betrokkene van belang geachte situatie.
4.13.
De Raad stelt vast dat het toekennen van een WIA-uitkering aan werkneemster bij besluit van 12 juni 2008 achteraf heeft plaatsgevonden op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan hier aan de orde. Daaruit kunnen geen conclusies worden getrokken met betrekking tot de vraag of betrokkene in de hier relevante periode voldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht.
4.14.
Met betrekking tot het door betrokkene ingenomen standpunt dat zij de adviezen van haar bedrijfsarts heeft gevolgd waar het betrof het ontbreken van duurzaam benutbare mogelijkheden voor werkneemster en dat zij niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 18 november 2009, LJN BK3713, waarin hij heeft geoordeeld dat het Uwv er terecht van uitgaat dat de verantwoordelijkheid voor re-integratie bij de werkgever is gelegen. In hetgeen betrokkene in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding ten aanzien van betrokkene als werkgeefster tot een andersluidend oordeel te komen.
4.15.
De Raad onderschrijft gelet op het vorenstaande tevens de conclusie van appellant dat betrokkene voor haar tekortkomingen op het vlak van de re-integratie-inspanningen geen deugdelijke grond heeft gehad.
4.16.
Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.15 is overwogen volgt dat de Raad — anders dan de rechtbank — van oordeel is dat het bestreden besluit waarbij de opgelegde loonsanctie is gehandhaafd in rechte stand kan houden.
5.
Het hoger beroep slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Raad het beroep ongegrond.
6.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. Beslissing
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en A.A.H. Schifferstein als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) R.L. Rijnen.