Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/6.3:6.3 Beheersregeling bij testamentair bewind
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/6.3
6.3 Beheersregeling bij testamentair bewind
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232959:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 1 voor een beschrijving van de kenmerken waar een evenwichtige beheersregeling naar mijn mening aan moet voldoen.
Artikel 4:161 BW.
Artikel 4:163 BW.
Artikel 4:164 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wettelijke regeling van het testamentair bewind kent een beheersregeling1 in de vorm van een aantal bepalingen die de verhouding tussen de rechthebbende en de bewindvoerder regelen in termen van aansprakelijkheid van de bewindvoerder en de mogelijkheid om deze te laten vervangen als hij tekort schiet in de vervulling van zijn taak. Zo is de bewindvoerder verplicht om, in beginsel jaarlijks en aan het einde van zijn bewind, rekening en verantwoording af te leggen aan de rechthebbende en in voorkomend geval aan zijn opvolger.2 De bewindvoerder kan bovendien aansprakelijk zijn jegens de rechthebbende. Dit is het geval indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekort is geschoten, tenzij hij kan aantonen dat deze tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend.3 Het bewindvoerderschap eindigt onder meerdere omstandigheden, waaronder ontslag door de kantonrechter. Het verzoek hiertoe kan onder meer gedaan worden door de rechthebbende. In dat geval zijn gewichtige redenen voor het ontslag vereist.4
De wet voorziet derhalve in een regeling die de verplichtingen van de bewindvoerder afbakent en ook de rechthebbende een mogelijkheid biedt om de bewindvoerder te laten vervangen. Hiermee creëert de wet een zeker evenwicht tussen de belangen van de rechthebbende en van het belang dat door het bewind gediend wordt door de bewindvoerder (en tot op zekere hoogte ook het belang van de bewindvoerder zelf). Voorts kan de insteller op dit punt nadere invulling geven aan de positie van de bewindvoerder, omdat hij diens bevoegdheden en verplichtingen ruimer, maar ook beperkter, kan vaststellen dan uit de wet voortvloeit.5 Hiermee kan de insteller het bewind nader toespitsen op hetgeen hij hiermee precies voor ogen heeft en ook in het evenwicht tussen rechthebbende en bewindvoerder de positie van de bewindvoerder, of juist van de rechthebbende, versterken.