Rb. Den Haag, 06-07-2021, nr. NL21.136
ECLI:NL:RBDHA:2021:6931
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
06-07-2021
- Zaaknummer
NL21.136
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2021:6931, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 06‑07‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2021:3858, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 19‑04‑2021; (Eerste aanleg - meervoudig, Tussenuitspraak)
Uitspraak 06‑07‑2021
Inhoudsindicatie
Dublin Malta – einduitspraak – EASO verschaft geen nadere feiten en omstandigheden aan de rechtbank – beroep gegrond – rechtbank voorziet zelf in de zaak. De rechtbank heeft reeds eerder geoordeeld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is. Gelet op de grootschalige pushbacks, de structurele tekortkomingen in de capaciteit en kwaliteit van de opvang, de structurele detentie van migranten en de erbarmelijke omstandigheden waaronder migranten worden gedetineerd, de gebrekkige procedure om op te komen tegen vreemdelingendetentie waarbij toegang tot de rechter en toegang tot rechtsbijstand niet zijn gewaarborgd en de hulpvraag van Malta aan EASO waaruit blijkt dat Malta erkent en onderkent dat ze reeds gedurende drie opvolgende jaren niet voldoen aan de Unierechtelijke eisen als het gaat om de asielprocedure is voor de rechtbank helder dat ten aanzien van Malta niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dat de bovenstaande vaststelling door de rechtbank mede betrekking heeft op Dublinclaimanten blijkt (óók) uit de toegewezen interim measure van 30 juni 2021. Het EHRM verbiedt de overdracht van een Dublinclaimant aan Malta omdat Malta geen garantie geeft dat de Dublinclaimant na overdracht niet in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. De rechtbank zal in de onderhavige zaak ook de Dublin-overdracht verbieden omdat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en er geen garantie bestaat dat eiser na overdracht gevrijwaard zal blijven van schendingen van artikel 3 EVRM/ artikel 4 Handvest en artikel 5 EVRM/artikel 6 Handvest. De rechtbank heeft verweerder ter zitting de vraag voorgehouden of hij bereid is zich nader te vergewissen van de actuele feiten en omstandigheden door zich tot de Maltese autoriteiten te wenden indien de rechtbank hem daartoe een opdracht geeft. Verweerder heeft aangegeven daartoe niet bereid te zijn omdat hij uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft, desgevraagd, aangegeven evenmin bereid te zijn om voor eiser individuele garanties te vragen en verkrijgen dat eiser zal worden opgevangen in een locatie die in overeenstemming is met het Unierecht en dat hij gevrijwaard zal blijven van onrechtmatige vreemdelingendetentie. Verweerder heeft zich ook na de tussenuitspraak en de nadere door eiser overgelegde stukken op het standpunt gesteld onverkort uit te (mogen) gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank zal gelet op deze proceshouding van verweerder zelf voorzien in de zaak. Het is immers duidelijk dat indien de rechtbank volstaat met het gegrond verklaren van het beroep en verweerder opdraagt opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak hij hieraan geen gevolg zal geven. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder eiser dient toe te laten tot de nationale asielprocedure. Ter vermijding van ieder misverstand zal de rechtbank verweerder hiertoe ook een uitdrukkelijke opdracht geven.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.136
uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , geboren op [geboortedag] 2001 en van Soedanese nationaliteit, eiser,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigden: mr. P. van Zijl en mr. R. Hopman).
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2021 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat hij Malta hiervoor verantwoordelijk acht.
Bij tussenuitspraak van 19 april 2021 heeft de rechtbank medegedeeld zich nader te willen vergewissen van de situatie waarin eiser na een mogelijke overdracht aan Malta komt te verkeren (ECLI:NL:RBDHA:2021:3858). De rechtbank heeft aangegeven zich tot de European Asylum Support Office (EASO) te zullen wenden met een aantal concrete vragen over de asielprocedure, de opvang van Dublinclaimanten, de omstandigheden in de detentiecentra waar migranten die op vreemdelingrechtelijke grondslag zijn gedetineerd verblijven en de procedure om op te komen tegen vreemdelingenbewaring. Aan partijen is de gelegenheid geboden te reageren op dit voornemen van de rechtbank en om zelf nadere vragen voor EASO aan te dragen.
Op 19 april 2021 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
Bij bericht van 19 april 2021 heeft eiser aangegeven akkoord te gaan met het stellen van vragen door de rechtbank aan EASO en zelf geen nadere vragen te hebben.
Bij brief van 14 mei 2021 heeft verweerder, nadat toestemming is gevraagd en door de rechtbank is verleend voor een ruimere termijn om te reageren, aangegeven het voor de beoordeling van het beroep niet noodzakelijk te achten nadere informatie in te winnen bij de autoriteiten van Malta. Verweerder heeft hierbij gemotiveerd betoogd dat hij gelet op het AIDA Country Report Malta van 7 mei 2021 uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het rapport van de European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 10 maart 2021 hier niet aan afdoet. Verweerder stelt zich tevens op het standpunt dat uit het arrest van het EHRM van 11 maart 2021 en de eerdere arresten van het EHRM tegen Malta niet volgt dat de detentieomstandigheden op Malta een reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 3 EVRM opleveren voor zover eiser in detentie zal geraken.
Bij bericht van 31 mei 2021 heeft de rechtbank partijen medegedeeld kennis te hebben genomen van hun standpunten en voornemens te zijn contact op te nemen met EASO.
Bij brief van 3 juni 2021 heeft de rechtbank zich tot EASO gewend met de vraag of EASO in staat en bereid is feitelijke informatie te verschaffen over de situatie waarin Dublinclaimanten na een overdracht aan Malta terecht komen (bijlage 1).
Bij brief van 14 juni 2021 heeft EASO de rechtbank geïnformeerd niet in de positie te zijn de rechtbank van de gevraagde informatie te voorzien (bijlage 2).
Bij bericht van 15 juni 2021 heeft de rechtbank partijen op de hoogte gesteld van de brief van EASO en partijen in de gelegenheid gesteld om tot 2 juli 2021– gemotiveerd – aan te geven of er behoefte bestaat aan een nadere behandeling ter zitting.
Bij bericht van 18 juni 2021 heeft eiser een brief van VVN van 16 juni 2021 en een mailwisseling tussen VVN en de auteurs van het AIDA-rapport over 2020 overgelegd en aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank of deze stukken aanleiding zijn voor de rechtbank om nadere vragen aan de opstellers van het AIDA-rapport te stellen en/of een nadere behandeling ter zitting te agenderen.
Bij brief van 23 juni 2021 heeft verweerder een inhoudelijke reactie gegeven op door eiser overgelegde stukken en aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank of een nadere behandeling ter zitting is gewenst.
Bij bericht van 1 juli 2021 heeft eiser een kopie van een op 30 juni 2021 toegewezen interim measure van het EHRM overgelegd in de zaak 22615/21 die betrekking heeft op een Dublinoverdracht vanuit Nederland aan Malta. Eiser heeft hierbij aangegeven dat hij gelet op alle nieuwe ingebrachte feiten en omstandigheden verzoekt om een nadere behandeling ter zitting.
De rechtbank ziet geen reden om het beroep verder ter zitting te behandelen in het licht van de overgelegde stukken. Redengevend daarvoor is dat de stukken voor zich spreken en eiser niet heeft aangegeven zelf nadere verklaringen af te willen leggen of zijn standpunten nader te willen onderbouwen, terwijl verder met deze uitspraak de partij die om een nadere behandeling ter zitting verzoekt al in het gelijk wordt gesteld.
De rechtbank heeft daarom het onderzoek in deze zaak gesloten op 5 juli 2021.
Overwegingen
1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 19 april 2021. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
Pushbacks
2. In het Amnesty International (AI)-rapport van 7 september 2020 “Waves of impunity: Malta's human rights violations Europe's responsibilities in the Central Mediterranean” (https://www.amnesty.org/download/Documents/EUR3329672020ENGLISH.PDF) wordt op pagina 7 melding gemaakt van de zogeheten Paasmaandag Pushback: “The Easter Monday Pushback”, april 2020: A recent case of pushback by Malta towards Libya unfolded between 10 and 15 april 2020 and was widely reported in the media as the “Easter Monday pushback”. The case illustrates the determination of the Maltese authorities to prevent the arrival of people to the island even at the cost of exposing them to further risks to their life.”. Verder zijn in dit rapport van AI eerdere vermeende pushback incidenten door de Maltese autoriteiten in het recente verleden gedocumenteerd die plaatsvonden op 14-15 maart 2019 en 18-19 oktober 2019 (pagina 10).
3. Uit het door eiser aangehaalde artikel van AI van 8 september 2020 volgt dat de Maltese autoriteiten bij sommige acties mogelijk criminele daden hebben gepleegd, met sterfgevallen tot gevolg, langdurige willekeurige detentie en illegale terugkeer naar Libië tot gevolg. AI heeft Malta verweten steeds meer illegale tactieken te hebben gebruikt om migranten en vluchtelingen uit Noord-Afrika af te wijzen. Zo heeft Malta onwettige pushbacks naar Libië geregeld, migrantenboten naar Italië omgeleid en illegaal honderden mensen op slecht uitgeruste offshore quarantaineveerboten vastgehouden. Daarnaast bevestigt ook het rapport van Statewatch - Analysis Mediterranean van mei 2020 dat sprake is van pushbacks door de Maltese autoriteiten en dat Malta hierin recidiveert. (https://www.statewatch.org/media/documents/analyses/no-360-malta-italy-eu-libya-pushbacks.pdf): “In September and October 2002, a group of 220 Eritreans were controversially deported from Malta. According to a damning report issued in 2004 (Malta deportees tortured in Eritrea, AI says (timesofmalta.com)), many ended up tortured at the hands of a brutal regime upon their return to Eritrea. (…) In April 2020, five migrants who were among those stranded on a boat in Maltese waters were found dead, with survivors saying another seven people were missing, presumed dead. In 2002, we witnessed a sin of commission. In 2020, it is a sin of omission. Both are terrible crimes, bron: https://timesofmalta.com/articles/view/we-have-blood-on-our-hands.785993).”
4. Voorts blijkt uit informatie van Europese Raad voor vluchtelingen en ballingen (ECRE) van 13 november 2020 (https://www.ecre.org/med-constitutional-case-filed-over-pushback-from-malta-death-toll-climbing-and-returns-to-libya-continue/) dat:
“A constitutional case has been filed (https://timesofmalta.com/articles/view/migrants-demand-payment-of-damages-after-pushback-to-libya.829552) by 50 people over breach of rights by Maltese authorities in pushback operation to Libya in April. After a series of shipwrecks, the death-toll rapidly climbs on the Med and returns to Libya continue.
On 11 April the NGO hotline Alarmphone alerted Maltese authorities to a boat heading for the Maltese SAR zone. Three days after the initial alert and after 39 hours in the Maltese SAR zone the people onboard, whose physical and psychological condition was deteriorating, were picked up by a fishing vessel acting as an agent of state. After being ‘pushed back’ to Libya, they were placed in a detention center where they were made to suffer further inhuman and degrading treatment. 50 applicants, and two siblings of people who lost their life during the pushback operation in April, have filed a constitutional case against the Maltese prime minister, the home affairs minister, and the commander of the Armed Forces over breaches of their human rights under the Constitution, the European Convention, and the EU Charter of human rights. Violations include inhuman and degrading treatment, the right to life, collective expulsion, the right to seek asylum and to contest the pushback, and a lack of effective remedy.” Dat voor deze pushbacks de hoogste Maltese autoriteiten op 15 april 2020 zijn aangeklaagd, volgt ook uit de berichtgeving van de Times of Malta. (“Notorious government official Neville Gafà has said under oath that he had coordinated the pushback to Libya of 51 migrants involved in a tragedy over Easter following the instructions of the Office of the Prime Minister. (bron: https://timesofmalta.com/articles/view/neville-gafa-says-he-coordinated-libya-pushback-on-opm-orders.788951)” en “Civil society group Republika on Wednesday began court action against cabinet, saying ministers should face criminal action for their decision to close the country's ports and ignore people in distress at sea. (…) The decision, the group said, lacked humanity, did not respect human rights or Malta's national and international obligations.
5. Tot slot zijn ook de Verenigde Naties bezorgd over de pushbacks in het centraal mediterraan gebied (https://news.un.org/en/story/2020/05/1063592): “We are also concerned that humanitarian search and rescue vessels, which usually patrol the central Mediterranean area, are being prevented from supporting migrants in distress, at a time when the numbers attempting to make the perilous journey from Libya to Europe has increased sharply”, aldus Rupert Colville, woordvoerder van de Office of the High Commissioner for Human Rights op 8 mei 2020. De OHCHR geeft daarbij aan dat, ondanks de Covid19 pandemie, het internationaal recht migranten beschermt tegen het terugsturen naar een gevaarlijke omgeving (https://www.ohchr.org/EN/NewsEvents/Pages/DisplayNews.aspx?NewsID=25875&LangID=E): “The Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR) is also calling for a moratorium on all interceptions and returns to Libya, in accordance with its recent guidelines on COVID-19 and migrants, https://www.ohchr.org/Documents/Issues/Migration/OHCHRGuidance_COVID19_Migrants.pdf.
Despite the pandemic, search and rescue operations should be maintained and swift disembarkation ensured, in line with public health measures. (…) Mr. Colville recalled that while international law protects migrants from being returned to dangerous environments, both Italy and Malta have declared their ports are “unsafe” for disembarkation due to the virus. (…) While the Maltese authorities have allowed a small group ashore on humanitarian grounds, OHCHR said all migrants should disembark because the vessels are not suitable for long-term accommodation.”).
6. De rechtbank gaat er gezien deze informatie van uit dat vanuit Malta en onder de verantwoordelijkheid van de Maltese autoriteiten stelselmatig pushbacks plaatsvinden. Deze pushbacks aan de buitengrenzen van de Unie leveren een flagrante schending van grondrechten op van de migranten die trachten de Unie via Malta in te reizen.
7. De rechtbank is voorts van oordeel dat Malta met de pushbacks de werking van het Europese asielsysteem en met name de Dublinverordening en het daaraan ten grondslag liggende interstatelijk vertrouwensbeginsel ondergraaft. Op basis van de Dublinverordening wordt aangenomen dat de lidstaten het beginsel van non-refoulement eerbiedigen, dat de lidstaten elk verzoek om internationale bescherming behandelen dat door een derdelander op het grondgebied van een van de lidstaten, inclusief aan de grens of in de transitzone, en hun verantwoordelijkheid nemen daar waar de verzoeker voor het eerst de grens van het grondgebied van de lidstaten passeert, onder meer door de derdelander in de gelegenheid te stellen een asielwens kenbaar te maken. Door de agressieve negatieve bejegening worden potentiële vluchtelingen ontmoedigd een verzoek om internationale bescherming in te dienen en worden zij door het niet toelaten tot de Unie en de uitzetting naar buiten de Unie blootgesteld aan het risico van refoulement. Daar komt bij dat uit bovengenoemde informatie blijkt dat migranten die trachten Malta in te reizen veelal naar Libië worden gebracht, waarbij gedocumenteerd is dat Libië zich stelselmatig schuldig maakt aan het zonder wettelijke grondslag detineren en het vervolgens martelen van migranten en deze migranten aan dwangarbeid onderwerpt.
Opvang
8. Uit de in de tussenuitspraak opgenomen samenwerkingsovereenkomsten tussen Malta en EASO blijkt genoegzaam dat de Maltese autoriteiten, gelet op hun vraag om ondersteuning aan EASO, erkennen dat, daargelaten de achterstanden in het behandelen van asielaanvragen, zowel de kwaliteit van de opvang als het aantal beschikbare plaatsen in de opvang niet voldoet aan de eisen die voortvloeien uit het Unierecht.
9. Uit de overgelegde en ambtshalve bekende informatie leidt de rechtbank af dat vreemdelingen die niet op rechtmatige wijze Malta inreizen structureel - bij wijze van opvang- worden gedetineerd omdat Malta een tekort aan opvangplaatsen voor asielzoekers heeft.
10. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder niet betwist dat eiser onmiddellijk na aankomst in Malta vanwege een illegale inreis negen maanden in Malta in detentie heeft verbleven. Eiser heeft -eveneens onbetwist-verklaard dat hij gedurende deze negen maanden geen juridische bijstand heeft ontvangen en de rechtmatigheid van deze detentie niet ter beoordeling aan een rechter heeft kunnen voorleggen. Ter zitting heeft eiser op vragen van de rechtbank verklaard dat hij verbleef op een afdeling met totaal 160 andere mensen en dat hij een kleine kamer met 20 andere personen moest delen, dat hij die maanden droog brood als voedsel kreeg dat werd aangereikt via een luik en dat hij water in het toilet moest drinken. Eiser is nimmer in een taal die hij begrijpt uitgelegd waarom hij werd gedetineerd en hoe lang dit zou (kunnen) duren. Op een dag moest eiser meekomen en kreeg hij zonder enige uitleg vragen over waarom hij uit zijn land van herkomst is vertrokken. Deze vragen zijn hem gesteld nadat hij ongeveer twee maanden was gedetineerd. Na negen maanden detentie is hij vrijgelaten. Bij zijn invrijheidstelling is hem geen uitleg gegeven en heeft hij evenmin documenten over zijn detentie of asielprocedure ontvangen. Eiser heeft gedurende deze periode van negen maanden detentie geen toegang tot medische zorg gehad. Eiser heeft verklaard dat hij bang is omdat tijdens de zitting bij de rechtbank steeds over Malta wordt gesproken.
Verweerder heeft deze aanvullende verklaringen van eiser over zijn ervaringen in Malta niet betwist.
Vreemdelingendetentie en procedure om tegen vreemdelingendetentie op te komen
11. Zoals de rechtbank in de tussenuitspraak heeft aangegeven heeft de CPT in de bevindingen van 10 maart 2021 onder meer het navolgende opgenomen:
B. Concluding remarks
(…)
85. The CPT has repeatedly underlined at least since its 2004 visit to Malta the need to address the structural deficiencies in Malta’s immigration detention policy and has attempted to exercise its preventive function by recommending practical measures to ensure that all migrants in an irregular situation deprived of their liberty are held in decent humane conditions. The 2015 Reception Strategy represented a positive review of the way in which immigration detention should be approached.
(…)
90. Overall, there is an urgent need for Malta to reconsider its immigration detention policy, to one better steered by its duty of care to treat all persons deprived of their liberty with dignity. Equally, the length, and legal basis, of all three grounds governing the detention of migrants in Malta need review and reform, most notably the system of public health restriction of movement and detention.
91. The problem of migration into Malta is not new and will almost certainly continue given the push factors that exist in those countries from which the vast majority of migrants come. Therefore, Malta together with the support of the European Union and other member states must put in place an immigration detention system which abides by European values and norms. No persons held in immigration detention in Europe should ever be subjected to treatment or conditions which amount to inhuman and degrading treatment according to Article 3 of the European Convention on Human Rights.
(…)
The Maltese authorities must now take decisive steps to address the very serious issues outlined in this report and reform their immigration detention system accordingly. In doing so, they should seek the support of the European Union and the Council of Europe, as appropriate.
(…)
12. Uit dit rapport blijkt dat als het gaat om vreemdelingendetentie en de omstandigheden waaronder vreemdeling worden gedetineerd in Malta sprake is van structurele tekortkomingen gedurende een aanzienlijke periode. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de tussenuitspraak betwisten de Maltese autoriteiten de bevindingen van de CPT niet. De rechtbank stelt voorts vast dat de verklaringen van eiser over zijn eigen ervaringen in Malta naadloos passen in het beeld dat naar voren komt uit het CPT-rapport.
13. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak gewezen op jurisprudentie van het EHRM ten aanzien van Malta en wijst er thans nogmaals op dat het EHRM zeer recent, te weten op 11 maart 2021, wederom ten aanzien van Malta een schending van artikel 3 EVRM in verband met de detentie-omstandigheden in vreemdelingendetentie en een schending van artikel 5, eerste lid, van het EVRM heeft vastgesteld (Feilazoo v. Malta, application no. 6865/10, ECLI:CE:ECHR:2021:0311JUD000686519).
Interim measure EHRM van 30 juni 2021
14. Op 30 juni 2021 heeft het EHRM een interim measure getroffen in de zaak 22615/21 v. the Netherlands. Het EHRM heeft in de brief, eveneens gedateerd op 30 juni 2021 en gericht aan de raadsman in die zaak onder meer het navolgende overwogen:
(…)
Decision on interim measure
On 30 June 2021, the Court (the duty judge) decided that, in the absence of confirmation from the Maltese authorities that once transferred the applicant would be treated in a manner that protects his Article 3 rights, it was in the interests of the parties and the proper conduct of the proceedings before it to indicate to the Government of the Netherlands, under Rule 39, that he should not be removed to Malta.
(…)
15. De rechtbank is ambtshalve bekend met de feiten en omstandigheden van de zaak waarin de interim measure is toegewezen (uitspraak van de rechtbank, deze zittingsplaats, van 8 juni 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5915). De rechtbank stelt vast dat de relevante feiten en omstandigheden in de zaak waar de interim measure betrekking op heeft vergelijkbaar zijn met de relevante feiten en omstandigheden in de onderhavige procedure.
16. Malta heeft blijkens deze interim measure het EHRM geen garantie gegeven dat de rechtszoekende in die procedure na een Dublin-overdracht vanuit Nederland aan Malta gevrijwaard blijft van een artikel 3 EVRM-schending. Het EHRM ziet hierin aanleiding de overdracht bij wijze van interim measure te verbieden totdat het EHRM inhoudelijk op de klacht zal beslissen. Voor zover er nog twijfel bestond over de vraag of de informatie over de kwaliteit en beschikbaarheid van de opvang, de detentie-omstandigheden en de procedure om hiertegen op te komen óók de positie van Dublinterugkeerders regardeert neemt deze op 30 juni 2021 toegewezen interim measure die twijfel weg.
17. Uit de motivering van de interim measure leidt de rechtbank af dat het EHRM, zolang de Maltese autoriteiten geen -overtuigende- garantie geven dat Dublinclaimanten na overdracht niet in een situatie terecht zullen komen die in strijd is met artikel 3 EVRM, Dublinoverdrachten aan Malta zal verbieden totdat er een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden.
Conclusie
18. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, heeft in de uitspraak van 17 december 2020, waar het ging om de vraag of ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel reeds overwogen dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ondeelbaar is (ECLI:NL:RBDHA:2020:12927). In die uitspraak is – voornamelijk – gelet op de meerjarige grootschalige pushback-praktijk geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
19. Als het gaat om de beoordeling of thans ten aanzien van Malta kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, heeft niet alleen te gelden dat sprake is van grootschalige stelselmatige pushbacks die tot een flagrante schending van de grondrechten en incidenteel tot de dood hebben geleid van migranten die trachtten Malta en daarmee het grondgebied van de Unie in te reizen. Tevens is sprake van het structureel detineren van migranten omdat er onvoldoende opvangcapaciteit is. Uit de bijzonder ernstige conclusies in het rapport van het CPT en de reactie van de Maltese autoriteiten hierop blijkt dat de detentieomstandigheden schrijnend en erbarmelijk zijn. Het CPT heeft vastgesteld dat dit al jaren een structureel probleem is. Malta heeft deze feiten en conclusies niet betwist. Uit de in de tussenuitspraak genoemde jurisprudentie van het EHRM blijkt dat de omstandigheden van de detentiecentra en de procedure om op te komen tegen (vreemdelingen)detentie vaker dan incidenteel en reeds gedurende meerdere jaren schendingen van artikel 3 en artikel 5 EVRM opleveren. Ook eiser is gedurende geruime tijd bij wijze van opvang gedetineerd geweest enkel vanwege de (onrechtmatige) inreis in Malta en heeft daarbij geen toegang tot rechtsbijstand en toegang tot de rechter gehad. Bovendien is hij verstoken geweest van medische zorg en zijn de voedselvoorziening, het gebrek aan bewegingsmogelijkheden en de omvang van de ruimte waarin hij heeft moeten verblijven op geen enkele wijze verenigbaar met de grondrechten zoals gegarandeerd in het Handvest van de Grondrechten en het EVRM.
20. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt dat een Dublinclaimant kan en moet klagen in de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag in dit geval niet betekent dat verweerder eiser daarom toch aan Malta mag overdragen. Eiser is, zoals hiervoor overwogen, in de periode voorafgaand aan zijn inreis in Nederland negen maanden gedetineerd geweest zonder toegang tot de rechter te hebben gehad en dus verstoken geweest van een mogelijkheid om te kunnen klagen over zijn (onrechtmatige) detentie. Uit bovengenoemde overwegingen blijkt dat zonder meer reëel en voorzienbaar is dat eiser na een mogelijke overdracht in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 EVRM en artikel 5 EVRM. Ook blijkt dat Malta eenvoudigweg niet over voldoende adequate opvang beschikt en de procedure om op te komen tegen vreemdelingenbewaring niet is voorzien van gegarandeerde procedurele waarborgen zoals het hebben van toegang tot de rechter en toegang tot rechtsbijstand. Hieruit blijkt genoegzaam dat - voor zover eiser al in staat zou zijn om te klagen over tekortkomingen in de opvang of bewaringsprocedure – er niet van uitgegaan kan worden dat eiser toegang zal krijgen tot effectieve rechtsbescherming en toegang tot opvang die wel voldoet aan de eisen. Uit de toegewezen interim measure blijkt bovendien dat het EHRM op dit moment ook niet verwacht en vereist dat de verzoeker in die procedure in Malta klaagt over een mogelijke artikel 3 EVRM-schending waarvan Malta thans niet kan verzekeren dat die niet zal plaatsvinden na overdracht.
21. Gelet op de grootschalige stelselmatige pushbacks, de structurele tekortkomingen in de capaciteit en kwaliteit van de opvang, de structurele detentie van migranten bij wijze van opvang, de erbarmelijke omstandigheden waaronder migranten worden gedetineerd, de gebrekkige procedure om op te komen tegen vreemdelingendetentie waarbij toegang tot de rechter, toegang tot rechtsbijstand en toegang tot medische voorzieningen niet zijn gewaarborgd en de hulpvraag van Malta aan EASO, waaruit blijkt dat Malta erkent en onderkent dat ze reeds gedurende drie opvolgende jaren niet (kunnen) voldoen aan de Unierechtelijke eisen als het gaat om de asielprocedure, is naar het oordeel van de rechtbank helder dat op dit moment ten aanzien van Malta niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
22. Dat de bovenstaande vaststelling door de rechtbank mede betrekking heeft op Dublinclaimanten blijkt (óók) uit de toegewezen interim measure van 30 juni 2021. Het EHRM verbiedt de overdracht van een Dublinclaimant aan Malta omdat Malta geen garantie geeft dat de Dublinclaimant na overdracht niet in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 EVRM. De rechtbank zal in de onderhavige zaak ook de Dublin-overdracht verbieden omdat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en er geen garantie bestaat dat eiser na overdracht gevrijwaard zal blijven van schendingen van artikel 3 EVRM/artikel 4 Handvest en artikel 5 EVRM/artikel 6 Handvest en hij ook geen effectief rechtsmiddel zal hebben om naleving van zijn grondrechten af te dwingen.
23. Gelet op de hierboven beschreven feiten en omstandigheden zal de rechtbank overdrachten op grond van de Dublinverordening blijven verbieden totdat verweerder aannemelijk maakt dat de situatie in Malta wezenlijk is verbeterd en/of totdat EASO aangeeft dat samenwerkingsovereenkomsten met Malta niet langer nodig zijn omdat Malta niet langer hulp nodig heeft bij het voldoen aan de minimumeisen die het GEAS stelt aan de kwaliteit en beschikbaarheid van de opvang en de asielprocedure en/of totdat het EHRM oordeelt dat ten aanzien van Malta van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan bij de beoordeling van een mogelijke Dublinoverdracht.
24. De rechtbank ziet gelet op bovenstaande conclusies geen aanleiding om, zoals gesuggereerd door eiser, nadere vragen aan de opstellers van het meest actuele AIDA-rapport dat informatie bevat tot en met 31 december 2020, te stellen. Evenmin ziet de rechtbank, gelet op de bevindingen van het CPT, de recente veroordeling van Malta door het EHRM, de op verzoek van Malta tot stand gekomen samenwerkingsovereenkomsten tussen Malta en EASO en de door het EHRM op 30 juni 2021 toegewezen interim measure, aanleiding om nader in te gaan op de standpunten van partijen die gebaseerd zijn op de informatie uit het AIDA-rapport dat betrekking heeft op 2020.
Zelf voorzien
25. Met het oog op de finaliteit van de geschillenbeslechting overweegt de rechtbank het volgende.
26. De rechtbank zal de behandeling van het beroep in de onderhavige procedure, gelet op het te verwachten tijdsverloop, niet aanhouden totdat het EHRM uitspraak doet in de zaak waarin deze interim measure is toegewezen. Eiser is in staat, indien verweerder niet zou berusten in deze uitspraak én de Afdeling deze uitspraak zou vernietigen, een klacht in te dienen bij het EHRM en om een interim measure te verzoeken om zodoende zelf te bewerkstelligen dat zijn overdracht wordt verboden totdat het EHRM een inhoudelijke beslissing zal nemen of ten aanzien van Malta van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
27. De rechtbank heeft verweerder ter zitting de vraag voorgehouden of hij bereid is zich nader te vergewissen van de actuele feiten en omstandigheden door zich tot de Maltese autoriteiten te wenden indien de rechtbank hem daartoe een opdracht geeft. Verweerder heeft aangegeven daartoe niet bereid te zijn omdat hij uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft, desgevraagd, aangegeven evenmin bereid te zijn om voor eiser individuele garanties te vragen en verkrijgen dat eiser zal worden opgevangen in een locatie die in overeenstemming is met het Unierecht en dat hij gevrijwaard zal blijven van onrechtmatige vreemdelingendetentie. Verweerder heeft zich ook nadat de rechtbank ter zitting stukken heeft voorgehouden, na de tussenuitspraak en ondanks de nadere door eiser overgelegde stukken op het standpunt gesteld onverkort uit te (mogen) gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
28. De rechtbank stelt vast dat in dit geval eiser in Nederland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en dat daarmee Nederland de lidstaat is die is belast met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat voor de behandeling van dit asielverzoek. Op grond van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening wordt de lidstaat, die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast, de verantwoordelijke lidstaat indien overdracht niet kan geschieden aan een op grond van de criteria van Hoofdstuk III aangewezen lidstaat of aan de eerste lidstaat waar het verzoek werd ingediend. Overdracht aan de volgens Hoofdstuk III verantwoordelijke lidstaat kan niet geschieden indien – kort gezegd – ten aanzien van die lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek volgt in dat geval dus reeds uit de systematiek van artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. Anders dan bij de beoordeling of verweerder al dan niet gebruik dient te maken van de bevoegdheid die hij op grond van artikel 17 van de Dublinverordening heeft en waar de rechtbank “slechts” marginaal kan toetsen, stelt de rechtbank in de onderhavige procedure vast dat verweerder niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en Nederland dus daardoor de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
29. De rechtbank zal gelet op de proceshouding van verweerder zelf voorzien in de zaak. Het is immers duidelijk dat indien de rechtbank volstaat met het gegrond verklaren van het beroep en verweerder opdraagt opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak hij hieraan geen gevolg zal geven. De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder eiser dient toe te laten tot de nationale asielprocedure. Ter vermijding van ieder misverstand zal de rechtbank verweerder hiertoe ook een uitdrukkelijke opdracht geven.
30. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. Verweerder is dientengevolge gehouden eisers verzoek om internationale bescherming in de nationale asielprocedure te beoordelen.
31. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.870,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een half punt totaal voor de nadere reacties, met een waarde per punt van € 748,00 en een wegingsfactor 1). Omdat eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep gegrond;
- -
vernietigt het bestreden besluit;
- -
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit en Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming;
- -
draagt verweerder op eisers verzoek om internationale bescherming binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak in behandeling te nemen;
- -
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.870,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, voorzitter, en mr. C.T.C. Wijsman en
mr. G.J.W.M. Kipping, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier.


De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 juli 2021
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak van 19 april 2021 kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Uitspraak 19‑04‑2021
Inhoudsindicatie
Dublin Malta – tussenuitspraak – rechtbank verricht nader onderzoek door stellen van vragen aan EASO. Ter zitting heeft de rechtbank partijen voorgehouden een volledig en ex nunc onderzoek te zullen verrichten naar de vraag of de kwaliteit van de asielprocedure en/of de opvang en/of het risico op onrechtmatige vreemdelingendetentie en de detentieomstandigheden in de weg staan aan een bevoegdheid voor verweerder om eiser thans op grond van het claimakkoord aan Malta over te dragen. De rechtbank moet immers beoordelen of eiser indien hij nu aan Malta zal worden overgedragen een reëel en voorzienbaar risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met fundamentele rechten die het Handvest en het EVRM garanderen. Daarmee is geen sprake van een ambtshalve aangelegde toets; eiser stelt gemotiveerd dat overdracht aan Malta moet worden verboden op grond van artikel 3 EVRM, artikel 5 EVRM, de Dublinverordening en de Opvangrichtlijn. De rechtbank heeft partijen gewezen op de samenwerkingsovereenkomsten tussen Malta en EASO en het rapport van het CPT van 10 maart 2021. De rechtbank wijst in de uitspraak ook op het arrest van het EHRM van 11 maart 2021 in de zaak Feilazoo tegen Malta, waar het EHRM ten aanzien van Malta wederom een schending van artikel 3 en artikel 5, eerste lid, EVRM heeft vastgesteld in verband met de detentieomstandigheden in vreemdelingendetentie. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd aangegeven niet bereid te zijn contact op te nemen met de Maltese autoriteiten om zich nader te vergewissen van de actuele feiten en omstandigheden of om voor eiser individuele garanties te vragen en te verkrijgen dat eiser zal worden opgevangen in een locatie die in overeenstemming is met het Unierecht en dat hij gevrijwaard zal blijven van onrechtmatige vreemdelingendetentie. De rechtbank acht het voor een goede beoordeling van het beroep noodzakelijk om concrete informatie te verkrijgen over de omstandigheden waaronder eiser na een mogelijke overdracht op grond van de Dublinverordening door de Nederlandse autoriteiten aan Malta zal worden opgevangen. Gelet op de hiervoor genoemde samenwerkingsovereenkomsten acht de rechtbank EASO de meest gerede organisatie om deze informatie te verschaffen en zal zich daartoe bij brief tot EASO wenden om vragen over de actuele (kwaliteit van de) asielprocedure, de actuele (kwaliteit van de) asielopvang, de vreemdelingendetentieprocedure en de detentieomstandigheden te stellen.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.136 tussenuitspraak
tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 19 april 2021 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [geboortedatum] 2001 en van Soedanese nationaliteit, eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. P. van Zijl).
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Eiser heeft op 5 januari 2021 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en tevens de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende het beroep een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL21.137 en is bij uitspraak van heden toegewezen.
Verweerder heeft op 26 januari 2021, 16 februari 2021 en 4 maart 2021 verweerschriften ingediend. Eiser heeft op 8 februari 2021 en ter zitting hierop gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 maart 2021, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. A.K.E. van den Heuvel, waarnemend kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten
1. Eiser heeft op 26 augustus 2019 de buitengrens van de lidstaten van de Europese Unie overschreden door Malta in te reizen en heeft op 16 oktober 2019 in Malta een verzoek om internationale bescherming ingediend.
2. Verweerder heeft de stelling van eiser dat hij onmiddellijk na aankomst in Malta negen maanden is gedetineerd geloofwaardig geacht en hierop inhoudelijk gereageerd.
3. Eiser heeft op 4 oktober 2020 Malta verlaten en is op 14 oktober 2020 Nederland ingereisd, waar hij op dezelfde datum een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend.
4. Verweerder heeft bij de Maltese autoriteiten op 2 december 2020 een terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening (Vo 604/2013) ingediend. De autoriteiten van Malta zijn met het claimverzoek op 10 december 2020 akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening. Verweerder heeft de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland vervolgens bij bestreden besluit niet in behandeling genomen, omdat verweerder Malta hiervoor verantwoordelijk acht.
Standpunten van partijen
5. Verweerder gaat – onder verwijzing naar jurisprudentie van andere rechtbanken en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) - ten aanzien van Malta uit van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in Malta de detentie- en opvangomstandigheden en de kwaliteit van de asielprocedure zo slecht zijn dat die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Op grond van jurisprudentie van de Afdeling stelt verweerder zich op het standpunt, dat een eerder ondergane detentie niet met zich brengt, dat verweerder gehouden is af te zien van overdracht van eiser aan die lidstaat.
6. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij na overdracht aan Malta het reële risico loopt op het opnieuw ondergaan van door artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest verboden onmenselijke en vernederende behandelingen, zoals hij reeds in Malta heeft ondervonden toen hij door de Maltese autoriteiten na illegale inreis gedurende negen maanden zonder rechterlijke toetsing, rechtsbijstand en in strijd met de Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn) is gedetineerd, vernederd en fysiek en psychisch is mishandeld.
Daarnaast voert eiser aan dat de Maltese overheid bootvluchtelingen weert en terug de zee opstuurt, omdat Malta geen asielzoekers op haar grondgebied wenst. Eiser wijst ter onderbouwing hiervan op informatie van Amnesty International (AI) van 8 september 2020 (https://www.amnesty.org/en/latest/news/2020/09/malta-illegal-tactics-mar-another-year-of-suffering-in-central-mediterranean/).
Voorts stelt eiser zich op het standpunt dat ten aanzien van Malta ten onrechte wordt uitgegaan van het internationale vertrouwensbeginsel, omdat het asielsysteem in Malta structurele tekortkomingen kent op het gebied van opvang en detentie. Zo worden asielzoekers die op grond van de Dublinverordening terugkeren naar Malta structureel gedetineerd, zonder dat sprake is van een risico op onttrekking. Dublinclaimanten kunnen ook worden gedetineerd op grond van het mogelijke verspreiden van ziekten en vreemdelingen worden pas uit detentie vrijgelaten als er een plek vrij is in een open opvangcentrum. De gronden van bewaring worden niet proportioneel toegepast, wat een schending is van artikel 5 EVRM en de Opvangrichtlijn. Ook zijn de detentie- en opvangvoorzieningen in Malta al jaren zeer slecht en inmiddels nog verder verslechterd. Niet blijkt dat de opvang- en detentieomstandigheden voor Dublinterugkeerders beter zijn. Verder heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in een aantal uitspraken geoordeeld dat er geen effectief rechtsmiddel bestaat in Malta om zich te beklagen over deze structurele tekortkomingen. Ter onderbouwing wordt door eiser verwezen naar:
- -
de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:6212);
- -
de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 3 december 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:12417).
- -
het AIDA-rapport over Malta, Update 2018, van maart 2019;
- -
het AIDA-rapport over Malta, Update 2019, van april 2020;
- -
het UNHCR Progress report 2018: “A Global Strategy to Support Governments to End the Detention of Asylum Seekers & Refugees, 2014-2019”, pagina 70;
- -
het UNHCR Universal Periodic Review Malta report, van juli 2018, pagina 3; en
- -
het rapport van de European Union Agency for Fundamental Rights (FRA), “Migration: Key Fundamental Rights Concerns”, van 2020, pagina 4.
De omstandigheden worden volgens eiser bevestigd door hetgeen hij persoonlijk heeft meegemaakt. Eiser stelt zich uitdrukkelijk op het standpunt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet deelbaar is.
7. Het houdt partijen verdeeld of:
ten aanzien van Malta van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat in Malta sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen en/of de Maltese autoriteiten zich schuldig maken aan illegale pushbacks door vluchtelingen van het grondgebied te weren en terug de zee op te sturen;
eiser na overdracht aan Malta (wederom) het reële risico loopt om door artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest verboden onmenselijke en vernederende behandelingen te ondergaan;
in Malta sprake is van een effectief rechtsmiddel ten aanzien van de opvang- en detentieomstandigheden (artikel 5 EVRM juncto artikel 13 EVRM).
Algemene uitgangspunten
8. Bij de beoordeling van een beroep tegen een overdrachtsbesluit neemt de rechtbank de navolgende jurisprudentie en algemene beginselen als uitgangspunt.
Kwaliteit van de asielprocedure en de opvang
9. Uit vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (vgl. de zaken K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308 en M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de gevoegde zaken N.S. tegen het Verenigd Koninkrijk en M.E. en anderen tegen Ierland van 21 december 2011 (ECLI:EU:C:2011:865) volgt dat het uitgangspunt is dat in iedere lidstaat die is aangesloten bij de Dublinverordening mogelijkheden bestaan om bescherming te krijgen tegen een dreigende schending van artikel 3 EVRM. Verder kan uit dit arrest van het HvJEU worden opgemaakt dat bij de beoordeling, of een overdracht in het kader van de Dublinverordening in strijd is met artikel 4 Handvest, de kwaliteit van de asielprocedure en de levensomstandigheden voor de asielzoeker in het land waaraan wordt overgedragen dienen te worden betrokken en dat de lidstaat die wenst over te dragen zich hiervan dient te vergewissen. Volgens het HvJ-EU moet artikel 4 Handvest zo worden uitgelegd dat de lidstaten, daaronder begrepen de nationale rechterlijke instanties, een asielzoeker niet aan de "verantwoordelijke lidstaat" in de zin van de Dublinverordening mogen overdragen wanneer zij niet onkundig kunnen zijn van het feit dat de tekortkomingen in de asielprocedure en/of de opvangvoorzieningen (waaronder de toegang tot medische voorzieningen) voor asielzoekers in deze lidstaat ernstige, op feiten berustende gronden vormen om aan te nemen dat de asielzoeker een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van deze bepaling.
10. Voorts blijkt uit het arrest van het HvJ-EU in de zaak Jawo tegen Duitsland van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218) dat artikel 4 Handvest aldus wordt uitgelegd dat het niet in de weg staat aan overdracht van een persoon, tenzij op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingscriterium van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten aannemelijk is dat de asielzoeker in geval van overdracht, buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie kan terechtkomen. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er in beginsel van uit mag gaan dat andere lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (Vluchtelingenverdrag, Vlv) en het EVRM naleven. Verder geldt als uitgangspunt dat over een dreigende schending van een bepaling uit het Handvest en EVRM kan worden geklaagd vanuit de betreffende lidstaat, in dit geval Malta, en dat – zoals volgt uit voormelde jurisprudentie van het EHRM en het HvJEU – hiervan slechts hoeft te worden afgeweken als er in die lidstaat sprake is van ernstige, structurele tekortkomingen in het systeem van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Het is aan eiser om dit aannemelijk te maken, tenzij reeds bij verweerder of (ambtshalve) bij de rechtbank informatie bekend is dat concrete aanknopingspunten bestaan dat sprake is van structurele tekortkomingen die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken en daarmee onder het bereik van artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest vallen.
Vreemdelingendetentie en een doeltreffende voorziening in rechte
11. In artikel 3, tweede lid 2, van de Dublinverordening, noch in een andere bepaling uit de Dublinverordening, is bepaald dat bij een reëel risico op een schending van artikel 6 Handvest de verplichting bestaat om als verzoekende lidstaat het asielverzoek alsnog in behandeling te nemen en de desbetreffende verzoeker niet over te dragen. Uit de door partijen overgelegde en de bij de rechtbank overigens ambtshalve bekende informatie blijkt echter dat de kans om in Malta op vreemdelingrechtelijke gronden gedetineerd te worden aanzienlijk is. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 februari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:199) overwogen dat uit het AIDA-rapport van 23 april 2021 blijkt dat “in de grote meerderheid van de gevallen het detineren van asielzoekers niet in lijn is met de Opvangrichtlijn maar dat de staatssecretaris terecht heeft betoogd dat uit het AIDA-rapport niet blijkt dat die informatie ook van toepassing is op Dublinclaimanten”.
11. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder niet betwist dat eiser vanwege een illegale inreis negen maanden in Malta in detentie heeft verbleven. Eiser heeft – eveneens onbetwist – verklaard dat hij gedurende deze negen maanden geen juridische bijstand heeft ontvangen en dat hij de rechtmatigheid van deze detentie niet ter beoordeling aan een rechter heeft kunnen voorleggen. De rechtbank zal daarom het risico om na een Dublinoverdracht op grond van de Opvangrichtlijn gedetineerd te worden, de omstandigheden van de detentiecentra waarin vreemdelingen ter fine van uitzetting worden geplaatst en de doeltreffendheid van de voorziening(en) om in rechte op te komen tegen vreemdelingendetentie betrekken bij de beoordeling of verweerder ten aanzien van Malta van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.
11. De rechtbank acht bij deze beslissing van belang dat het EHRM ten aanzien van Malta reeds meerdere malen heeft geoordeeld dat sprake was van schending van artikel 5 EVRM bij straf- en vreemdelingendetentie (vgl. de zaken Louled Massoud tegen Malta van 27 juli 2010, ECLI:CE:ECHR:2010:0727JUD002434008, Aden Ahmed tegen Malta van 23 juli 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0723JUD005535212, Suso Musa tegen Malta van 23 juli 2013 / 9 december 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0723JUD004233712, en Abdullahi Elmi en Aweys Abubakar tegen Malta van 22 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1122JUD002579413). Ondanks het gegeven dat in Malta een aantal rechtsmiddelen beschikbaar is voor gedetineerden om hun detentie aan te vechten, met inbegrip van de remedie die in 2014 werd geïntroduceerd, verklaarde het EHRM in de arresten Louled Massoud, Abdullahi Elmi en Aweys Abubakar en Suso Musa tegen Malta dat drie van deze remedies niet kwalificeren als “speedy, judicial remedies” in de zin van artikel 5, vierde lid, EVRM.
11. Hierbij wijst de rechtbank er op dat het EHRM bij arrest van 11 maart 2021 in de zaak Feilazoo tegen Malta (ECLI:CE:ECHR:2021:0311JUD000686519) ten aanzien van Malta wederom een schending van artikel 3 en artikel 5, eerste lid, EVRM heeft vastgesteld in verband met de detentieomstandigheden in vreemdelingendetentie.
Beoordeling door de rechtbank
15. De Afdeling heeft in de uitspraak van 2 februari 2021 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Malta van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan en heeft de uitspraak van de deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:6212) vernietigd. De Afdeling heeft in deze uitspraak niet vermeld wanneer het onderzoek is gesloten. De rechtbank constateert dat in de uitspraak van de Afdeling enkel het AIDA-rapport "Country Report: Malta. 2019 Update", gepubliceerd op 23 april 2020, als algemene informatie is betrokken.
De Afdeling heeft in deze uitspraak – onder meer – het navolgende overwogen:
“(…)
De vreemdeling vindt dat voor Malta niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat Dublinclaimanten volgens hem in Malta structureel worden gedetineerd en omdat er structurele tekortkomingen bestaan in de detentieomstandigheden en opvangvoorzieningen. Daarnaast bestaat in Malta volgens hem geen effectief rechtsmiddel en geen mogelijkheid om over de detentie te klagen. Deze uitspraak gaat over het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris gelet op het AIDA-rapport "Country Report: Malta. 2019 Update", gepubliceerd op 23 april 2020, (hierna: het AIDA-rapport) ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat die tekortkomingen in Malta niet bestaan.
(…)
Gelet op wat hiervoor is overwogen klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat in Malta geen sprake is van structurele detentie van Dublinclaimanten in strijd met de Opvangrichtlijn, een gebrek aan een effectief rechtsmiddel dan wel structurele tekortkomingen in de detentieomstandigheden en opvangvoorzieningen die maken dat de vreemdeling na overdracht een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat daarom uit het AIDA-rapport niet blijkt dat hij voor Malta niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
(…)”
16. De rechtbank stelt vast dat ook in de onderhavige procedure partijen hun standpunten voornamelijk onderbouwen door te verwijzen naar het AIDA-rapport van 23 april 2020. Dit rapport is gebaseerd op feiten en omstandigheden tot en met 31 december 2019.
17. Ter zitting heeft de rechtbank partijen voorgehouden een volledig en ex nunc onderzoek te zullen verrichten naar de vraag of de kwaliteit van de asielprocedure en/of de opvang en/of het risico op onrechtmatige vreemdelingendetentie en de detentieomstandigheden in de weg staan aan een bevoegdheid voor verweerder om eiser thans op grond van het claimakkoord aan Malta over te dragen. Het tijdsverloop tussen de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling en het onderzoek ter zitting in de onderhavige procedure is weliswaar gering, maar de beoordeling door de Afdeling in bovengenoemde uitspraak heeft zich beperkt tot het beoordelen van de standpunten van partijen over de beoordeling door de rechtbank van het AIDA-rapport over 2019.
18. De rechtbank acht het weinig zinvol om thans te beoordelen hoe de situatie in 2019 is geweest. De rechtbank moet immers beoordelen of eiser indien hij nu aan Malta zal worden overgedragen een reëel en voorzienbaar risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met fundamentele rechten die het Handvest en het EVRM garanderen. Daarmee is geen sprake van een ambtshalve aangelegde toets; eiser stelt immers gemotiveerd dat overdracht aan Malta moet worden verboden op grond van artikel 3 EVRM, artikel 5 EVRM, de Dublinverordening en de Opvangrichtlijn. Eiser heeft hierbij gewezen op de asielprocedure, de opvang, het structureel detineren van vreemdelingen, de omstandigheden in de detentie- en opvangcentra, het gebrek aan een doeltreffende voorziening in rechte om op te komen tegen vreemdelingrechtelijke detentie en de pushbacks.
19. De rechtbank heeft verweerder ter zitting de vraag voorgehouden of hij bereid is zich nader te vergewissen van de actuele feiten en omstandigheden door zich tot de Maltese autoriteiten te wenden indien de rechtbank hem daartoe een opdracht geeft. Verweerder heeft aangegeven daartoe niet bereid te zijn omdat hij uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft desgevraagd aangegeven evenmin bereid te zijn om voor eiser individuele garanties te vragen en te verkrijgen dat eiser zal worden opgevangen in een locatie die in overeenstemming is met het Unierecht en dat hij gevrijwaard zal blijven van onrechtmatige vreemdelingendetentie.
20. De rechtbank zal zelf nader onderzoeken wat de situatie voor Dublinclaimanten na overdracht aan Malta is omdat de rechtbank gehouden is de door eiser gestelde dreiging van schending van artikel 4 Handvest en artikel 6 Handvest in samenhang gelezen met artikel 47 Handvest grondig te onderzoeken en ten volle te beoordelen. Eiser heeft ter zitting aangegeven dat, indien de rechtbank zelf nader onderzoek gaat verrichten, hij hierover op voorhand wil worden geïnformeerd, zodat hij het verzoek om een voorlopig voorziening kan intrekken. De rechtbank acht het niet wenselijk dat door de tijd die gemoeid zal zijn met het nadere onderzoek de overdrachtstermijn verloopt. Dit zou immers betekenen dat als de rechtbank haar taak om rechtsbescherming te bieden door de gestelde schendingen van het Handvest en EVRM grondig en volledig te onderzoeken, een overdracht niet meer is te realiseren, ook als nadien zou blijken dat het beroep niet slaagt. De rechtbank merkt hierbij op dat indien eiser het - bij uitspraak van heden toegewezen - verzoek om een voorlopige voorziening zou hebben ingetrokken, de rechtbank met toepassing van de in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb opgenomen bevoegdheid een voorlopige voorziening had getroffen totdat op het beroep is beslist om te voorkomen dat het onderzoek op zichzelf beslissend is voor de vraag of eiser kan worden overdragen en daarmee de uitkomst van de onderhavige procedure.
21. De rechtbank heeft partijen ter zitting voorgehouden ambtshalve bekend te zijn met de navolgende informatie:
- -
AIDA Country report Malta: Overview of the main changes since the previous report, update van 30 november 2020;
- -
2020 Operational & Technical Assistance Plan Agreed by EASO and Malta, 12 december 2019;
- -
Report to the Maltese Government on the visit to Malta carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 17 to 22 September 2020, Strasbourg, 10 March 2021;
- -
Response of the Maltese Government to the report of the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment of Punishment on its visit to Malta from 17 – 22 September 2020, Strasbourg, 10 March 2021.
- -
Media release Council of Europe, Torture Prevention Committee calls on Malta to improve treatment of detained migrants, 10 maart 2021.
22. De rechtbank overweegt dat artikel 33 van de Dublinverordening een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing, paraatheid en crisisbeheersing bevat. Artikel 33, eerste lid, van de Dublinverordening luidt als volgt:
“1. Indien de Commissie, in het bijzonder op basis van de door de op grond van Verordening (EU) nr. 439/2010 door het EASO vergaarde informatie, constateert dat de toepassing van deze verordening in gevaar kan komen hetzij door een kennelijk risico van bijzondere druk op het asielstelsel van een lidstaat en/of doordat er zich problemen voordoen in de werking van het asielstelsel van een lidstaat, richt de Commissie in samenwerking met het EASO aanbevelingen aan die lidstaat waarin zij hem verzoekt een preventief actieplan op te stellen.
De betrokken lidstaat stelt de Raad en de Commissie ervan in kennis of hij voornemens is een preventief actieplan voor te leggen teneinde de druk op zijn asielstelsel en/of de problemen in de werking daarvan te boven te komen, en daarbij tevens de bescherming van de grondrechten van personen die om internationale bescherming verzoeken te waarborgen.
Een lidstaat kan naar eigen inzicht en op eigen initiatief een preventief actieplan opstellen en dat vervolgens een of meer malen herzien. Bij het opstellen van een preventief actieplan kan de lidstaat de hulp van de Commissie, andere lidstaten, het EASO en andere bevoegde bureaus of agentschappen van de Unie inroepen.”
23. Verordening Nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (Vo 439/2010) regelt verder de ondersteuning en samenwerking van EASO met de lidstaten op asielgebied. Het hiervoor genoemde Plan tussen EASO en Malta van 12 december 2019 is tot stand gekomen op grond van artikelen 8, 10, en 13 tot en met 23 van Vo 439/2010.
Ook in 2019 en in 2021 zijn – op verzoek van Malta – samenwerkingsovereenkomsten tussen Malta en EASO voor ondersteuning bij de asielprocedure en opvang tot stand gekomen (“EASO Operational and Technical Assistance Plan to Malta 2019” en “EASO Operating Plan to Malta 2021”). Uit de overeenkomsten blijkt verder dat ook de Europese Commissie, UNHCR en IOM betrokken zijn bij deze samenwerking.
24. Artikel 8 van Vo 439/2010 luidt als volgt:
“Artikel 8 Bijzondere druk op de asielstelsels en opvangvoorzieningen
Het ondersteuningsbureau coördineert en steunt alle gemeenschappelijke maatregelen ten behoeve van asielstelsels en opvangvoorzieningen van lidstaten die onder bijzondere druk staan waardoor uitzonderlijk zware en dringende eisen worden gesteld aan hun opvangvoorzieningen en asielstelsels. Een dergelijke druk kan ontstaan door de plotselinge toestroom van een groot aantal onderdanen van derde landen die wellicht internationale bescherming nodig hebben of kan voortkomen uit de geografische ligging of de demografische situatie van de lidstaat.”
Artikel 10 van Vo 439/2010 luidt als volgt:
“Maatregelen ter ondersteuning van de lidstaten
Op verzoek van de betrokken lidstaten coördineert het ondersteuningsbureau de maatregelen ter ondersteuning van de lidstaten waarvan het asielstelsel en de opvangvoorzieningen onder bijzondere druk staan en zorgt met name voor de coördinatie van: a) de maatregelen die moeten worden genomen ten behoeve van lidstaten die onder bijzondere druk staan, met het oog op het faciliteren van de eerste analyse van asielverzoeken die door de bevoegde nationale asielautoriteiten worden behandeld; b) de maatregelen voor het beschikbaar maken van geschikte opvangfaciliteiten door de lidstaten die onder bijzondere druk staan, met name noodhuisvesting, vervoersmiddelen en medische bijstand; c) asiel-ondersteuningsteams, waarvan de werking is omschreven in hoofdstuk 3.”
Artikelen 13 tot en met 23 regelen praktische en organisatorische zaken als het mechanisme van artikel 33 van de Dublinverordening in werking wordt gesteld.
25. De Afdeling heeft overwogen dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat de kwaliteit van de asielprocedure, de opvang en de vreemdelingendetentie(omstandigheden) in Malta in overeenstemming zijn met het recht van de Unie en het EVRM. Uit bovengenoemde stukken blijkt echter dat Malta in 2019, in 2020 en in 2021 om bijstand van EASO heeft verzocht vanwege de druk op het asielstelsel en dus ook thans ondersteuning verzoekt om de asielprocedure en de opvang in overeenstemming te brengen met de vereisten die uit het Unierecht voortvloeien. In bovengenoemde samenwerkingsovereenkomst van 12 december 2019 is een aantal concrete afspraken vastgelegd over doelstellingen, de verantwoordelijke autoriteiten, de vaststelling van de actuele situatie, voorwaarden om de doelstellingen te bereiken en organisatorische aspecten van de samenwerking en ondersteuning. Tevens is overeengekomen dat de duur van de samenwerking een jaar is, van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020.
In het rapport van 11 december 2020 is voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021 overeengekomen dat EASO wetenschappelijke, technische en operationele steun zal verlenen aan Malta en op verzoek van Malta.
26. Uit het rapport van 2019 blijkt dat Malta EASO op 5 juni 2019 formeel om ondersteuning heeft gevraagd bij het verwerken van (de achterstand van) asielaanvragen, de Dublinprocedure en de gehoren. In de overeenkomst die betrekking heeft op 2020 hebben Malta en EASO de navolgende doelstellingen vastgelegd:
“Measure MT 1.0: Improved access to asylum procedure in Malta, through support with information provision, registration of applications for international protection and timely screening and referral of vulnerable cases;
Measure MT 2.0.: Malta has increased capacity to manage and reduce asylum backlog at first-instance determination;
Measure MT 3.0.: Malta Dublin Unit capacity is enhanced
Measure MT 4.0.: Malta has enhanced capacity to implement reception standards in line with CEAS.”
In de overeenkomst die betrekking heeft op 2021 hebben Malta en EASO de navolgende prioriteiten vastgelegd:
“1: Improved access to asylum procedure in Malta and increased capacity to manage the asylum backlog at first instance determination;
2. Enhanced capacity of the Maltese authorities to implement reception standards in line with CEAS”
27. Uit deze prioritering leidt de rechtbank af dat Malta ook in 2021 onderkent dat de kwaliteit van de opvang (nog) niet in overeenstemming is met het Unierecht.
28. Malta heeft het claimverzoek van verweerder geaccordeerd zonder enige referentie te maken aan deze door Malta aan EASO verzochte steun om in Dublinprocedures te kunnen voldoen aan het Unierecht. Uit de overeengekomen doelstellingen van de ondersteuning door EASO en de toelichting hierop blijkt echter dat Malta, anders dan verweerder en de Afdeling, zich op het standpunt stelt dat de kwaliteit van de asielprocedure en de opvang niet (geheel) voldoet aan de eisen die het Unierecht hieraan stelt.
De rechtbank heeft partijen ter zitting ook voorgehouden dat het CPT een rapport heeft uitgebracht over - kort gezegd - de detentiepraktijk en detentieomstandigheden waaraan vreemdelingen in Malta worden onderworpen. De “Concluding Remarks” luiden - deels - als volgt:
“B. Concluding remarks
(…)
85. The CPT has repeatedly underlined at least since its 2004 visit to Malta the need to address the structural deficiencies in Malta’s immigration detention policy and has attempted to exercise its preventive function by recommending practical measures to ensure that all migrants in an irregular situation deprived of their liberty are held in decent humane conditions. The 2015 Reception Strategy represented a positive review of the way in which immigration detention should be approached.
86. In 2020, however, the CPT’s delegation witnessed an immigration system that was struggling to cope; a system that purely “contained” migrants who had essentially been forgotten, within poor conditions of detention and regimes, which verged on institutional mass neglect by the authorities.
Various of the Committee’s previous recommendations to improve the living conditions of detained migrants have not been acted upon. For example, the carceral design of detention centres such Hermes Block and the Warehouses at Safi Detention Centre are totally inappropriate – large rooms crammed with beds, no privacy, and communication with staff via locked doors.
Other deficiencies noticeable in most, if not all, places in which migrants in an irregular situation are detained include a lack of maintenance of the building (especially the sanitary facilities), insufficient personal hygiene products and cleaning materials, inability to obtain a change of clothes, lack of information provided to detained persons, no access to daily outdoor exercise or any contacts with the outside world. The situation was further aggravated by the extreme overcrowding prevalent in the facilities visited during the 2020 visit.
87. The Covid-19 pandemic has served only to push a strained immigration reception and detention system to the point of breaking. Most migrants appeared to have no lawful basis for their detention and were held in severely overcrowded facilities under extremely poor living conditions, offered no purposeful activities, and with an absence of regular and clear information being imparted to them. Moreover, the lack of information was exacerbated by the restricted contacts with the outside world (limited access to telephone communication and no NGOs or external organizations visiting the places of detention since March 2020). The long lock-down and quarantine of migrants of all ages, along with poor conditions, have resulted in mass neglect and instilled a deep frustration in migrants, at times exploding into violent riots.
88. In addition, vulnerable migrants were not getting the care and support they required. To begin with, the CPT considers that young children and their parents as well as unaccompanied/separated minors should not be detained. Moreover, they were being detained in very poor conditions and were being held together with unrelated adult men. Clear protection policies and protocols for looking after vulnerable migrants need to be put in place.
90. Overall, there is an urgent need for Malta to reconsider its immigration detention policy, to one better steered by its duty of care to treat all persons deprived of their liberty with dignity. Equally, the length, and legal basis, of all three grounds governing the detention of migrants in Malta need review and reform, most notably the system of public health restriction of movement and detention.
91. The problem of migration into Malta is not new and will almost certainly continue given the push factors that exist in those countries from which the vast majority of migrants come. Therefore, Malta together with the support of the European Union and other member states must put in place an immigration detention system which abides by European values and norms. No persons held in immigration detention in Europe should ever be subjected to treatment or conditions which amount to inhuman and degrading treatment according to Article 3 of the European Convention on Human Rights.
(…)
The Maltese authorities must now take decisive steps to address the very serious issues outlined in this report and reform their immigration detention system accordingly. In doing so, they should seek the support of the European Union and the Council of Europe, as appropriate.
(…)”|
30. Uit de reactie van de Maltese autoriteiten blijkt dat wordt onderkend dat migranten bij wijze van opvang in (gesloten) detentiecentra worden geplaatst. Zo vermeldt het rapport dat op 16 februari 2021 304 derdelanders in detentiecentra bij wijze van opvang van hun vrijheid zijn beroofd. De rechtbank constateert dat de ernstige kritiek die de CPT in haar 37 pagina’s tellende rapport gedetailleerd benoemt en motiveert niet wordt weerlegd door Malta. Malta benoemt - kort gezegd - in haar 46 pagina’s tellende reactie de oorzaken van benoemde misstanden en de inspanningen die worden geleverd om wel te -gaan- voldoen aan het Unierecht en het EVRM. Zo wordt gewezen op het aantal derdelanders dat de maand na het bezoek van het CPT vanuit detentiecentra is doorgestroomd naar opvanglocaties die (wel) voldoen aan het Unierecht.
31. De rechtbank acht het voor een goede beoordeling van het beroep noodzakelijk om concrete informatie te verkrijgen over de omstandigheden waaronder eiser na een mogelijke overdracht op grond van de Dublinverordening door de Nederlandse autoriteiten aan Malta zal worden opgevangen. De rechtbank wenst nader te worden geïnformeerd over de resultaten die de ondersteuning van EASO aan Malta inmiddels heeft opgeleverd om te kunnen beoordelen of het verweerder moet worden verboden om eiser aan Malta over te dragen. De rapporten die te raadplegen zijn op de website van EASO en het rapport van CPT bevatten geen informatie die specifiek van toepassing is op Dublinclaimanten. De Afdeling heeft in de eerder genoemde uitspraak van 2 februari 2021 in rechtsoverweging 2.2. overwogen “dat voor zover uit het Aida-rapport volgt dat in de overgrote meerderheid van de gevallen het detineren van asielzoekers niet in lijn is met de Opvangrichtlijn (…) niet blijkt dat die informatie ook van toepassing is op Dublinclaimanten”. De rechtbank overweegt daarentegen dat voor zover de beschikbare informatie betrekking heeft op “asielzoekers” niet blijkt dat deze informatie over tekortkomingen in de asielprocedure, opvang en vreemdelingendetentie(omstandigheden) geen betrekking heeft op Dublinclaimanten. Gelet op de aard en strekking van de informatie, te weten dat méér dan incidenteel want “in de overgrote meerderheid van de gevallen”, de detentie van asielzoekers onrechtmatig is, dit reeds aanleiding geeft tot het verrichten van nader onderzoek in plaats van aan te nemen dat de informatie geen betrekking zal hebben op Dublinclaimanten. Dat het Aida-rapport in een separate paragraaf die specifiek is gewijd aan Dublinclaimanten vermeldt dat Malta de asielaanvraag van Dublinclaimanten na overdracht als ingetrokken beschouwt, brengt niet zonder meer mee dat de bewaring daarmee rechtmatig is, dat de detentieomstandigheden voldoen aan het Unierecht en dat sprake is van een doeltreffende voorziening in rechte om op te komen tegen de detentie. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiser alvorens naar Nederland te komen reeds negen maanden in detentie heeft verbleven zonder toegang tot rechtsbijstand en de rechter.
32. Gelet op de hiervoor genoemde samenwerkingsovereenkomsten acht de rechtbank EASO de meest gerede organisatie om deze informatie te verschaffen en zal zich daartoe bij brief tot EASO wenden. Om volledige transparantie te betrachten zal de rechtbank deze brief en alle volgende correspondentie met EASO toevoegen aan het digitale dossier, zodat dit voor partijen inzichtelijk is en het verloop kan worden gevolgd.
33. De vragen die de rechtbank aan EASO over de actuele (kwaliteit van de) asielprocedure, de actuele (kwaliteit van de) asielopvang, de vreemdelingendetentieprocedure en de detentieomstandigheden zal stellen luiden – vooralsnog – als volgt:
Algemeen
- -
Kunt u aangeven wat de samenwerking tussen Malta en EASO thans concreet voor resultaten heeft opgeleverd als het gaat om de kwaliteit van de asielprocedure en de opvang voor Dublinclaimanten?
- -
Stelt EASO zich op het standpunt dat lidstaten thans Dublinoverdrachten aan Malta kunnen uitvoeren of verzet de actuele feitelijke kwaliteit van de asielprocedure en de actuele feitelijke kwaliteit van de opvang zich op dit moment hiertegen?
- -
Stelt EASO zich op het standpunt dat lidstaten thans Dublinoverdrachten aan Malta kunnen uitvoeren of verzet de actuele feitelijke kwaliteit van de detentiecentra waar vreemdelingen ter fine van uitzetting worden gedetineerd zich op dit moment daartegen?
- -
Stelt EASO zich op het standpunt dat lidstaten thans Dublinoverdrachten aan Malta kunnen uitvoeren of verzet de procedure waarbij vreemdelingen kunnen opkomen tegen vreemdelingenbewaring ter fine van uitzetting zich op dit moment daartegen?
Asielprocedure
- -
Kunt u aangeven of het accepteren van een claimverzoek op grond van artikel 18b van de Dublinverordening daadwerkelijk betekent dat na overdracht de asielprocedure de behandeling van het (eerste) asielverzoek wordt voortgezet? Maakt het hierbij verschil of de overdragende lidstaat het claimverzoek op grond van verklaringen van de verzoeker heeft gebaseerd op grond van artikel 18d van de Dublinverordening?
- -
Is de grondslag van het claimakkoord leidend of bestaat de kans dat Malta na de feitelijke overdracht zal tegenwerpen dat het vertrek uit Malta wordt beschouwd als intrekking van de asielaanvraag en dat daarmee de asielprocedure als beëindigd wordt beschouwd en dat de verzoeker een opvolgend asielverzoek dient in te dienen?
Opvang van Dublinclaimanten
- -
Kunt u aangeven hoe thans de opvang van Dublinclaimanten na overdracht is geregeld en welke verschillende opvangregimes de Maltese overheid daarbij hanteert: gesloten opvang, open opvang, geen opvang en/of detentie als opvang?
- -
Worden Dublinclaimanten na overdracht uit andere lidstaten door Malta opgevangen in opvangcentra of in detentiecentra? Is de plaatsing in een opvanglocatie na een Dublinoverdracht voorzien in een regeling of is dit afhankelijk van op welke locatie op de datum van de overdracht een opvangplaats beschikbaar is? Kunt u hierbij aangeven waarnaar een Dublinclaimant wordt overgebracht indien op de datum van de feitelijke overdracht geen plaats beschikbaar is in een opvanglocatie?
- -
Kunt u een beschrijving geven van de feitelijke omstandigheden waarin en waaronder Dublinclaimanten worden opgevangen, hetzij in een opvanglocatie, hetzij in een detentiecentrum dat als opvang wordt gebruikt? Met hoeveel personen delen zij een kamer, ruimte of een cel? Wat zijn de basisvoorzieningen per kamer, ruimte of cel?
- -
Acht EASO de kwaliteit van de opvangvoorzieningen op dit moment in overeenstemming met de eisen (norm) die het Unierecht hieraan stelt? Zo nee, in welk(e) opzicht(en) niet?
- -
Bestaat de mogelijkheid voor asielzoekers, waaronder Dublinclaimanten, om zich over de opvangomstandigheden te beklagen? Zo ja, hoe? Kan dat feitelijk leiden tot verbetering?
Omstandigheden in detentiecentra waar vreemdelingen ten behoeve van uitzetting verblijven
- -
Kunt u een beschrijving geven van de omstandigheden waarin Dublinclaimanten na afronding van de asielprocedure ter fine van uitzetting worden gedetineerd?
- -
Kunt u bij de beantwoording van bovenstaande vraag uitdrukkelijk ingaan op de bevindingen uit het “Report to the Maltese Government on the visit to Malta carried out by the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) from 17 to 22 September 2020, Strasbourg, 10 March 2021”?
- -
Stelt EASO zich op het standpunt dat de omstandigheden in de detentiecentra waar vreemdelingen die ter fine van uitzetting worden gedetineerd in overeenstemming is met het Unierecht en het EVRM? Zo nee, in welk(e) opzicht(en) niet?
- -
Bestaat de mogelijkheid om zich over de detentieomstandigheden te beklagen? Zo ja, hoe? Kan dat feitelijk leiden tot verbetering?
Procedure om op te komen tegen vreemdelingenbewaring
- -
Kunt u aangeven welke rechtsmiddelen openstaan tegen vreemdelingendetentie?
- -
Wordt in Malta voorzien in (gratis) onafhankelijke rechtsbijstand in een procedure tegen vreemdelingendetentie?
- -
Acht EASO de procedure om op te komen tegen vreemdelingendetentie een doeltreffende voorziening in rechte zoals wordt gegarandeerd in artikel 6 Handvest gelezen in samenhang met artikel 47 Handvest?
- -
Kun u aangeven of en in hoeverre de procedure om op te komen tegen vreemdelingendetentie, zoals neergelegd in Maltese nationale wetgeving, in de praktijk wordt nageleefd?
34. Ter zitting is reeds met partijen besproken dat de rechtbank voornemens was nader onderzoek te verrichten. De rechtbank heeft deze concreet geformuleerde vragen ter zitting niet voorgelegd aan partijen. De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen om schriftelijk te reageren op dit voornemen en nadere onderzoeksvragen voor te stellen.
35. Na ontvangst van de reacties van partijen zal de rechtbank zich tot EASO wenden. Indien EASO de rechtbank informeert dat zij niet bereid of niet in staat is de door de rechtbank gevraagde informatie te verschaffen, zal de rechtbank partijen zo spoedig mogelijk berichten over de voortgang van de procedure. Indien EASO de rechtbank informeert dat zij deze informatie zal verschaffen, zal deze informatie worden toegevoegd aan het digitale dossier. Na ontvangst van de gevraagde informatie van EASO zal de rechtbank partijen informeren over het verdere verloop van de procedure.
36. De rechtbank acht het thans niet opportuun om de gronden van beroep te bespreken. De behandeling van het beroep zal in afwachting van de aan EASO gevraagde informatie worden aangehouden. Iedere overige beslissing wordt aangehouden.
Beslissing
De rechtbank:
- -
stelt partijen in de gelegenheid te reageren op het voornemen van de rechtbank om vragen te stellen aan EASO en om nadere vragen aan te dragen zoals bepaald in rechtsoverwegingen 33 tot en met 35;
- -
stelt hiervoor een termijn van 2 weken na de datum van bekendmaking van deze tussenuitspraak;
- -
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is aldus gedaan op 19 april 2021 door mr. S. van Lokven, voorzitter, en
mr. C.T.C. Wijsman en mr. G.J.W.M. Kipping, leden, in aanwezigheid van mr. B.J. Groothedde, griffier.
griffier voorzitter
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open maar kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegelijk met het beroep tegen de einduitspraak.