Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/6.1:6.1 Inleiding
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS447223:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de voorgaande hoofdstukken heb ik onderzocht hoe de heffingsmethoden zijn ontstaan, waar ze van elkaar verschillen. Specifiek voor het kernelement toezicht heb ik in hoofdstuk 4 een aantal ontwikkelingen op het vlak van de heffingsmethoden onderzocht; vooral met als doel om vast te kunnen stellen welke factoren daarop van invloed zijn. Dat blijken de volgende factoren te zijn: uitvoeringslasten voor de Belastingdienst, correctiemogelijkheden voor de Belastingdienst, administratieve lasten voor belastingplichtigen en de behoefte aan rechtszekerheid van belastingplichtigen. De vraag die in dit hoofdstuk centraal staat, is of uiteindelijk bij keuzes tussen de heffingsmethoden diezelfde factoren (en eventueel nog nieuwe factoren) een rol spelen. Daarbij onderscheid ik twee deelvragen. De eerste is hoe heffingsmethoden initieel (bij invoering) worden gekozen. Deze vraag behandel ik in paragraaf 6.2. Daarbij maak ik onderscheid tussen rijksbelastingen (6.2.2) en decentrale belastingen (6.2.3). In paragraaf 6.3 behandel ik de omzettingen, waarbij ik eerst de rijksbelastingen onderzoek (6.3.2), daarna de decentrale belastingen (6.3.3) en ten slotte de omzettingen in het buitenland (6.3.4). In paragraaf 6.4 volgt een analyse van de verschillende factoren die relevant zijn bij de keuze van een heffingsmethode. Aan de hand daarvan presenteer ik in paragraaf 6.5 een aanzet voor een afwegingskader. Ik sluit af met een conclusie (6.6).