HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052.
HR, 14-06-2024, nr. 23/02949
ECLI:NL:HR:2024:703
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-06-2024
- Zaaknummer
23/02949
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑06‑2024
ECLI:NL:HR:2024:703, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑06‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2023:1193
- Vindplaatsen
V-N 2024/29.20 met annotatie van Redactie
NTFR 2024/1113
NLF 2024/1541
USZ 2024/230
Viditax (FutD) 2024061419
FutD 2024-1330
Beroepschrift 14‑06‑2024
Hoge Raad
T.a.v.: Sector Bestuursrecht
Postbus 20303
2500 EH DEN HAAG
[…], 26-07-2023
Onderwerp: beroep in cassatie
Ons kenmerk: […]
Procedurenummer gerechtshof: BK SGR 22/00215
Edelhoogachtbare,
Hierbij teken ik namens mijn cliënt, [X], beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van gerechtshof Den-Haag in de procedure die oorspronkelijk gericht was tegen (onder meer) de WOZ-waarde van [a-straat 1] te [Z]. Een machtiging treft u als bijlage aan (bijlage 1). Ik verzoek u de nota griffierecht op te nemen in de rekening-courantverhouding met debiteurnummer […] t.n.v. […].
Feiten:
- 1.
Op 01-01-2021 was mijn cliënt belastingplichtige voor het object [a-straat 1]. Uit hoofde hiervan heeft belastingplichtige een aanslag gemeentelijke belastingen ontvangen met mede daarop vermeld de WOZ-beschikking,
- 2.
Hiertegen is namens de belastingplichtige bezwaar aangetekend.
- 3.
Bij brief van 31-10-2020 heeft de heffingsambtenaar van de Samenwerkingsverband RBG uitspraak op bezwaar gedaan.
- 4.
Tegen dit besluit is namens onze cliënt beroep aangetekend bij de rechtbank.
- 5.
Rechtbank Den Haag heeft bij brief van 26-01-2022 de uitspraak op dit beroep toegezonden.
- 6.
Bij brief van 4-3-2022 is hoger beroep aangetekend tegen de onder het voorgaande punt bedoelde uitspraak.
- 7.
Het gerechtshof zond bij brief van 16-6-2023 de uitspraak (bijlage 2) op het hoger beroep toe.
Cassatiemiddelen:
Er is sprake van schending van het recht en/of verzuim van vormen, omdat:
- 1.
Het hof de zaak niet zonder zitting af had mogen doen;
- 2.
Het hof miskent dat op grond van artikel 40 Wet WOZ alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij hadden moeten worden toegezonden. Verder volsta ik met een verwijzing naar de onlangs genomen conclusie van A-G Ijzerman; ECLI:NL:PHR:2023:130. De A-G concludeert wederom dat met de term op de zaak betrekking hebbende stukken niet
Cassatiemiddel I
Het hof geeft aan toestemming te hebben gevraagd onderhavige zaak zonder zitting af te mogen doen. Dit verzoek heeft mij echter nooit bereikt. Het ligt op de weg van het hof de verzending van dit verzoek aan te tonen. Bovendien heb ik bij brief van 22-9-2022 juist verzocht deze zaak op zitting te behandelen (zie bijlage), waardoor het hof ook had moeten weten dat ik geen toestemming zou verlenen deze zaak zonder zitting af te doen.
Cassatiemiddel II
Het hof miskent dat op grond van artikel 40 Wet WOZ alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan mij hadden moeten worden toegezonden. Verder volsta ik met een verwijzing naar de onlangs genomen conclusie van A-G Ijzerman; ECLI:NL:PHR:2023:130. De A-G concludeert wederom dat met de term op de zaak betrekking hebbende stukken niet enkel het taxatieverslag wordt bedoeld.
Ik onderschrijf de conclusie van de A-G omdat artikel 40 Wet WOZ een belangrijke waargborgfunctie voor belanghebbende vormt. Zo is ook hof Arnhem van mening in onder meer de uitspraak met nummer ECLI:NL:GHARL:2021:7246 waarin het hof het volgende bepaalde:
‘4.19.
Nu de Awb niet voorziet in voorschriften dienaangaande en de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de Awb ook bewust van het stellen van zulke voorschriften heeft afgezien, bestaat onvoldoende grond voor het oordeel dat een bestuursorgaan in alle gevallen waarin een belanghebbende om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken verzoekt, gehouden is eventueel tegen vergoeding van ten hoogste de kosten aan dat verzoek tegemoet te komen. Het Hof ziet echter evenmin grond voor het oordeel dat een bestuursorgaan daartoe in geen geval gehouden is. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat de voorschriften over beschikbaarstelling van de op de zaak betrekking hebbende stukken aan een belanghebbende een belangrijke waarborg vormen dat een geschil over een door het bestuursorgaan genomen besluit wordt beslecht op basis van alle relevante feitelijke gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking staan en hebben gestaan, zodat de belanghebbende zich daarover kan uitlaten.12.
4.20.
In het licht van het voorgaande komt het Hof dan ook tot de slotsom dat, mede gelet op de hiervoor genoemde waarborgfunctie, een belanghebbende die daarom verzoekt in bezwaar in beginsel recht heeft op toezending van (een of meer van) de op de zaak betrekking hebbende stukken, eventueel tegen vergoeding van ten hoogste de kosten. Afwijzing van dat verzoek kan slechts worden gerechtvaardigd door zwaarder wegende belangen van het bestuursorgaan ten opzichte van de belangen van belanghebbende bij een effectieve en doelmatige besluitvorming, in de omstandigheden van het geval.’
Ik wil uw college vragen nogmaals echt helderheid te scheppen omtrent artikel 40 Wet WOZ. In mijn ogen staat dit artikel geheel los van artikel 7:4 Awb omdat artikel 40 Wet WOZ juist ook kan worden ingezet om bezwaarprocedures te voorkomen omdat uit de op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt dat een bezwaarprocedure niet nodig is. Aan toepassing van artikel 7:4 Awb wordt dan in zijn geheel niet toegekomen. Veel rechtbanken en hoven zijn nu echter van mening dat artikel 40 Wet WOZ geen toezendverplichting behelst omdat hierin met artikel 7:4 lid 4 reeds in is voorzien. Op grond van dat artikel moet de reis naar het gemeentekantoor worden gemaakt om daar vervolgens alsnog om kopieën te verzoeken. In het huidige tijdperk van digitalisering is dit niet meer vol te houden. Bovendien, wie is hiermee gediend? Ook met het niet toezenden van de stukken op grond van artikel 40 Wet WOZ is niemand gediend. In een beroepsprocedure, die wellicht had kunnen worden voorkomen door de stukken wel in de bezwaarfase te verstrekken, moeten de stukken op grond van artikel 8:42 Awb sowieso worden verstrekt. Het belang dat belastingplichtige heeft om transparantie in de besluitvorming van het bestuursorgaan te krijgen dient te allen tijden te prevaleren. Dit lijkt grotendeels uit het oog te zijn verloren.
In onderhavige zaak oordeelde de rechtbank dat er sprake was van schending van artikel 40 Wet WOZ, het hof draait dit vervolgens weer terug. Hof Den-Haag is hiermee ook ‘om’ gegaan omdat zij artikel 40 Wet WOZ eerder juist wel ruim uitlegden. Na de uitspraken van hof Amsterdam is ook hof Den-Haag deze weg ingeslagen. Er is op het moment in tal van onderwerpen in ‘WOZ-land’ sprake van een grote mate van rechtsongelijkheid. Iedere rechtbank en ook ieder hof lijkt zijn eigen koers te varen, dit is absoluut onwenselijk en grotendeels ook de oorzaak voor de talloze procedures die hierdoor worden ingediend. Door lagere rechters lijken de uitspraken van uw college steeds vaker in de wind te worden geslagen. Al dan niet met de bedoeling een statement te maken. Politiek hoort echter niet plaats te vinden in de rechtszaal!
Conclusie:
Op basis van de bovenstaande grieven verzoek ik u:
- 1.
Het beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- 2.
De uitspraak van het gerechtshof gedeeltelijk te vernietigen en terug te verwijzen voor inhoudelijke behandeling van mijn hoger beroep gericht tegen de in beroep gehanteerde wegingsfactor.;
- 3.
Verweerder te veroordelen tot een proceskostenvergoeding voor de kosten zoals gemaakt in de (hoger-) beroepsfase op grond van artikel 8:75 Awb en conform het arrest van de Hoge Raad d.d. 27 mei 2022 (ECLI:NL:HR:2022:752).
Hoogachtend,
Uitspraak 14‑06‑2024
Inhoudsindicatie
Wet WOZ; artikel 40, lid 2; gegevens die niet in het taxatieverslag zijn opgenomen; niet-behandelde grief in het principale hoger beroep over wegingsfactor.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/02949
Datum 14 juni 2024
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE REGIONALE BELASTING GROEP
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 13 juni 2023, nr. BK-22/00215, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep (hierna: de heffingsambtenaar) tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (nr. ROT 20/6547) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2020. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
De heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning) per waardepeildatum 1 januari 2019 voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 198.000.
2.2
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikking. Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift verzocht om toezending van het taxatieverslag, de opbouw en een controleerbare onderbouwing van de kavelwaarde, de grondstaffel, en de taxatiekaart met daarop vermeld de KOUDV- en liggingsfactoren. De heffingsambtenaar heeft belanghebbende in de bezwaarfase alleen het taxatieverslag toegezonden.
2.3
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Volgens de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Tijdens het onderzoek ter zitting van de Rechtbank heeft belanghebbende erkend dat de grondstaffel niet een op de zaak betrekking hebbend stuk betreft. De Rechtbank heeft verder geoordeeld dat de heffingsambtenaar de overige gevraagde stukken op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ aan belanghebbende had moeten verstrekken. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard. De Rechtbank heeft de heffingsambtenaar veroordeeld in de proceskosten. Omdat belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, heeft de Rechtbank op grond van artikel 2, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht aanleiding gezien de proceskostenvergoeding te verminderen. Omdat het volgens de Rechtbank redelijk is om de helft van de gebruikelijke vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand toe te kennen, is de Rechtbank bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding uitgegaan van een wegingsfactor van 0,5.
3. Procedure voor het Hof
3.1
Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep was de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding van proceskosten in geschil.
3.2
De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. In het incidentele hoger beroep was in geschil of de heffingsambtenaar in de bezwaarfase de gevraagde stukken voorafgaand aan het hoorgesprek aan belanghebbende had moeten toesturen.
3.3
Het Hof heeft onder meer geoordeeld dat de heffingsambtenaar op grond van het bepaalde in artikel 40 van de Wet WOZ niet verplicht was naast het taxatieverslag ook de andere stukken waarom belanghebbende tijdens de bezwaarfase heeft verzocht, voorafgaand aan het horen toe te zenden.
3.4
Gelet op de gegrondbevinding van het incidentele hoger beroep, is het Hof niet toegekomen aan de beoordeling van de grief van belanghebbende in het principale hoger beroep. Volgens het Hof heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ten onrechte gegrond verklaard en de heffingsambtenaar daarom ten onrechte veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd, behalve voor zover deze betrekking heeft op de waarde van de woning.
4. Beoordeling van de middelen
4.1
Het tweede middel klaagt over het oordeel van het Hof dat de heffingsambtenaar met het toezenden van het taxatieverslag aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft voldaan. Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.3 van het arrest van de Hoge Raad van 18 augustus 2023.1.
4.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4.3.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1 is overwogen, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
4.3.2
De grief in het principale hoger beroep van belanghebbende, aan de beoordeling waarvan het Hof niet is toegekomen, hield in dat de Rechtbank bij het vaststellen van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand ten onrechte is uitgegaan van de wegingsfactor 0,5. Belanghebbende betoogde dat uit richtlijnen, opgenomen in een bijlage bij een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3315, volgt dat de door de Rechtbank opgegeven reden geen aanleiding is af te wijken van wegingsfactor 1. Dat betoog berustte kennelijk op de onjuiste veronderstelling dat de Rechtbank gebonden is aan de door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch geformuleerde richtlijnen.
4.3.3
Aangezien de waarde van de woning in hoger beroep niet meer in geschil was, moet de bestreden uitspraak worden vernietigd behalve voor zover deze betrekking heeft op de waarde van de woning. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.
5. Proceskosten
Het Dagelijks Bestuur zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, behalve voor zover deze betrekking heeft op de waarde van de woning,
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
- draagt het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 136,
- draagt de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136,
- veroordeelt het dagelijks bestuur van de Regionale Belasting Groep in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.750 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 875 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 14‑06‑2024