Einde inhoudsopgave
Foutenleer (FM nr. 95) 2000/1.2
1.2 Het gecompliceerde leerstuk van de foutenleer
dr. A.O. Lubbers, datum 01-07-2000
- Datum
01-07-2000
- Auteur
dr. A.O. Lubbers
- JCDI
JCDI:ADS415715:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Aanslag
Inkomstenbelasting / Algemeen
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 22 oktober 1952, B. 9293.
Gepubliceerd in V-N 2000/36.9. Op deze datum werd ook arrest gewezen in de foutenleer-zaken 34 255 (V-N 2000/36.7) en 34 742 (V-N 2000/36.10).
Van der Linden (WFR 1957/4332, blz. 2).
Smeets (blz. 9). In zijn annotatie bij HR 10 februari 1960, BNB 1960/108, constateert Smeets dat er helaas in de fouten-arresten nog geen voldoende vaste lijn zit. Vgl. tevens de opmerkingen waarmee Lancée (blz. 109) zijn publicatie over de foutenleer begint: ‘In maart van dit jaar had de Meervoudige Belastingkamer van het Gerechtshof Arnhem zich weer eens bezig te houden met de bediscussieerde, aan veel rechtspraak onderworpen, maar niettemin nog door zeer vage begrippen gedragen, fiscale foutenleer. Zelfs over de aard en omvang van de materie welke door dit woord ‘foutenleer’ wordt aangeduid, verschillen de meningen nogal aanzienlijk.’
Zie ook de annotatie van Brüll bij HR 27 maart 1963, nr. 14 999, FED IB: Art. 7(1) [1950]: 232, waarin wordt gesproken over de ‘soms voor velerlei uitleg vatbare facetten van ’s Hogen Raad’s foutenleer’.
Op 22 oktober 1952 heeft de Hoge Raad een arrest1 gewezen, waarin hij de basis heeft gelegd voor een leerstuk dat bekend is geworden als de foutenleer. De jurisprudentie op het gebied van de foutenleer heeft zich in de jaren na dit arrest gestaag uitgebreid. Arresten uit het recente verleden illustreren dat deze leer – bijna een halve eeuw na het basisarrest HR 22 oktober 1952, B. 9293 – nog volop in ontwikkeling is. Zo werd met de arresten HR 18 maart 1998, BNB 1998/229 en HR 22 april 1998, BNB 1998/272, nader inhoud gegeven aan de redelijke tegemoetkoming, een faciliteit die de belastingplichtige wordt toegekend indien het herstel van een fout op basis van de foutenleer voor hem tot nadelige gevolgen leidt. Een belangrijke beslissing inzake de verhouding tussen de foutenleer en de herstelmethoden navordering, de betaling van gewetensgeld en ambtshalve vermindering nam de Hoge Raad in zijn arrest van 28 april 1999, BNB 1999/283. Al eerder was de verhouding tussen de foutenleer en een (te vaag) aanbod tot ambtshalve vermindering aan de orde geweest in HR 16 december 1998, BNB 1999/205. Belangrijk voor de foutenleer is ook het door de Hoge Raad op 25 juli 2000 gewezen arrest in de zaak 352512. De Hoge Raad heeft in deze zaak geoordeeld dat de foutenleer ook van toepassing is op afschrijvingsfouten. Hierdoor is mogelijk geworden in het verleden verzuimde afschrijvingen in te halen in het oudste nog openstaande jaar. Daarmee is de Hoge Raad ‘omgegaan’ en heeft hij een sinds 1919 geldende leer verlaten.
Daarnaast kwam de foutenleer min of meer zijdelings aan de orde in de arresten HR 29 augustus 1997, BNB 1997/347, HR 26 augustus 1998, BNB 1999/49 en HR 13 oktober 1999, BNB 2000/43.
Enkele jaren na het basisarrest B. 9293 werd de foutenleer al omschreven als een omvangrijk en gecompliceerd leerstuk3. Smeets4 merkte begin jaren ‘60 op, dat het uiterst moeilijk is om in deze jurisprudentie een scherp getrokken lijn te onderkennen. Recenter constateert Langereis (blz. 275) dat het aldus ontstane conglomeraat van beslissingen een weinig transparant beeld te zien geeft5. Naast deze algemene kritiek op het punt van de (on)doorzichtigheid van de foutenleer, is er – vanaf de eerste arresten – grote kritiek geweest op de beslissingen die de Hoge Raad in deze arresten heeft genomen. Zo stelt Scheltens (blz. 165) dat de Hoge Raad met deze leer op de verkeerde weg is. Langereis (blz. 278) bestempelt de foutenleer als willekeurig en in strijd met de rechtszekerheid.