Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden
Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.6.1:II.6.1 Inleiding
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.6.1
II.6.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460404:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nu alle daderschapsvormen de revue zijn gepasseerd, is dit een goed moment om enig overzicht te creëren met betrekking tot wanneer en waarom de ene daderschapsvorm geschikter is dan de andere om een leidinggevende strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor een milieudelict.
In paragraaf II.3 merkte ik op dat – gelet op het normadressaatschap en de beschikkingsmacht die leidinggevenden doorgaans eigen zijn, en ook gelet op de zorg die in redelijkheid gevergd mag worden van leidinggevenden om milieudelicten te voorkomen – (functioneel) plegerschap bij uitstek een geschikte aansprakelijkheidsfiguur is voor bestuurdersaansprakelijkheid in het milieustrafrecht. Echter blijkt dat deze daderschapsvorm in de praktijk zelden wordt gehanteerd. Daarom bespreek ik hierna in paragraaf II.6.2.1 eerst een aantal mogelijke verklaringen voor de opmerkelijke afwezigheid van plegende leidinggevenden in de jurisprudentie. Vervolgens ga ik in paragraaf II.6.2.2 nader in op de vraag waarom, in het milieustrafrecht, er in geval van overlap het best gekozen kan worden om de leidinggevende aan te spreken als pleger van een milieudelict. Daarna bespreek ik in paragraaf II.6.3 wanneer de deelnemingsvormen meerwaarde hebben ten opzichte van plegen, en wanneer welke deelnemingsvorm voor de hand ligt. In dat kader komen achtereenvolgens feitelijk leidinggeven, medeplegen en medeplichtigheid aan bod. Paragraaf II.6.3 kan dus worden gelezen als een stroomschema om in een concreet geval bij een bepaald delict een daderschapsvorm te kiezen die past bij de situatie.