HR, 02-05-2014, nr. 14/01056
ECLI:NL:HR:2014:1071
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
02-05-2014
- Zaaknummer
14/01056
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1071, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 02‑05‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:226, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:226, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑03‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1071, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 02‑05‑2014
Partij(en)
2 mei 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01056
EV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
[verzoeker],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/13/11/701-R van de rechtbank Amsterdam van 4 december 2013;
b. het arrest in de zaak 200.138.634/01 van het gerechtshof Amsterdam van 18 februari 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 2 mei 2014.
Conclusie 21‑03‑2014
14/01056 | Mr. L. Timmerman |
Zitting 21 maart 2014 | |
Conclusie inzake: | |
[verzoeker], verzoeker tot cassatie, | |
(hierna: [verzoeker]). |
1. De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 22 augustus 2011 de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] uitgesproken. Op voordracht van de rechter-commissaris heeft dezelfde rechtbank bij vonnis van 4 december 2013 de toepassing van de schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd. [verzoeker] is hiervan in hoger beroep gegaan. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 18 februari 2014 het bestreden vonnis bekrachtigd. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:
“2.4. Gelet op de ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep gebleken feiten en omstandigheden komt ook het hof tot het oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling op [verzoeker] tussentijds dient te worden beëindigd. Het hof is van oordeel dat [verzoeker], ook als zijn depressieve klachten in aanmerking worden genomen, toerekenbaar is tekortgeschoten in de van hem te verwachten medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.
2.5. Voldoende aannemelijk is geworden dat [verzoeker] niet naar behoren aan zijn informatieverplichting heeft voldaan. Zo heeft hij gedurende langere tijd en ondanks daartoe strekkende verzoeken de bewindvoerder niet van toereikende informatie voorzien omtrent zijn (financiële) situatie, waaronder zijn inkomen en verdere van belang zijnde omstandigheden.
Voor de eerste beëindigingszitting in oktober 2013 heeft [verzoeker] een aantal aanvullende gegevens overgelegd. De boedelachterstand is na overlegging van die gegevens door de bewindvoerder geschat op € 6.207,14. Na de pro forma aanhouding - de zaak werd aangehouden teneinde alle ontbrekende stukken op tafel te krijgen, na te gaan of de berekende boedelachterstand juist was berekend en een plan van aanpak over te leggen om de boedelachterstand in te lopen - heeft de bewindvoerder de boedelachterstand nader berekend op € 8.208,51. De bewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat er een correctie toegepast zou kunnen worden voor de inwonende zoon en dat de boedelachterstand daarom iets lager kan uitvallen. Maar vaststaat, ook in de berekening van [verzoeker] zelf, dat de boedelachterstand een zeer aanzienlijk bedrag betreft.
2.6. Dat de boedelachterstand zo hoog is opgelopen kan [verzoeker] worden toegerekend. Hij had tijdig stukken moeten overleggen en bovendien in overleg moeten treden over de boedelafdracht. [verzoeker] heeft geen voorstel tot aflossing van de boedelachterstand ingediend. Bovendien heeft hij sinds november 2012 niets aan de boedel afgedragen.
Hoewel het hof begrip heeft voor de situatie waarin [verzoeker] verkeert en alle daaruit voortvloeiende problemen, ontslaat die situatie hem niet van de verplichting de bewindvoerder tijdig en volledig van deugdelijke informatie te voorzien. Van hem mocht in het kader van de schuldsaneringsregeling immers worden gevergd dat hij eigener beweging alle relevante informatie omtrent zijn situatie aan de bewindvoerder zou opgeven teneinde een effectieve uitvoering van deze regeling te bewerkstelligen. Niet is aannemelijk geworden, ook niet uit de brieven van de huisarts van 29 november 2013 en 3 februari 2014, dat [verzoeker] door eerdergenoemde depressieve klachten niet meer aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, met name de informatieverplichting en afdrachtverplichting, kon voldoen. Dat [verzoeker] na het verlies van zijn baan geen geld meer over had om aan de boedel af te dragen, waarna de boedelbijdrage sinds augustus 2013 ook op nul is bepaald, is begrijpelijk. Maar hij heeft geenszins inzichtelijk gemaakt waarom hij in de voorafgaande maanden niets heeft betaald. Dat dit hem niet kan worden toegerekend is niet gebleken. De verklaring van de huisarts is daartoe onvoldoende. Daarnaast ligt er geen concreet haalbaar voorstel tot aflossing van de boedelafdracht. Een verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling is daarom niet aan de orde.”
2 In het op 26 februari 2014 (tijdig) ingekomen cassatieverzoekschrift wordt in essentie geklaagd dat het hof de doelstelling van de schuldsaneringsregeling heeft miskend, een tekortkoming niet zonder meer verwijtbaar hoeft te zijn, de wettelijke schuldsaneringsregeling vrijwel ontoegankelijk is en [verzoeker] wordt geschaad in zijn recht op leven conform art. 2 jo. 6 EVRM en art. 47 EU Handvest.
3 De klachten kunnen klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Een beroep op de doelstelling van de schuldsaneringsregeling is weinig zinvol omdat deze de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen niet terzijde stelt. Anders dan het middel aanneemt is het hof niet zonder meer van de verwijtbaarheid van de geconstateerde tekortkomingen uitgegaan, maar heeft het uiteengezet waarin die verwijtbaarheid is gelegen, rekening houdend met de persoonlijke situatie van [verzoeker]. Dat de schuldsaneringsregeling vrijwel ontoegankelijk zou zijn wordt gelogenstraft door het gegeven dat [verzoeker] is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en de toepassing ervan tussentijds is beëindigd omdat [verzoeker] niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan en niet is gebleken dat dit hem niet kan worden toegerekend. Tegen de juistheid en begrijpelijkheid van dit oordeel keert het middel zich niet. De klacht over een schending van [verzoeker] recht op leven vormt een ontoelaatbaar novum.
Conclusie
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G