Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/3.4.6.2
3.4.6.2 Auteursrecht en naburige rechten
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS476844:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1 Aw.
Vgl. HR 1 juni 1990, NJ 1991/377, m.nt. D.W.F. Verkade (Kluwer & Eska/Lamoth).
Zie ook HR 16 juni 2006, NJ 2006/585 (Lancôme). Zie uitgebreid over deze typen werken: Kort begrip 2014/496-512.
Zie art. 5 lid 2 van de (herziene) Berner Conventie van 9 september 1886 voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst, Trb. 1972, 157.
HR 22 februari 2013, NJ 2013/501 (Stokke/H3 Products); HR 12 april 2013, NJ 2013/502 (Stokke/Fikszo) en HR 12 april 2013, NJ 2013/503, m.nt. P.B. Hugenholtz (Hauck/Stokke); en HR 30 mei 2008, NJ 2008/556, m.nt. E.J. Dommering (Endstratapes). Zie ook Kort begrip 2014/495 met verdere verwijzingen. Het Hof van Justitie heeft de (vergelijkbare) maatstaf geformuleerd dat het moet gaan om “een eigen intellectuele schepping van de auteur van het werk”. Zie HvJEU 16 juli 2009, NJ 2011/288 (Infopaq) en HvJEU 22 december 2010, NJ 2011/289, m.nt. P.B. Hugenholz (BSA).
HR 30 mei 2008, NJ 2008/556, m.nt. E.J. Dommering (Endstra-tapes).
HR 22 februari 2013, NJ 2013/501 (Stokke/H3 Products). Zie ook HR 16 juni 2006, NJ 2006/585 (Lancôme) en HR 19 december 2014, NJ 2015/179 en 180, m.nt. D.W.F. Verkade (Rubik’s Kubus).
HR 30 mei 2008, NJ 2008/556, m.nt. E.J. Dommering (Endstra-tapes).
Vgl. HR 19 december 2014, NJ 2015/179 en 180, m.nt. D.W.F. Verkade (Rubik’s Kubus).
131. Het auteursrecht is het uitsluitend recht van de maker van een werk om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen.1 Het auteursrecht strekt ter bescherming van het ‘werk’ als geestelijke schepping.2Art. 10 Aw specifieert op niet-limitatieve wijze de werken waarop auteursrecht bestaat, waaronder – kort gezegd – boeken en ander geschriften, muziekwerken, beeldende en toegepaste kunst, foto’s, films, computerprogramma’s, verzamelwerken en de verveelvoudigingen in gewijzigde vorm van de voornoemde werken.3
Het auteursrecht ontstaat van rechtswege. De achtergrond daarvan is gelegen in de Berner Conventie op grond waarvan het genot en de uitoefening van het auteursrecht niet onderworpen zijn aan enige formaliteit.4 De Auteurswet laat in het midden van welke omstandigheden het ontstaan van het auteursrecht afhankelijk is. Uit art. 1 Aw kan echter worden afgeleid dat het auteursrecht tegelijk ontstaat met het ‘werk’ ter bescherming waarvan het strekt. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt als werk van letterkunde, wetenschap of kunst begrepen een (zintuiglijk waarneembaar) voortbrengsel dat een eigen, oorspronkelijk karakter heeft én het persoonlijk stempel van de maker draagt.5 De Hoge Raad heeft deze beide elementen als volgt uitgewerkt. Dat het voortbrengsel een eigen, oorspronkelijk karakter moet bezitten, houdt, kort gezegd, in dat de vorm niet ontleend mag zijn aan die van een ander werk.6 Het auteursrechtelijke werkbegrip vindt haar begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect. Elementen van het werk die louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze, zijn van bescherming uitgesloten. Echter, niet alle elementen die een technische functie bezitten zijn uitgesloten. De industriële vormgeving zou anders ten onrechte buiten het bereik van het auteursrecht geplaatst worden. Het feit dat het werk voldoet aan technische en functionele eisen laat onverlet dat de ontwerpmarges of keuzemogelijkheden zodanig kunnen zijn dat voldoende ruimte bestaat voor creatieve keuzes van de maker die een werk in auteursrechtelijke zin kunnen opleveren.7 De eis dat het voortbrengsel het persoonlijk stempel van de maker moet dragen betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen. Het gaat hierbij evenwel om een kenmerk dat uit het voortbrengsel zelf is te kennen. Daarom mag niet de eis worden gesteld dat de maker bewust een werk heeft willen scheppen en bewust creatieve keuzes heeft gemaakt, welke eis betrokkenen bovendien voor onoverkomelijke bewijsproblemen kan stellen. Om dezelfde reden kan niet worden geëist dat de maker bewust voor de vorm heeft gekozen die het werk heeft gekregen. Dit brengt voorts mee dat een schepping, om een werk in auteursrechtelijke zin te kunnen zijn, niet het karakter van een coherente creatie behoeft te hebben.8 Uiteindelijk is het oordeel of een auteursrecht is ontstaan en, zo ja, op welk tijdstip, in hoge mate van feitelijke aard.9
132. Naburige rechten zijn nauw verwant aan de hiervoor besproken auteursrechten. Het gaat daarbij om de rechten die dienen ter bescherming van de prestaties van de uitvoerende kunstenaar (uitvoeringen), de fonogrammenproducent (geluidsopnames), omroeporganisaties (uitgezonden programma’s) of filmproducenten (eerste vastlegging van een filmwerk).10 Deze naburige rechten ontstaan van rechtswege, zonder dat enige formaliteit vervuld dient te worden. Het ontstaansmoment van het naburige recht is gekoppeld aan het tijdstip waarop de relevante prestatie is verricht. Het recht van de uitvoerend kunstenaar ontstaat door de uitvoering; dat van de fonogrammenproducent met de vervaardiging van een fonogram. Het naburig recht van de omroeporganisatie ontstaat door de eerste uitzending; en dat van van de filmproducent door de eerste vastlegging van het filmwerk.11 Het ontstaansmoment van naburige rechten is daarmee in de regel met precisie vast te stellen.