Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015358228, van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag West, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 327).
Rb. Den Haag, 07-04-2016, nr. 09/842815-15
ECLI:NL:RBDHA:2016:3630
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
07-04-2016
- Zaaknummer
09/842815-15
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2016:3630, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 07‑04‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBDHA:2016:3631, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 06‑04‑2016; (Eerste aanleg - meervoudig)
Uitspraak 07‑04‑2016
Inhoudsindicatie
De verdediging van de heer Wilders mag aanvullend op het huidige onderzoek in zijn strafzaak nog 20 mensen die aangifte hebben gedaan, horen als getuigen. Dat heeft de rechtbank Den Haag besloten in reactie op de verzoeken die gedaan zijn tijdens de regiezitting van 18 maart 2016. De rechtbank heeft de overige verzoeken afgewezen. Verzoeken van de verdediging Op de regiezitting van 18 maart 2016 in deze zaak heeft de verdediging diverse verzoeken gedaan. Deskundigen en getuigen De rechtbank heeft vandaag alle verzoeken om deskundigen te benoemen afgewezen omdat dit niet noodzakelijk is voor het beoordelen van deze strafzaak. Ook de verzoeken tot het horen van getuigen zijn afgewezen, met uitzondering van een beperkt aantal aangevers. Aangevers Uit de verklaringen van 15 aangevers bij de rechter-commissaris blijkt dat het niet voor alle aangevers duidelijk is geweest waarvan zij aangifte deden en dat sommige aangevers zijn gehoord zonder tolk, terwijl zij de Nederlandse taal niet voldoende machtig zijn. Om een duidelijker beeld te krijgen van de aangevers en hun beweegredenen, vindt de rechtbank het van belang dat nog 20 aangevers – willekeurig te kiezen door de rechter-commissaris – bij de rechter-commissaris worden gehoord. Gelekte pleitnota Het is niet aan de rechtbank om een onderzoek te gelasten naar het uitlekken van een concept-pleitnota van de verdediging aan het AD vlak voor de regiezitting van 18 maart 2016 . De verdediging kan een dergelijk onderzoek zelf (doen) uitvoeren. De rechtbank ziet ook geen noodzaak het onderzoek te schorsen in afwachting van de uitkomst van dat eventuele onderzoek. Eerlijk proces Volgens de verdediging leidt het (opnieuw) afwijzen van de wensen van de verdediging ertoe dat verdachte geen eerlijk proces krijgt. Bij de beoordeling van de verzoeken gaat het altijd om de relevantie van het gevraagde onderzoek en die relevantie is ook nu onvoldoende gebleken. In deze strafzaak zullen straks 4 deskundigen hebben gerapporteerd over contextuele en juridische aspecten, is de opsteller van een rapport nader bevraagd over een door hem verricht onderzoek en zijn 35 aangevers nader bij de rechter-commissaris gehoord. De rechtbank is van oordeel dat verdachte daarmee een eerlijk proces krijgt.
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer 09/837304-15
Datum tussenuitspraak: 7 april 2016
De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft de navolgende tussenuitspraak gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
Geert WILDERS,
geboren te Venlo op 6 september 1963,
te dezer zake domicilie kiezende aan het adres Binnenhof 1 A te (2513 AA) Den Haag.
De terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 maart 2016 (regiezitting).
De verdachte, bijgestaan door zijn raadslieden mrs. G.G.J. Knoops, M. ’t Sas, C.J. Knoops-Hamburger en J. de Koning, advocaten te Amsterdam, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.
Voorts zijn ter terechtzitting gehoord de officieren van justitie, mrs. W. Bos en S.M. van der Kallen.
Verzoek tot schorsing van de vervolging
De verdediging heeft aangevoerd dat zij is geconfronteerd met de omstandigheid dat haar (concept)pleitnota voor de regiezitting van 18 maart 2016, in de week voorafgaande aan de zitting, ter beschikking is gekomen van een journalist van het Algemeen Dagblad. Volgens de verdediging is hierdoor sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces en een schending van het vertrouwelijk verkeer tussen een advocaat en zijn cliënt.
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om een onderzoek te doen verrichten naar het vermeende strafbare feit en om – gedurende dit onderzoek – het lopende onderzoek in de onderhavige zaak stil te leggen.
Het openbaar ministerie heeft zich hiertegen verzet.
De rechtbank overweegt als volgt.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat het op enigerlei wijze uitlekken van een concept-pleitnota (via een lek, een hack of anderszins) de vraag oproept of de communicatie tussen verdediging en verdachte nog in de gewenste vertrouwelijkheid kan plaatsvinden, is er naar het oordeel van de rechtbank geen rol voor de rechtbank weggelegd in een eventueel onderzoek naar het uitlekken van die concept-pleitnota. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen. Indien de verdediging wenst dat een onderzoek wordt uitgevoerd, kan zij dit op eigen gelegenheid laten uitvoeren door een team van forensische experts (zoals zij ter zitting heeft aangegeven voornemens te zijn) dan wel door aangifte te doen van mogelijke computervredebreuk.
Voorts is niet aannemelijk geworden dat ten gevolge van enkel het uitlekken van de concept-pleitnota er geen sprake meer is of kan zijn van een eerlijk proces.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de noodzaak om in afwachting van de uitkomst van een eventueel door de verdediging uit te (laten) voeren onderzoek, het lopende en toekomstige onderzoek te schorsen, niet is gebleken. Ook dit verzoek wordt afgewezen.
Het verloop van de strafzaak
In december 2014 heeft het openbaar ministerie besloten om verdachte te vervolgen.
Bij brief van 25 mei 2015 heeft de verdediging onderzoekswensen neergelegd bij de rechter-commissaris, die zagen op onderzoek naar de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 12 juni 2015 het verzoek tot het horen van alle aangevers afgewezen en heeft het horen van vijftien door de verdediging te selecteren aangevers toegewezen. De rechter-commissaris heeft voorts afgewezen het verzoek tot inventarisatie met betrekking tot de totstandkoming van het aangiftetraject, het verzoek tot inventarisatie van de geografische locatie en datum van indiening van alle aangiftes en het verzoek tot het horen van acht ‘public officials’.
De verdediging heeft tegen deze beschikking een bezwaarschrift ex artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering ingediend. Bij beslissing van 6 augustus 2015 heeft de raadkamer van de rechtbank Den Haag het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij brief van 31 augustus 2015 heeft de verdediging vervolgens aanvullende onderzoekswensen neergelegd bij de rechter-commissaris. De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 9 oktober 2015 het verzoek tot het horen van de voor de sepotbeslissing in de zaken tegen D.M. Samsom (hierna: Samsom) en J.L. Spekman (hierna: Spekman) verantwoordelijke officieren van justitie en het verzoek tot het horen van de bij het aangifteproces betrokken personen afgewezen.
Voorts heeft de rechter-commissaris bij genoemde beschikking het verzoek tot benoeming als deskundige van prof. dr. T. Zwart (hierna: Zwart), prof. dr. P.B. Cliteur (hierna: Cliteur), prof. A.N. Guiora (hierna: Guiora), prof. dr. R. Koopmans (hierna: Koopmans), drs. H.W.M. Schoof (hierna: Schoof), H.N. van der Vliet (hierna: Van der Vliet), J. Dagevos (hierna: Dagevos), M. de Hond (hierna: De Hond), [Deskundige X] , twee nader te bepalen deskundigen op het gebied van overheidsbeleid met betrekking tot remigratie respectievelijk denaturalisatie en een deskundige die een analyse maakt van de partijstandpunten van de PVV afgewezen. Ten slotte heeft de rechter-commissaris bij genoemde beschikking de beslissing met betrekking tot benoeming van een deskundige ten aanzien van het door de Rijksrecherche ingebrachte rapport van het Meldpunt Discriminatie Internet aangehouden, waarbij de verdediging in de gelegenheid is gesteld (schriftelijke) vragen te formuleren aan R. Eissens (hierna: Eissens), de samensteller van genoemd rapport. De vragen van de verdediging zijn op 7 januari 2016 doorgeleid naar Eissens, waarbij is verzocht om de beantwoording uiterlijk 7 april 2016 aan de rechter-commissaris te doen toekomen.
De verdediging heeft tegen de beschikking van 31 augustus 2015 opnieuw een bezwaarschrift ex artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering ingediend.
Dit bezwaar is op 9 december 2015 gedeeltelijk gegrond verklaard, waarbij de raadkamer van de rechtbank Den Haag heeft bepaald dat vijf personen, te weten Zwart, Cliteur, Koopmans, Van der Vliet en [Deskundige X] , zullen worden benoemd als deskundige.
Zwart is verzocht onderzoek te verrichten naar de invulling van het begrip “ras” in de ten laste gelegde uitingsdelicten en hoe deze delicten zich verhouden tot de vrijheid van meningsuiting die in het EVRM en de Grondwet gewaarborgd is.
Cliteur is verzocht om vanuit een rechtsfilosofisch perspectief onderzoek te verrichten naar de vraag in hoeverre (on)verdraagzaamheid al dan niet een beperkend criterium zou kunnen zijn ten aanzien van de vrijheid van meningsuiting en, indien dit het geval is, hoe dit begrip moet worden ingevuld.
Koopmans is verzocht onderzoek te verrichten naar de vraag in hoeverre islamfundamentalisme realiteit is onder Nederlands-Marokkaanse burgers en, indien dat het geval is, in welke mate.
Van der Vliet is verzocht om te rapporteren over het gemiddelde onderwijsniveau en de positie op de arbeidsmarkt van Marokkaans-Nederlandse burgers, hoeveel Marokkaans-Nederlandse burgers een uitkering ontvangen, hoe vaak Marokkaans-Nederlandse jongeren worden verdacht van een misdrijf en het aandeel van Marokkaans-Nederlandse jongeren op het totaal van de jeugdcriminaliteit. Van der Vliet heeft bij brief van 14 maart 2016 aangegeven dat hij een nadere – meer omvattende – duiding zal geven aan zijn onderzoeksopdracht.
[Deskundige X] is verzocht om onderzoek te verrichten naar de integratie van Marokkaanse burgers in de Nederlandse maatschappij en een weergave te geven van het aandeel van Marokkaans-Nederlandse burgers in criminaliteit en uitkeringsafhankelijkheid.
[Deskundige X] heeft zich na zijn benoeming teruggetrokken als deskundige.
Op de onderhavige regiezitting is de verdediging in de gelegenheid gesteld om door de rechter-commissaris en de raadkamer afgewezen onderzoekswensen, opnieuw aan de rechtbank voor te leggen.
Vragen die de rechtbank in deze strafzaak heeft te beantwoorden
In deze zaak staat de vraag centraal of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van een groep mensen, te weten Marokkanen, en/of het aanzetten tot haat tegen en/of discriminatie van mensen, te weten Marokkanen, door op 12 en 19 maart 2014 de uitlatingen te doen zoals die zijn vermeld in de tenlastelegging. Deze feiten zijn in de tenlastelegging opgenomen in meerdere kwalificatieve varianten, te weten dat verdachte de tenlastegelegde uitlatingen al dan niet in vereniging met anderen zou hebben gedaan (primair c.q. subsidiair), dan wel daartoe zou hebben uitgelokt (meer subsidiair) dan wel het tenlastegelegde zou hebben doen plegen (meest subsidiair).
De verdediging heeft gewezen op vier overkoepelende en contextuele argumenten die op alle deskundigenverzoeken van toepassing zijn. Deze argumenten betreffen het ontbreken van een eenduidige theorie betreffende de artikelen 137c en 137d van het Wetboek van Strafrecht, het lex certa beginsel, de contextuele factoren (te weten de inhoud en vorm van de uitlating; het economische, sociale en politieke klimaat waarin de uitlating wordt gedaan, het doel van de spreker en het opzet van de spreker) en ten slotte het bewijs van ‘feiten’ c.q. de ‘waarheid’. De rechtbank ziet in deze argumenten geen aanleiding de verzoeken aan een andere dan de wettelijke maatstaf te toetsen. De opgeworpen argumenten vormen ieder voor zich in meer of mindere mate onderdeel van de materiële vragen die de rechtbank in deze zaak heeft te beantwoorden.
Naast het feit dat de rechtbank moet beoordelen of wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is dat de in de tenlastelegging opgenomen teksten daadwerkelijk zijn gezegd, lijkt de kernvraag te zijn – zonder over welk deel van de tenlastelegging dan ook al een oordeel te geven – of daarmee sprake is geweest van groepsbelediging en/of aanzetten tot haat en/of discriminatie. Deze kernvraag is een rechtsvraag waarop de beoordeling van de zaak zich lijkt toe te spitsen. Voor de beantwoording van die vraag zijn contextuele en juridische aspecten van belang.
Aan de beantwoording van deze materiële vragen gaan de formele (strafprocessuele) vragen van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering vooraf, meer in het bijzonder de vraag of het openbaar ministerie al dan niet terecht vervolging heeft ingesteld jegens verdachte. In dat kader heeft de verdediging de vraag opgeworpen of de overheid haar bevoegdheden in deze zaak op juiste wijze heeft gebruikt. Daartoe acht de verdediging nader onderzoek noodzakelijk naar het aangiftetraject, de inbreuk op de trias politica en de wijze waarop strafprocessuele beginselen zijn toegepast, zoals het gelijkheidsbeginsel.
Bij de beoordeling van de onderzoekswensen die de verdediging ter terechtzitting van 18 maart 2016 heeft gedaan, zal de rechtbank de hiervoor genoemde - door de rechtbank te beantwoorden - vragen hanteren als uitgangspunt. Daarbij zal de rechtbank in aanmerking nemen dat deze onderzoekswensen eerder aan de rechter-commissaris zijn voorgelegd, dat de raadkamer van de rechtbank bij beschikkingen van 6 augustus 2015 en 9 december 2015 daarover heeft beslist en dat de verdediging eerst op 14 maart 2016 (en derhalve minder dan tien dagen voor de terechtzitting) de wensen ten behoeve van de zitting heeft opgegeven. De rechtbank zal, gelet op dit alles, als maatstaf het noodzakelijkheidscriterium bezigen, dat wil zeggen dat de rechtbank zal beoordelen of de noodzakelijkheid van het horen van getuigen en het benoemen van de gevraagde deskundigen is gebleken. Ten aanzien van de gevraagde getuigen-aangevers zal de rechtbank het noodzakelijkheidscriterium wat ruimer hanteren, nu het verzoek mede verband houdt met verklaringen die voor een deel vlak voor 18 maart 2016 (namelijk op 17 maart 2016) bij de rechter-commissaris zijn afgelegd.
De beoordeling van de onderzoekswensen
Deskundigen
Met betrekking tot de vraag of de rechtbank, in aanvulling op de reeds benoemde deskundigen, de noodzakelijkheid is gebleken van het benoemen van de door de verdediging verzochte deskundigen, overweegt de rechtbank als volgt.
Guiora
De verdediging heeft verzocht Guiora als deskundige te benoemen. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat Guiora vanuit een rechtsvergelijkend perspectief kan rapporteren over de vrijheid van meningsuiting, het begrip ‘onverdraagzaamheid’ en de vraag of aan de uitlatingen van verdachte een contextuele betekenis toekomt.
Guiora kan volgens de verdediging in het kader van de waarheidsvinding onderzoek doen naar de volgende vragen:
- -
zijn de opmerkingen van verdachte te plaatsen in eerdere commentaren en de politieke positie van verdachte;
- -
impliceren de tenlastegelegde woorden iets nieuws;
- -
wat is de verhouding ten opzichte van hoe in Europa hierover wordt gesproken;
- -
in hoeverre reflecteren de tenlastegelegde uitspraken de standpunten/opvattingen van verdachte;
- -
wat was het doel van deze uitspraken binnen het PVV-beleid?
Voorts kan Guiora volgens de verdediging het volgende rechtsfilosofisch onderzoek verrichten:
- -
een rechtsvergelijkend onderzoek ten aanzien van de invulling van het begrip van vrijheid van meningsuiting, in bijzonder in relatie tot het begrip “onverdraagzaamheid”;
- -
een contextuele analyse;
- -
een onderzoek naar de vraag of de uitspraken van verdachte een voortzetting van eerdere parlementaire (PVV) partijprogramma’s betreffen;
- -
een chronologische analyse van de partijstandpunten van de PVV en
- -
een onderzoek naar de vraag of de tenlastegelegde uitspraken verband houden met de partijstandpunten van de PVV.
Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen het benoemen van Guiora en heeft hiertoe aangevoerd dat de onderwerpen waarover Guiora zou moeten rapporteren kwesties van zuiver juridische aard betreffen, die bij uitstek tot de deskundigheid van de rechtbank behoren.
De rechtbank overweegt als volgt.
Met betrekking tot het onderzoek naar de uitspraken van verdachte in relatie tot de partijstandpunten van de PVV en de politieke opvattingen van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte zonder meer zelf in staat moet worden geacht om ter terechtzitting, al dan niet met behulp van de door de verdediging overgelegde en aan het dossier toegevoegde openbare Kamerstukken, naar voren te brengen wat de relatie is tussen zijn eigen partijprogramma en daaraan gelieerde opvattingen en de door hem gedane uitspraken.
Met betrekking tot het verzoek tot een rechtsfilosofisch onderzoek, overweegt de rechtbank dat reeds door de raadkamer van de rechtbank is toegewezen dat Cliteur hierover zal rapporteren. De rechtbank verwacht dat zij daarmee over dit onderwerp voldoende kan worden ingelicht, alsmede dat de verdediging ter zake adequaat verweren kan voeren.
De rechtbank ziet ook overigens niet de noodzakelijkheid van een rechtsvergelijkend onderzoek met betrekking tot het begrip vrijheid van meningsuiting.
De rechtbank wijst gelet op het vorengaande het verzoek tot het benoemen van Guiora af.
Afgeschermde deskundige in plaats van [Deskundige X]
De verdediging heeft verzocht tot het horen van een afgeschermde deskundige, ter vervanging van het horen van de reeds toegewezen deskundige [Deskundige X] .
Het openbaar ministerie heeft zich niet verzet tegen vervanging van de genoemde deskundige, maar heeft erop gewezen dat geen wettelijke basis bestaat voor het afschermen van de identificerende gegevens van een deskundige.
De rechtbank overweegt in dit verband als volgt. In het Wetboek van Strafvordering (Boek II, Titel III, afdeling 4 E) zijn specifieke bepalingen opgenomen omtrent het horen van een afgeschermde getuige. Een afgeschermde deskundige, zoals verzocht door de verdediging, kent de wet echter niet.
Alleen al daarom wijst de rechtbank het verzoek tot het benoemen van een afgeschermde deskundige, ter vervanging van de reeds toegewezen deskundige [Deskundige X] , af.
Van Koppen
De verdediging heeft verzocht prof. dr. P.J. van Koppen (hierna: Van Koppen) te benoemen als deskundige, teneinde een oordeel te geven over de door het Meldpunt Discriminatie Internet in zijn rapport gehanteerde onderzoeksmethode.
Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen benoeming van Van Koppen, nu hij rechtspsycholoog is en geen deskundige is op het gebied van methoden en technieken van wetenschappelijk of statistisch onderzoek.
De rechtbank overweegt als volgt.
In haar beschikking van 9 oktober 2015 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat het in het belang van het onderzoek voorstelbaar is dat een deskundige de onderzoeksmethode en de representativiteit van het rapport van het Meldpunt Discriminatie Internet onderzoekt. De rechter-commissaris heeft echter eerst de verdediging in de gelegenheid gesteld om vragen te stellen aan Eissens, de samensteller van genoemd rapport. Eissens heeft in een brief van 3 maart 2016 de vragen van de verdediging beantwoord. De rechtbank acht zich met de beantwoording van de vragen van de verdediging door Eissens voldoende voorgelicht omtrent de door hem gehanteerde onderzoeksmethode en acht het niet noodzakelijk om hierover nog een andere deskundige te laten rapporteren. Dat de verdediging van oordeel is dat de antwoorden van Eissens te wensen overlaten, doet daaraan niet af. De verdediging moet, ook zonder dat een deskundige wordt benoemd, in staat worden geacht adequaat te betogen dat voornoemd rapport van het Meldpunt Discriminatie Internet en de daarna gegeven antwoorden van Eissens niet aan de daaraan te verwachten eisen voldoen.
Het verzoek tot het benoemen van Van Koppen wordt dan ook afgewezen.
Schoof, Dagevos en De Hond
De verdediging heeft verzocht om Schoof, Dagevos en De Hond als deskundige te benoemen. De verdediging heeft aangevoerd dat deze deskundigen het dossier kunnen aanvullen met gegevens over de inburgering en maatschappelijke deelname van Marokkaans-Nederlandse burgers, meer in het bijzonder de eventuele problemen die gepaard gaan met de integratie van de Marokkaanse bevolkingsgroep. Schoof dient meer specifiek te rapporteren over de samenstelling van de groep personen die vanuit Nederland is afgereisd naar oorlogsgebieden om deel te nemen aan de jihad.
Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen benoeming van de genoemde deskundigen. Met betrekking tot Schoof heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat de tenlastegelegde uitlatingen niet zien op moslims of moslimterrorisme, maar op Marokkanen als zodanig. Met betrekking tot Dagevos heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat de tenlastegelegde uitspraken niet zien op integratie, participatie, uitkeringsafhankelijkheid en criminaliteit. Met betrekking tot De Hond heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat het antwoord op de vraag hoeveel Nederlanders al dan niet instemmen met de uitspraken van verdachte niet relevant is voor de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank overweegt als volgt.
De raadkamer van de rechtbank heeft d.d. 9 december 2015 (in navolging van de rechter-commissaris) het verzoek tot benoeming van genoemde contextuele deskundigen afgewezen en hierbij overwogen dat het gevraagde onderzoek niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Wel heeft de raadkamer bepaald dat de deskundige Van der Vliet zal rapporteren over onderwerpen die betrekking hebben op de inburgering, maatschappelijke deelname en integratie van Marokkaans-Nederlandse burgers. Daarnaast is bepaald dat deskundige Koopmans zal rapporteren over het onderwerp islamfundamentalisme onder Marokkaans-Nederlandse burgers.
De rechtbank schaart zich achter de beslissing van de raadkamer en verwacht dat zij - mede gelet op het door de deskundigen Van der Vliet en Koopmans te verrichten onderzoek - voldoende kan worden ingelicht over de door de verdediging benoemde onderwerpen. Met betrekking tot De Hond overweegt de rechtbank nog in het bijzonder dat de gevraagde deskundige reeds in april 2014 (in opdracht van de PVV) onderzoek heeft verricht naar de vraag in hoeverre er draagvlak bestaat binnen de Nederlandse bevolking ten aanzien van de tenlastegelegde uitlatingen van verdachte. De rechtbank vermag tegen deze achtergrond niet in te zien waarin de noodzaak in deze strafzaak is gelegen om door dezelfde persoon een nieuw, in hoge mate vergelijkbaar onderzoek te laten verrichten.
Het verzoek tot benoeming van Schoof, Dagevos en De Hond als deskundigen wordt dan ook afgewezen.
Deskundige in verband met de schending van het gelijkheidsbeginsel
De verdediging heeft de rechtbank verzocht te beslissen dat het Landelijk Meldpunt Discriminatie dan wel een door de rechtbank aan te wijzen deskundige (eventueel Van Koppen) nader onderzoekt welke uitwerking de uitlatingen van Samsom en Spekman hebben gehad op het aantal meldingen wegens discriminatie.
De verdediging doelt hierbij op de volgende uitlatingen:
- Samsom in 2011 in het NRC:
“Het klopt dat het vooral Marokkanen zijn. Deze jongens hebben door een samenloop van omstandigheden een etnisch monopolie op dit soort overlast gekregen. Dat is de Ground Zero van het integratiedebat geworden. Maar met de islam heeft het geen bal te maken. Hoe geloviger hoe minder last je van ze hebt.”
- Spekman in 2008 in Vrij Nederland:
“Van de week hoorde ik weer van een stel Marokkaanse jongens die de boel aan het verzieken waren in een groot bedrijf, hier in Utrecht. Toen ze werden ontslagen, gingen ze op de parkeerplaats rondhangen om medewerkers te bedreigen en te achtervolgen…. Ik heb er alles voor over zulke gasten aan te pakken…. Je moet ze de godganse dag op de huid zitten…. Je moet ervoor zorgen dat ze de sulletjes worden van hun eigen wijk. Dat is het enige dat werkt.”
Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen onderzoek naar schending van het gelijkheidsbeginsel en hiertoe aangevoerd dat deze uitlatingen van Samsom en Spekman andere uitlatingen betreffen dan de uitlatingen van verdachte. Voorts is volgens het openbaar ministerie het gevraagde onderzoek niet relevant voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechter-commissaris heeft in haar beschikking van 9 oktober 2015 met betrekking tot de onderzoekswensen in dit verband overwogen: “Het gelijkheidsbeginsel verwijst naar de eis van gelijke behandeling van vergelijkbare gevallen. De aangiften van de uitlatingen van Spekman en Samsom zijn door de officier van justitie te Amsterdam beoordeeld en geseponeerd. De uitlatingen van Samsom en Spekman zien niet op Marokkanen in het algemeen maar op Marokkaanse jongeren die overlast veroorzaken en strafbare feiten plegen en zijn aldus qua tijd, plaats en inhoud sterk verschillend van de uitspraken die in dit onderzoek aan de orde komen.”
De rechtbank kan zich vinden in de hiervoor weergegeven overweging van de rechter-commissaris dat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken van enige noodzakelijkheid om een deskundige nader onderzoek te laten verrichten naar de mogelijke uitwerking die de uitlatingen van Samsom en Spekman hebben gehad op het aantal meldingen wegens discriminatie. Dit verzoek wordt dan ook afgewezen.
Getuigen
Naast het benoemen van genoemde deskundigen, heeft de verdediging tot het horen van diverse getuigen verzocht. Met betrekking tot deze verzoeken overweegt de rechtbank als volgt.
Public official /bewindspersonen
De verdediging heeft verzocht om het horen van drs. M. Rutte, mr. I.W. Opstelten, dr. F.C.G.M. Timmermans, dr. R.H.A. Plasterk, dr. L.F. Asscher, mr. E.E. van der Laan, drs. H.M.F. Bruls en P.J. Aalbersberg, in verband met schending van de onschuldpresumptie.
Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen het horen van deze getuigen en heeft hiertoe aangevoerd dat de gevraagde getuigen niet uit eigen wetenschap kunnen verklaren over hoe de besluitvorming binnen het openbaar ministerie is verlopen nu zij daar niet bij betrokken waren. De gevraagde getuigen hebben volgens het openbaar ministerie als politicus gereageerd op spraakmakende uitspraken van een collega politicus, hetgeen hen niet kan worden tegengeworpen.
De rechtbank overweegt als volgt.
De rechter-commissaris heeft dit verzoek bij beschikking d.d. 12 juni 2015 afgewezen en hierbij overwogen dat de verdediging stelt dat beïnvloeding door de public officials “niet valt uit te sluiten”, maar dat het verdere betoog van de verdediging geen aanwijzingen bevat die deze stelling ondersteunen. Het door de verdediging aangehaalde arrest van het EHRM (Shagin v. Ukraine) betreft voorts een andere casus, aldus de rechter-commissaris.
De raadkamer heeft op 6 augustus 2015 het bezwaar tegen de beslissing van de rechter-commissaris, ongegrond verklaard en hierbij als volgt overwogen:
“De vraag of de door de verdediging gewenste getuigen moeten worden gehoord, moet worden getoetst aan het criterium of het horen daarvan kan bijdragen aan enige te nemen beslissing uit hoofde van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering. Het is aan de verdediging om dit te onderbouwen.
De Hoge Raad heeft op 6 november 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BX4280) geoordeeld dat de beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan, zich slechts in zeer beperkte mate leent voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing en dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen (of voortzetten) van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, terwijl voor de beslissing dat zulks wel het geval is, zware motiveringseisen gelden. In het arrest van de Hoge Raad van 5 september 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AV4 149) was bovendien eerder al bepaald dat uitingen van ‘public authorities’ wegens hun aard en inhoud wel een ongeoorloofde inbreuk zouden kunnen maken op artikel 6 EVRM, maar dat dit niet zal leiden tot een zo ingrijpend rechtsgevolg als niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte. Reeds gelet hierop is het standpunt van de verdediging dat zij desondanks belang heeft bij het horen van de acht bewindspersonen als getuige, onvoldoende onderbouwd.
Het is uiteindelijk aan de zittingsrechter om de uitlatingen van de bewindspersonen naar hun aard, inhoud en context te beoordelen en daaraan eventueel, bijvoorbeeld in het kader van een mogelijke strafoplegging, gevolgen aan te verbinden. Het horen van de verzochte getuigen kan daartoe niet dienen: dat de uitlatingen zijn gedaan, staat immers vast.”
De rechtbank schaart zich achter de motivering van de rechter-commissaris en de raadkamer en constateert dat de verdediging haar standpunt in deze onvoldoende (nader) heeft onderbouwd. Het het verzoek tot het horen van Rutte, Opstelten, Timmermans, Plasterk, Asscher, Van der Laan, Bruls en Aalbersberg wordt dan ook afgewezen.
Alle overige aangevers
De verdediging heeft verzocht tot het horen van alle aangevers, in verband met de beantwoording van de vragen ex artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering en in verband met een mogelijke schending van het beginsel van détournement de pouvoir.
De verdediging heeft aangevoerd dat in de verhoren van de vijftien aangevers die door de rechter-commissaris zijn gehoord elementen naar voren komen die ernstige twijfel oproepen over de integriteit van het onderzoek. Hierdoor is een beeld ontstaan dat er sprake is van meerdere onregelmatigheden, waardoor twijfel is ontstaan met betrekking tot de rechtmatigheid van het aangiftetraject.
Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen het horen van meer dan de reeds gehoorde vijftien aangevers en heeft erop gewezen dat twaalf van de vijftien aangevers een juridisch juiste aangifte hebben gedaan, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat de door de verdediging geselecteerde aangevers bepaald niet representatief zijn voor de gehele groep aangevers. Het betreft immers vooral oudere aangevers die zijn geboren in Marokko, de Nederlandse taal niet/slecht spreken en aangiften die niet of slechts beperkt zijn gemotiveerd. Het openbaar ministerie heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verdediging geen begin van aannemelijkheid heeft geleverd voor de suggestie dat het openbaar ministerie of de politie een zaak heeft willen creëren door aangiftes te bevorderen om later een vervolging te kunnen rechtvaardigen.
De rechtbank stelt voorop dat voor de beoordeling van de vraag of de tenlastegelegde uitlatingen een strafbaar feit opleveren, het al dan niet aanwezig zijn van aangiften in dit dossier niet relevant is. Voorts zijn de aangiften niet vereist om tot vervolging over te kunnen gaan. Evenmin is sprake van een klachtdelict. Maar nu de aangiften wél zijn opgenomen in het dossier ontstaat uit de kennisname daarvan wel een beeld van de effecten van de tenlastegelegde uitlatingen in de Nederlandse samenleving nu het tot een aanzienlijk aantal aangiften/reacties heeft geleid.
Uit de vijftien verhoren die reeds bij de rechter-commissaris hebben plaatsgevonden, komt het beeld naar voren komt dat het niet voor alle gehoorde aangevers duidelijk lijkt te zijn geweest waarvan zij aangifte deden en dat er sprake is geweest van aangevers die zonder tolk aangifte hebben gedaan terwijl zij de Nederlandse taal niet (voldoende) machtig zijn. Voorts valt het de rechtbank op dat het allemaal oudere personen betreft die zelf uit Marokko afkomstig zijn. Volgens de verdediging zijn ze daarop ook geselecteerd. Om een duidelijker beeld te krijgen van de aangevers en hun beweegredenen, vindt de rechtbank het van belang nog een aantal aangevers als getuige te horen. Aangezien het praktisch niet uitvoerbaar is om alle aangevers als getuige te horen, zal de rechtbank de rechter-commissaris verzoeken om twintig (willekeurig door de rechter-commissaris te kiezen) aangevers uit het dossier te horen.
De rechtbank wijst derhalve het verzoek tot het horen van twintig, door de rechter-commissaris willekeurig uit het dossier te selecteren aangevers toe.
Diverse functionarissen van de politie
De verdediging heeft verzocht tot het horen van de betrokkenen onder wiens leiding of verantwoordelijkheid de aangiftes zijn opgenomen en tot het horen van de personen die van de zijde van justitie bij het gehele aangiftetraject betrokken zijn geweest, teneinde te controleren of al dan niet een schending van het beginsel van détournement de pouvoir heeft plaatsgehad.
De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de politie onvoldoende toezicht heeft gehouden op de feitelijke uitvoering van het aangiftetraject, dat uit de verhoren bij de rechter-commissaris aanwijzingen naar voren komen dat verschillende aangevers onder valse voorwendselen een (reeds ingevuld) formulier hebben ondertekend, dat het er de schijn van heeft dat bepaalde instanties of groeperingen massale aangiftemomenten hebben georkestreerd, dat de politie de inhoud van de aangiftes niet voldoende heeft geverifieerd en dat een van de getuigen heeft verklaard dat politiebeambten tegen aanwezigen in de moskee hebben gezegd “dat zij het ook niet prettig vonden dat hij dat gezegd had”.
Het openbaar ministerie heeft zich verzet tegen het horen van de betrokkenen onder wiens leiding de aangiften zijn opgenomen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het dossier bevat op de pagina’s 216 tot en met 238 meerdere processen-verbaal van bevindingen, waarin wordt weergegeven hoe het traject met betrekking tot de opname van de diverse aangiftes is verlopen. Dit maakt het verloop van het aangiftetraject toetsbaar.
Ter terechtzitting heeft het openbaar ministerie voorts nader toegelicht waarom ervoor is gekozen te werken met een format aangifte.
De rechtbank acht zich op dit onderdeel voldoende voorgelicht. Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet hierop, het horen van de betrokkenen onder wiens leiding of verantwoordelijkheid de aangiftes zijn opgenomen en het horen van de personen die van de zijde van justitie bij het gehele aangiftetraject betrokken zijn geweest, niet bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing uit hoofde van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.
Het verzoek tot het horen van genoemde functionarissen van de politie wordt dan ook afgewezen.
Eerlijk proces
De verdediging heeft, met verwijzing naar het aantal pagina’s van meerdere pleitnotities en de wanverhouding tussen het aantal verzoeken enerzijds en het aantal toegewezen verzoeken anderzijds, betoogd dat hernieuwde afwijzing van de gedane verzoeken zou betekenen dat verdachte in een ‘meaningless mantra’ zou geraken en geen eerlijk proces krijgt.
De rechtbank deelt deze visie niet. Uit het hierboven beschreven procesverloop tot dusver blijkt dat de verdediging meerdere verzoeken heeft gedaan; eerst in twee fases bij de rechter-commissaris, later (in hoger beroep) bij de raadkamer, en weer later ter gelegenheid van de eerste openbare zitting. Nergens is de verdediging beknot. Ook bij de verdere openbare behandeling van de strafzaak zal de verdediging de gelegenheid krijgen tot het voeren van (preliminaire) verweren. De toegewezen deskundigen zullen rapporteren aan de hand van vragen die door de verdediging zijn gesteld. De toegewezen verhoren van aangevers zijn en zullen bij de rechter-commissaris geschieden in aanwezigheid van de verdediging. Het is juist dat meerdere verzoeken zijn afgewezen, maar dat is het gevolg van de aard van deze strafzaak in combinatie met de relevantie van het door de verdediging gevraagde onderzoek. Het aantal pagina’s van een pleitnotitie is daarbij niet doorslaggevend.
Met de huidige stand van zaken zullen straks vier deskundigen hebben gerapporteerd over contextuele en juridische aspecten, is de opsteller van een rapport nader bevraagd over een door hem verricht onderzoek en zijn vijfendertig aangevers nader bij de rechter-commissaris gehoord. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verdachte geen eerlijk proces krijgt.
Beslissing
De rechtbank,
wijst af het verzoek tot het gelasten van een onderzoek naar het uitlekken van de (concept)pleitnota;
wijst af het verzoek tot schorsing van het lopende en toekomstige onderzoek;
wijst af het verzoek tot het benoemen als deskundige van A.N. Guiora, een afgeschermde deskundige, P.J. van Koppen, H.W.M. Schoof, J. Dagevos, M. de Hond en een deskundige in verband met de uitwerking van de uitlatingen van Samsom en Spekman;
wijst af het verzoek tot het horen van M. Rutte, I.W. Opstelten, R.H.A. Plasterk, F.C.G.M. Timmermans, L.F. Asscher, E.E. van der Laan, H. Bruls, P.J. Aalbersberg en diverse functionarissen van de politie;
wijst toe het verzoek tot het horen van twintig door de rechter-commissaris willekeurig uit het dossier te selecteren aangevers;
wijst af het verzoek tot het horen van de overige aangevers.
Deze tussenuitspraak is gewezen door
mrs. H. Steenhuis, voorzitter,
E.A.G.M. van Rens en S.M. Krans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. de Jong, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2016.
Uitspraak 06‑04‑2016
Inhoudsindicatie
Witwassen. Kwalificatieuitsluitingsgrond. Concretisering eigen misdrijf. De verdachte wordt veroordeeld voor het aanwezig hebben van ongeveer 80 kg hennep en voor het witwassen van € 24.575,- tot een gevangenisstraf van 10 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk. De kwalificatieuitsluitingsgrond met betrekking tot het witwassen is niet van toepassing nu een voldoende concretisering van het door de verdachte gepleegde misdrijf en het verband tussen dit misdrijf en het aangetroffen geldbedrag ontbreekt (vgl. HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3028). De enkele verklaring van de verdachte dat het geld is verworven met eigen criminele activiteiten is daarvoor onvoldoende.
Partij(en)
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 09/842815-15
Datum uitspraak: 6 april 2016
Tegenspraak
(Promisvonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1979,
[adres 1] ,
thans preventief gedetineerd in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn, Huis van Bewaring.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 23 maart 2016.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.K. Schoep en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. M. van Stratum, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 23 maart 2016 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken als er geen veroordeling voor feit 2 plaatsvindt en het inbeslaggenomen geld niet verbeurd wordt verklaard.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 december 2015 te 's-Gravenhage (in de woning aan de [adres 2] ) opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer negentig (90) kilogram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 en/of een grote hoeveelheid van meer dan 500 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan welaangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op of omstreeks 10 december 2015, te 's-Gravenhage (in de woning aan de [adres 2] ) althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van ongeveer vierentwintigduizendvijhondervijfenzeventig (24.575) euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 december 2015, te 's-Gravenhage (in de woning aan de [adres 2] ), althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om een voorwerp, te weten een (contant) geldbedrag van ongeveer vierentwintigduizendvijhondervijfenzeventig (24.575) euro, over te dragen, om te zetten, en/of van dat voorwerp gebruik te maken, (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van ongeveer vierentwintigduizendvijhondervijfenzeventig (24.575,-) euro (verdeeld in o.m. tachtig (80) coupures van 50,- euro, drieënnegentig (93) coupures van 20,- euro, tweehonderddrieënvijftig (253) coupures van 10,- euro en één coupure van 5,- euro), in een kluis in de (naast/aan de woonkamer gelegen) meterkast van de woning aan de Mari Andriessenstraat 47 heeft geplaatst en\of geplaatst gehouden, zulks terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;
en terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. Bewijsoverwegingen
3.1
Inleiding1.
Op 10 december 2015 is in de woning aan de [adres 2] te Den Haag 78,70 kg hennep aangetroffen.2.De verdachte heeft verklaard dat hij op dit adres woonachtig is. Op de vraag in hoeverre de verdachte zich schuldig acht aan het telen, voorbereiden en voorhanden hebben van hennep heeft de verdachte bij de politie verklaard dat de wiet van hem was.3.
Eveneens op 10 december 2015 is, bij de doorzoeking van deze woning, in de meterkast een kluis aangetroffen en inbeslaggenomen.4.Bij het openen van deze kluis is een bedrag van in totaal € 24.575,- aangetroffen, in verschillende coupures variërend van € 10,- tot € 200,-.5.De verdachte heeft bij de politie verklaard dat dit geld van hem was.6.
Over het bovengenoemde, waarvan onderdelen in de tenlastelegging zijn terug te vinden, bestaat geen discussie. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging in zoverre kan worden bewezen en grondt dat oordeel op de redengevende inhoud van de bewijsmiddelen waarnaar in de voetnoten wordt verwezen.
De vraag die voorligt is of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 90 kg (of een grote hoeveelheid) hennep (feit 1) en/of aan (een poging tot) witwassen van het geldbedrag van € 24.575,- (feit 2).
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de onder 1 en 2 primair ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard, met dien verstande dat het bij feit 1 gaat om een hoeveelheid van 78,70 kg in plaats van 90 kg hennep.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de in de tenlastelegging opgenomen elementen overdragen en omzetten niet kunnen worden bewezen zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
3.4
De beoordeling van de tenlastelegging
Ten aanzien van feit 1
Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte 78,70 kg hennep opzettelijk aanwezig heeft gehad in zijn woning.
Ten aanzien van feit 2
Er is onderzoek gedaan naar de inkomsten van de verdachte. Daaruit is naar voren gekomen dat de verdachte in 2009 een nettoloon had van € 7.829,-, in 2013 een nettoloon van € 6.446,-, in 2014 een nettoloon van € 8.244,- en in 2015 een nettoloon van € 1.756,-. Over de jaren 2010 tot en met 2012 zijn geen loongegevens van de verdachte bekend. Tevens is er geen spaarsaldo bekend.7.Dit betekent dat de verdachte in de periode van 2009 tot en met 2015 een bedrag van in totaal € 24.275,- aan inkomsten heeft gegenereerd. Het is de rechtbank niet gebleken van andere (verifieerbare) inkomsten.
Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met het voorhanden hebben van grote bedragen contant geld, vaak in wisselende coupures. Het voorhanden hebben van een dergelijk groot geldbedrag in een kluis, terwijl de verdachte jarenlang heeft moeten rondkomen van een gering inkomen, rechtvaardigt in beginsel dan ook de conclusie dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is.
De verdediging heeft niet betwist dat het geldbedrag een criminele herkomst had. Derhalve kan bewezenverklaring van het onder 2 primair tenlastegelegde volgen, en wel ten aanzien van het voorhanden hebben van het geldbedrag van € 24.575,-. Van de overige onderdelen zal de verdachte worden vrijgesproken.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 10 december 2015 te 's-Gravenhage in de woning aan de [adres 2] opzettelijk aanwezig heeft gehad 78,70 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
2.
hij op 10 december 2015 te 's-Gravenhage in de woning aan de [adres 2] een voorwerp, te weten een geldbedrag van vierentwintigduizendvijfhonderdvijfenzeventig (24.575) euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
4.1
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat het geldbedrag van € 24.575,- afkomstig is uit eigen misdrijf, te weten overtreding van artikel 3 en 11 van de Opiumwet dan wel een ander strafbaar feit. Dit leidt ertoe, aldus de raadsman, dat dit feit niet kan worden gekwalificeerd als opzetwitwassen en ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Dat het eigen criminele geld betreft volgt volgens de raadsman uit een aantal omstandigheden: het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag door de verdachte, de specifieke plaats waar het geld is aangetroffen en de coupures, het feit dat anderen niet van het geld afwisten, de bewezenverklaring van feit 1, de antecedenten van de verdachte, zijn uitgavepatroon, de inhoud van zijn politieverklaring en de in beslag genomen voorwerpen waaronder een schrijfblok en papiertjes met bedragen.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het verweer gemotiveerd betwist.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat onmiddellijk afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden aangemerkt. In een dergelijk geval moet ontslag van rechtsvervolging het gevolg zijn.
De vraag ligt zodoende voor of het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig was. Uit de arresten van de Hoge Raad van 16 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1655) en 13 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3028) volgt dat een voldoende concretisering is vereist van het door de verdachte gepleegde misdrijf en het verband tussen dit misdrijf en het aangetroffen geldbedrag.
De verdachte heeft verklaard dat hij het geld heeft verworven met eigen criminele activiteiten. Ter terechtzitting heeft hij, hoewel meermalen hiernaar gevraagd, niet nader verklaard over deze criminele activiteiten. Daarmee ontbreekt de vereiste mate van concretisering van het misdrijf dat door de verdachte is gepleegd en van het verband tussen dit misdrijf en het aangetroffen geldbedrag. De door de raadsman genoemde omstandigheden zijn niet zodanig dat daaruit zonder meer volgt dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk is verkregen uit hennepgerelateerde (laat staan andere criminele) activiteiten van de verdachte, temeer nu de verdachte heeft verklaard dat de aangetroffen hennep zijn eerste geslaagde oogst was en dat hij nog op zoek moest naar kopers van deze hennep.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het aangetroffen geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en dat de verdachte geen beroep op de kwalificatieuitsluitingsgrond toekomt. De rechtbank verwerpt dan ook het door de raadsman gevoerde verweer.
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
feit 2 primair:
witwassen.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, waarbij de officier van justitie rekening heeft gehouden met de tevens door hem gevorderde bijkomende straf van verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van € 24.575,-.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest bepleit, in combinatie met een taakstraf en/of een voorwaardelijke straf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van bijna 80 kg hennep. Het is een feit van algemene bekendheid dat regelmatig gebruik van dit soort middelen de gezondheid van met name jonge gebruikers ernstig kan schaden. Bovendien gaat de handel in hennep vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan witwassen door het voorhanden hebben van een geldbedrag van bijna € 25.000. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Bovendien worden opbrengsten van misdrijven hierdoor aan het zicht van justitie onttrokken, waardoor witwassen kan worden gezien als een misdrijf dat andere misdrijven faciliteert.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
13 december 2015, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet. De rechtbank weegt dit in het nadeel van de verdachte mee; de omstandigheid dat deze veroordeling dateert van (iets) meer dan vijf jaar geleden staat daaraan geenszins in de weg.
De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 18 maart 2016. De reclassering schat het recidiverisico in als laag/gemiddeld en adviseert de oplegging van zowel een onvoorwaardelijke als een voorwaardelijke gevangenisstraf. Een toezicht heeft volgens de reclassering geen meerwaarde, omdat de verdachte in staat wordt geacht zijn eigen keuzes te maken en goed af te wegen waar hij zich wel of niet mee bezig houdt. Ook heeft de verdachte geen concrete hulpvraag waar interventies op ingezet kunnen worden.
Gelet op de zeer grote hoeveelheid hennep, het grote geldbedrag en de eerdere veroordeling van de verdachte voor een soortgelijk feit komt alleen een gevangenisstraf als strafmodaliteit in aanmerking. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf weegt de rechtbank in strafverminderende zin mee dat de verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van het inbeslaggenomen geldbedrag waarop het witwassen betrekking heeft. Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.
Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank het verzoek van de raadsman tot opheffing van de voorlopige hechtenis afwijzen. Evenmin ziet de rechtbank, gegeven de onderhavige veroordeling, in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte aanleiding om de voorlopige hechtenis te schorsen, zodat ook dat verzoek zal worden afgewezen.
7. De inbeslaggenomen goederen
Nu de verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld op de beslaglijst, kan een beslissing te dien aanzien achterwege blijven.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 14 a, 14b, 14c, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel;
ten aanzien van feit 2 primair:
witwassen;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;
bepaalt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
verstaat dat het beslag geen beslissing meer behoeft, nu de verdachte ter terechtzitting van de inbeslaggenomen goederen afstand heeft gedaan;
wijst af het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Smeets, voorzitter,
mr. S.M. de Bruijn, rechter,
mr. M.L. Ruiter, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.A. Paul, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 april 2016.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑04‑2016
Proces-verbaal van bevindingen, p. 99-101 en proces-verbaal, p. 300-303.
Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 35-36.
Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname, p. 157, met als bijlage een geschrift, te weten een lijst van in beslag genomen voorwerpen, p. 162.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 168. De rechtbank gaat ervan uit dat “1 stapeltje van 60 x euro 50 / 7 x euro 100 = 1.000” moet zijn “1 stapeltje van 6 x 50 euro / 7 x euro 100 = 1.000”.
Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 179.
Proces-verbaal van bevindingen, p. 276.