Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.4.3
VII.4.3 Een aanzet tot stroomlijning
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS374903:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Bulten (2007), p. 367.
Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 98-99. Leijten was al in 1997 voorstander van de bevoegdheid om de OK ook over de nevenvordering te laten oordelen, maar dan wel als eerste en enige feitelijke instantie, zie Leijten (1997), p. 82, 88.
Zie uitdrukkelijk Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 99.
Zie Leijten (2000), p. 14; Driessen (2003), p. 583; Gerretsen (2005), p. 46; Norbruis (2005/2), p. 432; Croiset van Uchelen (2007), p. 261; Berendsen en Mol (2007), p. 216; en Bulten (2007), p. 367. De oud-voorzitter van de OK Willems zag bezwaren omdat een schadevergoedingsprocedure een indringender procesrechtelijk debat vergde dan een eenvoudige aandelenoverdracht. Zie Willems (2008), p. 88-89, met verwijzing naar de noot van Maeijer onder HR 11 september 1996, NJ 1997, 177 m.nt. Ma (Zondag Beheer), zie punt 1. Maeijer was tegen de vermenging van de twee procedures omdat zij elk een geheel eigen karakter hebben. Ook De Kluiver (2010), p. 19, noot 14, vraagt zich of de gelijktijdige behandeling nu wel een goed idee.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 110-111.
Zie aanbeveling nr. 5, opgenomen in Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 19.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 111.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 110-111.
In de toelichting is een omstandige uitleg opgenomen teneinde aan te geven dat er geen gevaar voor dubbele vergoeding van de 'afgeleide schade' is. Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 111.
Zie ook kritisch Roest (2007), p. 962-963 en 965, die wees op de positie van de crediteuren; Norbruis (2005/2), p. 432; en Croiset van Uchelen (2007), p. 261. Ook De Kluiver (2010), p. 23 vond dat dit afzonderlijk van de daadwerkelijke uittreding uitgeprocedeerd moet worden. In Bulten (2007), p. 357, was ik nog positief over de billijke verhoging omdat ik meende dat de wetgever impliciet voor de flexibele peildatum koos. Ik ben thans een andere mening toegedaan. Ik blijf voorstander van het op deugdelijke wijze verdisconteren van de schadetoebrengende gedragingen, maar dan wel met behulp van de (expliciete) flexibele peildatum. De billijke verhoging vind ik een onjuiste oplossing voor het probleem van de (afgeleide) schade.
Zie ook Croiset van Uchelen (2007), p. 261. Hij was van mening dat met art. 343 lid 4 Wv Flex-BV de regel dat geen afgeleide schade kan worden gevorderd, wordt doorbroken.
Aldus ook Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 214 en ook de conclusie van A-G Timmerman nr. 3.4 bij HR 16 februari 2007, NJ 2007, 256 (Tuin Beheer/Houthoff). Timmennan schreef overigens dat art. 343c Wv Flex-BV een 'echte Hartkamp-variatie' was, gezien zijn conlusies bij de arresten van de Hoge Raad inzake Poot/ABP (HR 2 december 1994, NJ 1995, 228 m.nt. Ma) en Heino Krause (HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 699 m.nt. Ma). Hartkamp betoogde onder meer dat afgeleide schade in bepaalde gevallen voor vergoeding in aanmerking komt. Zie Timmerman (2006), p. 137.
Het wetsvoorstel Flex-BV maakt een einde aan de twee-sporenopzet.1 Een welkome procedurele wijziging uit het oogpunt van doeltreffende geschilbeslechting is de mogelijkheid de met de uitstoting en uittreding samenhangende vorderingen te bundelen. Art. 336 lid 5 Wv Flex-BV bepaalt dat de rechter van lid 3 — in eerste instantie de rechtbank van de woonplaats van de vennootschap, in tweede instantie de OK — ook bevoegd is van vorderingen tussen dezelfde partijen of tussen een der partijen en de vennootschap kennis te nemen. Deze vorderingen dienen verband te houden met de gedragingen die tot uitstoting of uittreding aanleiding hebben gegeven. Het is duidelijk dat hierbij wordt gedacht aan vorderingen tot schadevergoeding.2 Overigens geldt de verwijzingsregel van art. 220 Rv onverkort. Bij verknochtheid van procedures die bij verschillende rechters aanhangig zijn gemaakt, volgt de 'jongste procedure' de eerder gestarte procedure. Het vreemde is dat de vordering tot uitstoting of uittreding dan niet door de rechter van de woonplaats van de vennootschap behandeld wordt, maar samen met de schadevergoedingsvordering beoordeeld wordt door de rechter van de woonplaats van de gedaagde aandeelhouder in de onrechtmatige daadsprocedure.3 De samengevoegde behandeling van art. 336 lid 5 Wv Flex-BV geldt niet alleen voor de uitstoting, maar ingevolge art. 343 lid 2 Wv Flex-BV ook voor de uittreding.
De meeste schrijvers, onder wie ikzelf, verwelkomen deze procedurele wijziging.4
Voor de uittreding geldt naast de schadevergoedingsvordering de noviteit van de `billijke verhoging'. De aandeelhouder die uittreedt kan ook een impliciete vergoeding verkrijgen. Art. 343 lid 4 Wv Flex-BV geeft de rechter de ruimte een billijke verhoging toe te passen, wanneer aannemelijk is dat gedragingen van de gedaagde of derden hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de aandelen. De gedaagde moet niet alleen de waardevermindering, voortvloeiend uit zijn eigen gedragingen 'vergoeden', maar ook de gedragingen van derden. In de toelichting stond de reden voor de bepaling dat een gedaagde de gevolgen van door derde gepleegde gedragingen moet dragen.5 Hij heeft als aandeelhouder de macht om de vennootschap te bewegen de schade van de derde vergoed te krijgen. Het gaat om gedragingen van bijvoorbeeld bestuurders of een aan de gedaagde verbonden vennootschap. Steun voor de billijke verhoging vond de minister in de suggestie van de Commissie Vennootschapsrecht om bij de prijsbepaling rekening te houden met de vordering tot schadevergoeding die de vennootschap jegens de laedens heeft.6 De kritiek op het consultatiedocument waarin dezelfde regeling stond, legde de minister naast zich neer. De formulering vond hij niet te open.7
De uittredende aandeelhouder krijgt op deze wijze compensatie voor het negatieve effect dat de gedragingen op de waarde van zijn aandelen hebben.8 De schadevergoeding wordt zo in de prijs 'ingebakken'. Een aparte schadevergoedingsprocedure zou bij een uittredingsvordering dus achterwege kunnen blijven.9 Volgens mij betekent dit eigenlijk dat de rechter uiteindelijk (feitelijk) een flexibele peildatum hanteert. Met waardeverminderingen voordien (voor de peildatum) mag de rechter later rekening houden en de prijs navenant billijk verhogen op grond van lid 4 van art. 343 Wv Flex-BV. De facto worden de aandelen in een dergelijk geval gewaardeerd op het moment net voordat de schadelijke gedragingen begonnen.
Ik vraag me af of de billijke prijsverhoging van art. 343 lid 4 Wv Flex-BV juridisch zuiver is.10 De gedachte dat de gedaagde eenvoudigweg verantwoordelijk wordt voor andermans gedragingen, gaat te ver. Ook is het vereiste dat slechts aannemelijk behoeft te zijn dat de verhoging billijk is, mijns inziens te licht. Bewijzen lijkt niet nodig.11 Voor het toekennen van een schadevergoeding wegens onrechtmatige daad liggen de eisen een stuk hoger. De regels voor 'afgeleide schade' zijn in diverse arresten zorgvuldig geformuleerd. De Hoge Raad houdt strikt de hand aan de Poot/ABP-doctrine.12 Een door de rechter toe te passen billijke verhoging komt dan eenvoudig 'uit de lucht vallen'. Bovendien blijft onduidelijk hoe groot de kring van de 'anderen dan de gedaagde' is.
In § VII.4.2 gaf ik aan dat de uittredende aandeelhouder vaak wel een eigen actie tot schadevergoeding heeft, omdat aan de bijzondere voorwaarden voldaan kan worden. Lid 4 van art. 343 Wv Flex-BV kan dus beter worden geschrapt. De samengevoegde behandeling van een uittredings- en een schadevergoedingsvordering is voldoende.