HR, 26-03-2024, nr. 22/02561
ECLI:NL:HR:2024:457
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
26-03-2024
- Zaaknummer
22/02561
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:457, Uitspraak, Hoge Raad, 26‑03‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:112
- Vindplaatsen
Uitspraak 26‑03‑2024
Inhoudsindicatie
Medeplegen verkopen van XTC-pillen (art. 2.B Opiumwet) en hennep en hasjiesj (art. 3.B Opiumwet) en opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheid (6345,59 gram) hasjiesj in meterkast van woning van verdachte en kleine hoeveelheid (97,96 gram) in shisha lounge van verdachte (art. 3.C Opiumwet). 1. Post-Keskin. Had hof moeten beslissen op ttz. in hoger beroep gedaan (voorwaardelijk) verzoek tot horen van getuige m.b.t. handel in verdovende middelen? 2. Bewijsklachten m.b.t. opzettelijk aanwezig hebben. Is verdachte zich bewust geweest van aanwezigheid van hasjiesj? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 22/02570.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02561
Datum 26 maart 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 juli 2022, nummer 21-001580-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.R. Kops, advocaat te Breukelen UT, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2024.