Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.7
4.7 Lalmahomed/Nederland
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS605893:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 13 (Lalmahomed/Nederland).
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 26-29 (Lalmahomed/Nederland).
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 14 (Lalmahomed/Nederland).
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 37 (Lalmahomed/Nederland).
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 41 (Lalmahomed/Nederland); in de beroepsschriftuur heeft Lalmahomed aangegeven zich in het zittingstijdtip te hebben vergist, zie r.o. 12. Het EHRM hecht daaraan kennelijk geen geloof, althans vindt dat gegeven van onvoldoende belang; zie hierover tevens de m.i. moeilijk te interpreteren beslissing EHRM 17 mei 2016 (ontv.), nr. 21496/2010 (Van Velzen/Nederland), waarin tevens nadruk wordt gelegd op de geringe ernst van het feit.
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 42-43 (Lalmahomed/Nederland).
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 44-48 (Lalmahomed/Nederland).
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 41 (Lalmahomed/Nederland).
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 41 (Lalmahomed/Nederland).
Dreissen 2011, p. 874.
Noot onder de uitspraak in NJ 2012/306.
Van Lent 2011, p. 730.
Annotatie onder de zaak in EHRC 2011/75; zie ook De Roos 2011, p. 10.
Ook “assessment of the relevant factors”, zie EHRM 13 juli 1995, nr. 18139/91 (Tolstoy Miloslavsky/Verenigd Koninkrijk); EHRM 7 augustus 1999 (ontv.), nr. 40285/98 (Martin/ Verenigd Koninkrijk); EHRM 7 mei 2002, nr. 77395/01 (Walczak/Polen); EHRM 2 november 2010, nr. 32463/06 (Bachowski/Polen); EHRM 19 mei 2005 (ontv.), nr. 29293/02 (Guz/ Polen); ECRM 26 oktober 1995 (ontv.), nr. 20087/92 (E.M./Noorwegen); ECRM 27 november 1996, nr. 25944/94 (Peterson Sarpsborg A.S. e.a./Noorwegen); EHRM 8 december 2009, nr. 3464/06 (Kucharczyk/Polen); zie ook ECRM 14 januari 1998 (ontv.), nr. 26070/94 (Osthoff/Luxemburg).
EHRM 7 januari 2010, nr. 24407/04 (Onoufriou/Cyprus); EHRM 16 januari 2014, nr. 22089/07 (Arkhestov e.a./Rusland); EHRM 16 januari 2014, nr. 38552/05 (Abdulayeva/Rusland); EHRM 16 januari 2014, nr. 21885/07 (Kushtova e.a./Rusland).
EHRM 22 februari 2011, nr. 26036/08, r.o. 13 (Lalmahomed/Nederland): “The President does not consider plausible the applicant’s statement that his identity details are systematically misused by someone else and that he has been acquitted by the courts several times already because of that.”
In deze zin ook De Werd in zijn annotatie in NTM 2001, p. 575-583.
Lalmahomed was voor het niet tonen van zijn identiteitsbewijs door een politieagent beboet (art. 447e Sr). Hij betaalt de boete niet en moet voor de politierechter verschijnen. Op de zitting brengt hij naar voren dat hij ten onrechte is aangezien voor zijn broer, die als twee druppels water op hem lijkt. Deze persoonsverwisseling zou al eerder tot vrijspraken hebben geleid. Om Lalmahomed de gelegenheid te geven deze stelling te onderbouwen, schorst de politierechter de zitting. Lalmahomed laat evenwel niet meer van zich horen, kan niet worden bereikt, verschijnt ook niet op de hervatte terechtzitting en wordt ten slotte door de politierechter bestraft met een geldboete van € 60,-. Lalmahomed gaat in hoger beroep.
In zijn schriftuur met grieven claimt Lalmahomed opnieuw dat zijn identiteit is misbruikt. De verlofrechter van het Hof ‘s-Gravenhage verwerpt deze claim en beslist op grond van artikel 410a Sv dat het hoger beroep niet in behandeling zal worden genomen: “In view of the case file, which includes an extract from the criminal register (justitiële documentatie), the President does not consider plausible the applicant’s statement that his identity details are systematically misused by someone else and that he has been acquitted by the courts several times already because of that. The President is not aware of any other reasons for which the interests of the proper administration of justice require the case to be heard in appeal.”1 Over deze verlofweigering dient Lalmahomed klachten in bij het EHRM.
In Straatsburg klaagt Lalmahomed ten eerste erover dat hij in strijd met artikel 6 lid 1 en lid 3, onderdeel c, EVRM niet de gelegenheid heeft gehad om bij de verlofrechter mondeling zijn verhaal te doen. Voorts meent hij, zich baserend op artikel 6 lid 2 EVRM, dat de verlofrechter onzorgvuldig op zijn beroepsgronden is ingegaan.2 In Straatsburg levert hij ook verschillende afschriften van mondelinge vonnissen in, steeds inhoudende een vrijspraak. Deze afschriften bevatten evenwel “no details of the cases other than that they ended in acquittals”, aldus het EHRM.3
Het EHRM stelt in zijn beoordeling voorop dat de behandeling van een verlofaanvraag moet voldoen aan de eisen gesteld in artikel 6 EVRM. Het vervolgt – met weglating van irrelevante verwijzingen naar eigen rechtspraak:
“However, it is quite possible that leave-to-appeal proceedings may comply with the requirements of Article 6, even though the appellant be not given an opportunity to be heard in person by the appeal court, provided that he or she had at least the opportunity to be heard by a first-instance court […]. Moreover, as long as the resulting decision is based on a full and thorough evaluation of the relevant factors (Monnell and Morris, § 69), it will escape the scrutiny of the Court; in this connection, the Court reiterates that it is not its function to deal with errors of fact or law allegedly committed by the national courts […], as it is not a court of appeal – or, as is sometimes said, a ‘fourth instance’ – from these courts […].”4
De klacht over de oral hearing faalt op grond van deze overwegingen. Lalmahomed was immers op de eerste zitting in eerste aanleg gehoord en is door eigen schuld niet op de nadere zitting verschenen. “The Court can agree that it was entirely the applicant’s responsibility to take all reasonable measures to attend the hearing of the first-instance court. It has not been explained how the applicant came to make the mistake he did.”5 Het Hof overweegt hierna – met weglating van irrelevante verwijzingen naar eigen rechtspraak:
“The case before the Court does not end there even so. The Court cannot overlook the fact that the single-judge chamber of the Court of Appeal sitting as President refused the applicant leave to appeal on the ground that he ‘[did] not consider plausible the applicant’s statement that his identity details [were] systematically misused by someone else and that he [had] been acquitted by the courts several times already because of that’. The applicant complains about this under Article 6 § 2. The Court, for its part, considers it more appropriate to deal with the matter here. The Court reiterates that for the requirements of a fair trial to be satisfied, the accused, and indeed the public, must be able to understand the judgment or decision that has been given; this is a vital safeguard against arbitrariness. As the Court has often noted, the rule of law and the avoidance of arbitrary power are principles underlying the Convention […]. In addition, while courts are not obliged to give a detailed answer to every argument raised, it must be clear from the decision that the essential issues of the case have been addressed.”6
Lalmahomeds tweede klacht wordt door het EHRM op het eerste gezicht opgevat als een klacht over de motivering van het verlofoordeel. Terecht zet het Hof dat enkel in de sleutel van willekeur en explicatie, en niet ook in de sleutel van controle, aangezien tegen de verlofbeschikking of de uitspraak van de rechtbank geen cassatie openstaat. Het Straatsburgse hof rondt zijn overwegingen als volgt af:
“The Court accepts that the extract from the applicant’s criminal record contained in the case file and placed before the single-judge chamber of the Court of Appeal showed a number of convictions. However, the various acquittals by the District Court of The Hague (paragraph 14 above), although not mentioned on the extract from the applicant’s criminal record and therefore not before the single-judge chamber, span a period overlapping the time of the events complained of. The applicant claimed that his identity had been misused and that he had been acquitted on that ground several times before. The single-judge chamber of the Court of Appeal dismissed this ground of appeal as implausible as the acquittals did not appear in the extract from the criminal register (paragraph 13 above). In the Court’s view, although the grounds for the acquittals are not stated, they suggest that the applicant’s claim that his identity had been misused ought not to have been discounted without further examination. The acquittals too being part of the official record, the Court considers that the single-judge chamber of the Court of Appeal ought to have been aware of them. As it was, the absence from the case file of this information meant that the denial of leave to appeal in the present case could not be based on a full and thorough evaluation of the relevant factors (see paragraph 37 above). There has, therefore, been a violation of Article 6 § 1 of the Convention taken together with Article 6 § 3 (c).”7
Hoewel dus de afschriften van de mondelinge vonnissen – waarover het EHRM wél beschikte – niet in het dossier van de Nederlandse verlofrechter aanwezig waren geweest, had de verlofrechter daarvan niettemin op de hoogte moeten zijn. Dat de verlofrechter zijn oordeel niet mede kon baseren op dat ontlastende materiaal, en aldus geen grondige beoordeling van de relevante aspecten van de zaak heeft kunnen geven, heeft niet alleen een schending van artikel 6 lid 1 EVRM tot gevolg, maar behelst ook schending van het lid 3, onderdeel c van dat artikel.
Moeilijk valt te peilen wat volgens het EHRM nu precies in deze Nederlandse strafzaak fout is gegaan. De ontvankelijkheidsvoorwaarde als zodanig lijkt het probleem niet. Dat de verdachte in het kader van de verlofbehandeling niet in persoon is gehoord, is op zichzelf evenmin het probleem, aldus het Hof.8 Ook de motivering van de verlofbeslissing lijkt door de beugel te kunnen. Aan de standaardmotivering van verlofbeschikkingen als bedoeld in artikel 410a Sv – letterlijke overneming van de relevante wettekst – is toegevoegd dat de verlofrechter de feitelijke stelling over identiteitsmisbruik niet aannemelijk acht. Verdere aanvulling van deze motivering is moeilijk denkbaar, terwijl dergelijke motiveringen in andere zaken gemakkelijk de EHRM-toets doorstaan. Daar komt bij dat bij verlofweigering op grond van artikel 410a Sv geen nader beroep mogelijk is, en niet om die reden meer motivering zal worden vereist. Bovendien is het Hof van oordeel dat ook het derde lid, onderdeel c van artikel 6 EVRM is geschonden, hetgeen niet met de motiveringsverplichting in verband kan worden gebracht. Schending van dat artikelonderdeel kan wél worden verklaard door te veronderstellen dat het EHRM is gestruikeld over de schending van het recht op aanwezigheid. Na veroordeling in eerste aanleg na gedeeltelijke afwezigheid, is in hoger beroep immers niet voorzien in een fresh determination van de zaak. Over het aanwezigheidsrecht overweegt het Hof evenwel volstrekt niets, terwijl de daarmee verband houdende klacht over het recht op een oral hearing als ongegrond is afgedaan.9
Als verklaring resteert dan dat de schending van artikel 6 EVRM erin bestaat dat de verlofweigering niet is gebaseerd op een full and thorough evaluation of the relevant factors, oftewel dat de verlofvoorzitter het verzoek om toegang onvoldoende grondig heeft beoordeeld. Wat bedoelt het Hof hiermee? Driessen leidt uit genoemde zinsnede af dat door de verdachte aangevoerde factoren aan bod moeten komen en dat van een gedegen afweging door de verlofrechter daaromtrent uit de beslissing of het onderliggende dossier moet blijken.10 Ook Schalken meent dat de zinsnede vooral aangeeft dat de grieven van de verdachte als zodanig aan de orde moeten komen. Ook hij brengt het eindoordeel van het EHRM in verband met de door het Hof vooropgestelde motiverings- en hoorregels.11 Van Lent meent iets afwijkend dat de verlofrechter eigen onderzoek had moeten doen naar de gestelde vrijspraken.12 In die zin ook De Roos, die verlofweigering riskant acht indien nader onderzoek aangewezen is.13 Aldus zoeken de verschillende auteurs enerzijds aansluiting bij het reeds geldende motiverings- en proper examination-vereisten, terwijl anderzijds een nogal casuïstische en verder niet in de EHRM-jurisprudentie terug te vinden aanspraak op ambtshalve onderzoek uit de overwegingen in de zaak Lalmahomed/Nederland wordt afgeleid.
Een andere duiding van de uitspraak is intussen mogelijk. Feit is dat het Hof de zinsnede “full and thorough evaluation of the relevant factors” slechts enkele malen eerder in zijn jurisprudentie heeft gebruikt, vooral als afsluiting van overwegingen over beperkingen van het aanwezigheidsrecht of het recht op toegang tot de rechter in beroep.14 Daarnaast zijn de woorden enkele malen gebezigd in zaken over het recht op privacy en het verbod op foltering.15 Slechts in een handvol zaken komt het tot een schending van het EVRM. In het licht van al deze zaken kan de zinsnede dat een beslissing dient te zijn gebaseerd op een full and thorough evaluation of the relevant factors niet zozeer worden bezien als een op zichzelf staande subregel van het recht op een eerlijk proces, vergelijkbaar met het motiveringsvereiste of het recht op proper examination, maar lijkt de zinsnede veeleer een formule ter aanduiding van de situatie waarin het Hof in feite als fourth instance fungeert. De beoordeling van de vraag of de relevante factoren volledig en grondig in acht zijn genomen, lijkt in dit opzicht op het vereiste van proper examination, maar gaat gelet op de formulering nog een stap verder, in die zin dat ook factoren die niet door de partijen naar voren zijn gebracht voor de beoordeling van het EHRM van belang kunnen zijn. Nog meer dan bij het vereiste van proper examination, zal het EHRM bij onderzoek naar de ‘eis’ van full and thorough evaluation allerlei feitelijke en juridische bijzonderheden van de zaak moeten beoordelen. In dit licht is van belang dat de Nederlandse verlofrechter in de zaak-Lalmahomed het verlof in feite vooral op inhoudelijke gronden heeft afgewezen, namelijk door de identiteitsverwisseling niet aannemelijk te achten.16 Gelet op die inhoudelijke afwijzing van verlof had nader onderzoek volgens het EHRM kennelijk in de rede gelegen.
De uitspraak in de zaak Lalmahomed/Nederland kan dus worden bezien als voorbeeld van fourth instance-toetsing door het EHRM. Over het verlofstelsel in het algemeen geeft het Hof geen oordeel. Ook over de specifieke aspecten ervan, zoals de ontvankelijkheidsvoorwaarde, de onmogelijkheid van mondelinge toelichting of de summiere motivering, struikelt het Hof in deze uitspraak niet. Het Europees Hof valt in deze zaak volgens mij over de onredelijke uitkomst in de concrete zaak, omdat ernstige twijfel rijst over de juistheid van de veroordeling.17 In plaats van schending aan te nemen van bijvoorbeeld het recht op stukken, het aanwezigheidsrecht of de verplichting tot motivering, valt het EHRM terug op een inhoudelijk oordeel over het beroep. Zo bezien is vaststelling van een verdragsschending in de zaak Lalmahomed/Nederland op paradoxale wijze illustratief voor de conclusie dat artikel 6 EVRM nauwelijks algemene grenzen stelt aan verlofstelsels in strafzaken.