Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/1.3.2.1
1.3.2.1 Gebruikte bronnen
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299246:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van in het vermogensrecht gangbare handboeken bijvoorbeeld De Groot, Groene Serie Zakelijke rechten, art. 5:1 BW, aant. 2 (laatst geraadpleegd 1 juli 2018).
Het merendeel van de schrijvers is van Amerikaanse origine, maar een deel van de discussie wordt ook gevoerd door Engelse schrijvers. Binnen de kaders van dit onderzoek gebruik ik de term ‘(Anglo-) Amerikaanse literatuur’ enkel om te verwijzen naar die literatuur waarin aan de hand van een rechtseconomische analyse naar een verklaring voor (het aanvullen van) subjectieve rechten wordt gezocht; literatuur die betrekking heeft op specifieke juridische stelsels of wetboeken is niet in het onderzoek betrokken.
Merrill 2009, p. 463; Steven 2009, p. 388; Dalhuisen 2016a, p. 28. Dit heeft ook tot gevolg dat het lastig is om gericht naar literatuur over het onderwerp te zoeken, omdat Engelstalige auteurs geen vaste terminologie gebruiken om het fenomeen accessoriëteit te omschrijven. Zie bijvoorbeeld de terminologie bij Penner 1997, p. 111: “a kind of accretion to the property right”.
Zie over het belang van de Amerikaanse literatuur op dit gebied Dari-Mattiacci 2007, p. 881 en het relatieve achterblijven van de Nederlandse literatuur – in ieder geval voor wat betreft het goederenrecht – Holzhauer & Teijl 2000, p. 276.
Zie over de sneeuwbalmethode Tijssen 2009, p. 107.
Zie over de aansluiting tussen onderzoeksvragen en bronnenmateriaal Snel 2016, p. 189 e.v.
33. Voor dit onderzoek heb ik gebruik gemaakt van (juridische) literatuur en rechtspraak. Ik heb geen empirisch onderzoek verricht; ik ben daar niet op toegerust en gezien de vraagstelling van dit onderzoek was dat van minder belang. De bespreking van rechtspraak is op sommige punten slechts ter illustratie en is minder uitgebreid dan in een puur juridisch-dogmatisch boek het geval zou zijn geweest. De literatuur die ik heb gebruikt, valt grofweg in twee delen uiteen. Voor deel II van dit boek, dat het positieve Nederlandse recht beschrijft, heb ik gebruik gemaakt van de gangbare handboeken, commentaren en tijdschriften.1 Deel I, waarin aan de hand van een rechtseconomische analyse naar een verklaring voor het aanvullen van subjectieve rechten wordt gezocht, is vooral gebaseerd op (Anglo-) Amerikaanse literatuur.2 De concepten die wij onder het begrip ‘accessoriëteit’ scharen, zijn in de (Anglo-) Amerikaanse doctrine nauwelijks uitgewerkt.3 Toch heb ik ervoor gekozen om hoofdzakelijk van deze literatuur gebruik te maken in plaats van, bijvoorbeeld, Nederlandse, Franse of Duitse literatuur. De reden hiervoor is dat de hoeveelheid beschikbare (Anglo-) Amerikaanse literatuur waarin op een (rechts)economische manier naar de aard van subjectieve rechten gekeken wordt, vele malen groter is dan die uit andere rechtsstelsels.4 Ook heeft deze literatuur een hoog abstractieniveau, waardoor het mogelijk is om concepten breder toe te passen dan enkel de onderwerpen die de schrijvers op het oog hadden. Daardoor was het mogelijk om een analyse van het aanvullen van subjectieve rechten te maken die los staat van een bestaand rechtssysteem. Literatuur van bijvoorbeeld Nederlandse, Franse of Duitse origine laat daar minder ruimte voor. De keuze om de (Anglo-) Amerikaanse literatuur als uitgangspunt te nemen, heeft gevolgen gehad voor de rest van het verzamelde bronnenmateriaal. Om de discussies die gevoerd worden in de (Anglo-) Amerikaanse (rechts)economische literatuur logisch samenhangend weer te kunnen geven, heb ik waar mogelijk deze literatuur voorrang gegeven bij het verwijzen. Bronnenmateriaal van Nederlandse, Belgische, Franse en Duitse origine dat ik in de loop van het onderzoek heb verzameld, heb ik daarom vooral gebruikt ter illustratie indien geen (Anglo-) Amerikaanse bronnen voorhanden waren.
34. Voor het zoeken naar bronnen heb ik gebruik gemaakt van (juridische) zoekmachines voor het zoeken naar nieuwe literatuur en de ‘sneeuwbalmethode’ voor het zoeken naar oude literatuur.5 Om er zeker van te zijn op de belangrijkste onderwerpen geen literatuur te missen, heb ik met meerdere zoektermen in verschillende zoekmachines gezocht. Door het instellen van zogenaamde ‘alerts’ heb ik gedurende de vijf jaren van het promotieonderzoek de recente literatuur en jurisprudentie bijgehouden. Bij het selecteren van bronnen heb ik me laten leiden door de gebruikte onderzoeksvraag en deelvragen en bekeken welke bronnen het best aansluiten bij de beantwoording daarvan.6 Opvattingen in de rechtspraak en literatuur die niet stroken met de mijne, zijn evengoed in het onderzoek opgenomen, al is het maar om te laten zien dat men over de besproken onderwerpen van mening kan verschillen. Het inhoudelijke onderzoek is afgesloten op 1 juli 2018; bronnen die na die datum zijn verschenen heb ik niet uitputtend in het onderzoek betrokken. Naar paginanummers van bronnen die bij het ter perse gaan nog niet bekend waren (omdat sprake was van elektronische ‘voorpublicaties’) verwijs ik tussen blokhaken (zie bijvoorbeeld voetnoot 74 en 75 van hoofdstuk 3).