Revindicatoire aanspraken op giraal geld
Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/4.2.2:4.2.2 Bijzondere wetgeving: artikelen 25 Wn en 19 Gdw
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/4.2.2
4.2.2 Bijzondere wetgeving: artikelen 25 Wn en 19 Gdw
Documentgegevens:
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS591120:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Literatuurverwijzingen zijn opgenomen in par. 3.
Kortmann-Faber (1998a) p. 137-145; Struycken (1996) p. 752-754, later is hij op zijn kritiek teruggekomen: Struycken (2007) p. 535; Wessels (2001) p. 65-66. Over de notariële kwaliteitsrekening zie Steneker (2005) p. 205-236; Schoordijk (2003) p. 63-85; Salomons (2001) p. 357-359; Van Es (2001) p. 631-634. Schoordijk (2003) p. 61, acht de constructie van artikel 25 Wn uiterst bruikbaar voor andere kwaliteitsrekeningen.
Steneker (2005) p. 209-210.
Bartels (2006) p. 794-796; zie ook Struycken (2007) p. 533.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad liet in Slis-Stroom onbeantwoord op welke wijze de kwaliteitsrekening in het algemene vermogensrecht kan worden ingebed. In de literatuur die na dit arrest verscheen, waarover hierna meer in paragraaf 3, zijn grosso modo twee stromingen aan te wijzen.1 De eerste zienswijze komt erop neer dat de vordering op de bank toebehoort aan de tussenpersoon, maar is afgescheiden van zijn privé-vermogen. Artikel 3:276 BW wordt dan zodanig uitgelegd, dat aan één persoon twee vermogens toebehoren, maar dat aan een bijzondere groep schuldeisers, de belanghebbenden bij de kwaliteitsrekening, verhaalsexclusiviteit toekomt op het afgescheiden tegoed. De tweede zienswijze betoogt dat de vordering op de bank toebehoort aan de belanghebbenden bij de kwaliteitsrekening en dus in het geheel geen deel uitmaakt van het vermogen van de tussenpersoon. In geval van meerdere belanghebbenden valt de vordering op de bank in een tussen die belanghebbenden bestaande eenvoudige gemeenschap. Bij de totstandkoming van de artikelen 25 van de Wet op het notarisambt (`Wn') en 19 van de Gerechtsdeurwaarderswet (`Gdw') heeft de wetgever voor de benadering gekozen waarbij de vordering toebehoort aan de belanghebbenden en niet aan de tussenpersoon.2Artikel 25 lid 2 Wn bepaalt dat het vorderingsrecht op de bank voortvloeiend uit de kwaliteitsrekening toebehoort aan de gezamenlijke rechthebbenden. Echter, de notaris respectievelijk de deurwaarder is als enige bevoegd de rekening te beheren en daarover te beschikken. Steneker leest in de parlementaire geschiedenis dat de rechtsverhouding tussen de rechthebbenden en de notaris kwalificeert als een privatieve last in de zin van artikel 7:423 lid 1 BW. De belanghebbende beschikt in dat geval over twee vorderingsrechten: één jegens de bank uit hoofde van artikel 25 lid 2 Wn en één jegens de notaris uit hoofde van de lastgevingsovereenkomst.3 Bartels bestrijdt deze dubbele verhouding aangezien het aanvaarden van een lastgevingsovereenkomst tot gevolg heeft dat met het overlijden van de lastgever ook de tussenpersoon niet meer het exclusief beschikkingsrecht over de kwaliteitsrekening toekomt, wat hem onwenselijk voorkomt.4