Inhoudsopgave
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.3.4:4.3.4 Samenvatting wetsgeschiedenis
De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/4.3.4
4.3.4 Samenvatting wetsgeschiedenis
Documentgegevens:
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS383618:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de splitsing van erfpachtrechten door overdracht van een deel ervan was altijd al toestemming van de erfverpachter vereist en dit toestemmingsvereiste werd in het NBW gecodificeerd op verzoek van gemeentelijke grondeigenaren. In de appartementenwet uit 1952 was vastgelegd dat voor de splitsing van een erfpachtrecht in appartementsrechten altijd voorafgaande toestemming van de grondeigenaar nodig was, ook dit toestemmingsvereiste werd overgenomen in het NBW. Er lag een stedelijke problematiek aan ten grondslag en ook de voorafgaande toestemming was geïnspireerd door een publiekrechtelijke regeling in het belang van de volkshuisvesting. De toestemming voor overdracht van een erfpachtrecht werd primair ingevoerd om de erfverpachter een extra verhaalsmogelijkheid te bieden en greep te houden op de persoon van de opvolgend erfpachter waarbij met name werd gedacht aan de solvabiliteit van de opvolger. De toestemming voor bestemmingswijziging werd gecodificeerd zonder het vereiste dat door die wijziging de waarde van de onroerende zaak achteruit zou gaan, eveneens op verzoek van gemeentelijke grondeigenaren. Het beginsel dat de erfverpachter bij het geven of weigeren van zijn toestemming gehouden was aan de beginselen van de goede trouw werd vastgelegd in de bevoegdheid van de erfpachter vervangende machtiging te verzoeken aan de kantonrechter. Die machtiging werd eerst ingevoerd voor de appartementensplitsing en overgenomen voor de rechtshandelingen splitsing en overdracht van een erfpachtrecht, maar niet voor bestemmingswijziging. Bij bestemmingswijziging is niet zozeer de beschikkingsbevoegdheid van de erfpachter over zijn recht aan de orde, maar een wijziging van de inhoud van het erfpachtrecht en daarvoor kent de wet de imprévision-regeling. Ondanks pleidooien hiertoe uit de literatuur is bij bestemmingswijziging afgezien van een vervangende machtiging. Met het instrument toestemming kreeg de erfverpachter een machtspositie over het recht van de erfpachter, wiens recht in gelijke mate werd beperkt door het toestemmingsvereiste. Ten aanzien van overdracht en splitsing is het evenwicht enigszins hersteld door de mogelijkheid vervangende toestemming te vragen. Voor bestemmingswijziging is deze mogelijkheid niet gegeven. Hierna wordt de rechtspraak over de drie wettelijke vormen van toestemming bij erfpachtverhoudingen onderzocht.