Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.2.2:15.2.2 Recht op informatie in strafprocedures
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/15.2.2
15.2.2 Recht op informatie in strafprocedures
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456985:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 5 november 2014, houdende implementatie van richtlijn nr. 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (PbEU L 142), Stb. 2014, 433.
Besluit van 18 november 2014, houdende regels inzake de schriftelijke mededeling van rechten ten behoeve van aangehouden verdachten (Besluit mededeling van rechten in strafzaken), Stb. 2014, 434.
En aanvulling van art. 44, tweede lid, Sv.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Richtlijn 2012/13/EU is het recht op informatie vastgelegd over (ten minste) een aantal expliciet genoemde rechten, zij het dat moet worden benadrukt dat die informatieplicht voor aan aantal van de informatierechten slechts ziet op procedurele rechten zoals (lees: voor zover) die van toepassing zijn op grond van het nationale recht. Daarnaast roept de richtlijn ook enkele zelfstandige rechten in het leven. Het is goed erop te wijzen dat een aantal van deze rechten ook door het EVRM, het institutionele recht van de Unie (inclusief Handvest) dan wel door andere richtlijnen die in dit hoofdstuk centraal staan, worden gegarandeerd. Deze richtlijn kan derhalve voor een deel worden gezien als maatregel die de door andere instrumenten verleende procedurele waarborgen versterkt en ondersteunt.
De rechten waarover in het algemeen informatie dient te worden verstrekt, worden opgesomd in artikel 3, eerste lid, van de richtlijn. Het gaat om het recht op toegang tot een advocaat, het recht op kosteloze rechtsbijstand en de voorwaarden waaronder deze bijstand kan worden verkregen, het recht op informatie over de beschuldiging, het recht op vertolkingen vertaling en het zwijgrecht. De informatie kan mondeling of schriftelijk worden verstrekt in eenvoudige en toegankelijke bewoordingen. In geval van vrijheidsbeneming dient de informatie schriftelijk te worden verstrekt en komen daar naast de ‘algemene’ rechten uit artikel 3 enkele andere rechten en aspecten waarover informatie dient te worden verstrekt bij, zoals het recht op toegang tot dossierstukken, het recht om consulaire autoriteiten en één andere persoon op de hoogte te stellen, het recht op toegang tot dringende medische bijstand en de maximumduur van de vrijheidsbeneming en de mogelijkheden die er zijn om, kort gezegd, de vrijheidsbeneming aan te vechten. Naast de gewone strafprocedure kent de richtlijn ook een informatieplicht in overleveringsprocedures.
Als zelfstandig recht worden in artikel 6 en 7 het recht op informatie over de beschuldiging en het recht op toegang tot de stukken van het dossier uitgewerkt. Die informatierechten worden derhalve met deze richtlijn onverkort in het leven geroepen en worden niet afhankelijk gemaakt van het bestaan van het onderliggende basisrecht (d.w.z. het recht waarover informatie moet worden verstrekt) in het nationale recht van de lidstaten.
Nederland heeft de implementatietermijn van deze richtlijn, 2 juni 2014, niet gehaald. Wel is de opsporingspraktijk alvast met informatieflyers gaan werken, uiteraard om te voorkomen dat strafzaken stuklopen op een rechtstreeks beroep op de niet-tijdig geïmplementeerde richtlijn. Bij wet van 5 november 2014,1 aangevuld bij besluit van 18 november 2014,2 is de richtlijn met ingang van 1 januari 2015 alsnog geïmplementeerd, voornamelijk door invoeging van een nieuw artikel 27c in het Wetboek van Strafvordering3 en daarnaast door wijziging van de Overleveringswet.
Implementatie in de rechtsstelsels van deze richtlijn heeft twee effecten. Het eerste is dat de betrokkene, meestal de verdachte, wordt geïnformeerd over de rechten die hem op basis van andere regelgeving al toekomen. In die zin biedt deze richtlijn de verdachte duidelijkheid en rechtszekerheid. Daarnaast roept de richtlijn zelfstandige rechten in het leven, hetgeen een zekere minimumwaarborg biedt aan de verdachte. Zowel in reguliere strafzaken als in zaken waarin sprake is van strafrechtelijke samenwerking, dient de verdachte te worden geïnformeerd. Juist in zaken met een internationale component, waarbij de betrokken burger in aanraking kan komen met het recht van een voor hem vreemd rechtsstelsel, heeft een dergelijke gegarandeerde informatievoorziening toegevoegde waarde. De betrokkene kan met de hem verstrekte informatie in de hand zijn positie bepalen en daaraan eenvoudiger vasthouden. Dit bevordert de eerlijkheid van de te voeren procedure, bijvoorbeeld doordat daarmee de kans toeneemt dat de verdachte gebruik maakt van de rechten die hem niet zonder reden toekomen. En dat zal uiteindelijk het vertrouwen dat de lidstaten in elkaar stellen bevorderen.